13.9.06

Fragment uit DE VLOEK VAN MACBETH (Davidsfonds-Infodok, 1996)


TWAALF



Stel je voor: een donkere spelonk van zwartgrijs papier maché. In het midden een ketel, waaronder - onzichtbaar voor het publiek - een elektrische kookplaat geplaatst is. Uit de ketel stij-gen hete dampen op, terwijl de donder rommelt in de boxen. Die donder is afkomstig van een CD met alleen maar geluiden op, van het soort dat door toneelgezelschappen wordt gebruikt om hun opvoeringen wat op te fleuren.
Drie heksen komen op, gekleed in vieze vodden. Ze zijn zwaar geschminkt, in het bezit gesteld van valse kromme neuzen en dikke wratten en hebben groene en paarse pruiken op het hoofd.
Hun namen?
Carla, Anja en Opperheks Betty.
Uit de boxen wordt het publiek nu een aardig stukje house in de maag geramd. De heksen geven elkaar de hand en beginnen rond de dampende ketel te dansen. Op het stampende ritme van de muziek zingen ze:

Rond de ketel danst een kring,
gooit er gif en darmen in.
Dagen en nachten, dertig en één,
slapend onder een kille steen,
zweette het padje zijn venijn:
het moet nu in de ketel zijn!
Dobbel dobbel, pook en stook,
vuurtje brand en ketel kook.

Terwijl we om de ketel dansten, gooiden we alle ingrediënten van het hellesoepje in het ziedende water:

Hondstong, dons van vledermuis,
stekertje van blind gespuis,
gaffeltje van addertong,
teentje van een kikkerjong,
oog en poot van hagedis,
al wat taai en tover is!
Hellesoepje, kook en kis!
Dobbel dobbel, pook en stook,
vuurtje brand en ketel kook!

We gooiden er drakeschubben in. Een wolvetand. De vleugel van een schele uil...
Allemaal nep natuurlijk. Namaak. Geert en Peter verzorgden de speciale effecten en dat deden ze perfect, want van ver zag het er allemaal even vies en gruwelijk uit.
We roerden er nog maag en muil uit een zoutzeehaai getrokken en dolle kervel 's nachts geplokken in.
'Dichterlijke vrijheid,' had DDT gezegd. 'Geplokken bestaat wel niet, dat moet eigenlijk geplukt zijn, maar als je dolle kervel 's nachts geplukt schrijft, dan rijmt het niet meer. Bovendien klopt het dan niet meer met het ritme.'
Dus werd het geplokken. Het was werkelijk on-voor-stel-baar!

Dikt de brij tot lijm en slijm,
steek erbij wat tijgerpens
en 't helse brouwsel is naar wens!
Dobbel dobbel, pook en stook,
vuurtje brand en ketel kook!
Koel het af in bavianenbloed
en 't toverding is gaar en goed!

Net toen we er nog wat gal van bokken, een Turkenlip en een Tartarentoot ingekeild hadden, schreeuwde Vera kort maar scherp. We keken met z'n allen verrast de donkere zaal in. Verstoord zette DDT de geluidsinstallatie uit.
'Blijf met je poten van m'n lijf!' krijste ze.
Als een furie stormde ze naar voor. Daarbij botste ze hard tegen Peter aan, die net een kleverige brij stond aan te dikken tot lijm en slijm. Hij kreeg het spul, op basis van verf, over zijn trui.
'Mag ik weten wat er aan de hand is?' informeerde DDT.
'Steven moet mij met rust laten, meneer! Het is al erg genoeg dat hij op het podium aan mij zit te frunniken!'
Ik hoorde Carla gniffelen. 'Stille waters, diepe gronden.'
Anja snoof woest.
Nochtans kon ik me moeilijk voorstellen dat Steven zo'n genie-pig kereltje was. Hij was trouwens veel te verlegen om de katjes te knijpen in het donker. Ergens vanuit het donker klonk dan ook een verontwaardigd gegrom, als van een beer in zijn hol. Maar Vera gaf hem de kans niet om zich te verdedigen.
'Hebben jullie je dan nooit afgevraagd waarom hij Rik te lijf ging, terwijl dat helemaal niet nodig was?'
Ze keek ons uitdagend aan. Er viel een ongemakkelijke stilte. Zelfs DDT wist met deze situatie geen raad. Al die intriges gingen zijn petje duidelijk te boven.
Vanuit de schaduwen drong een zacht en klaaglijk gekreun tot ons door. De beer was gekwetst.
'Ga jullie meningsverschillen buiten uitvechten,' zei DDT. 'We hebben nu geen tijd om ons met dat soort kleinzieligheden bezig te houden. Herneem de laatste strofe nog eens, meisjes!'
DDT waste zijn handen in onschuld en startte de muziek.

Dikt de brij tot lijm en slijm...

Zoals gewoonlijk, begonnen we ongelijk. DDT had het al een poosje afgeleerd ons daar nog opmerkingen over te maken. Zodra we op dreef waren, vonden we langzaam maar zeker wel hetzelfde ritme. Deze keer kwamen we echter niet verder dan de eerste zin. Opnieuw was het Vera die roet in ons hellesoepje gooide. Eerst met haar scherpe, stilaan overbekende gil en daarna met een aardig potje spartelen op het gangpad.
'Wel een vreemde plaats om te leren zwemmen,' spotte Geert.
We proestten het uit. De feeks krijste ondertussen lustig verder. Horen en zien verging erbij.
Peter schakelde het zaallicht aan en het kreng scharrelde over-eind. Haar wang was ontveld en rond haar linkeroog ontwik-kelde zich een leuke zwelling. Zo te zien was ze tijdens haar val met haar mooie snoetje tegen een stoel aangeknald.
Misschien lag het aan de schaduwen of aan de verf op haar gezicht, maar ik geloof dat de huid onder haar linkeroog ook al begon te verkleuren. Donkerblauw.
Nog een paar uur en het zou paars zijn, bruinachtig paars. En dan zou het groen worden. En geel. Kortom, straks zouden alle ongewenste kleuren van de verdomde regenboog op haar mooie snoetje weerspiegeld worden.
Zonde hé?
Plots sprong het serpent, nog altijd lenig als een panter, boven op Steven. Met haar vuistjes begon ze woest op zijn brede borst te trommelen.
'Is 't nu gedaan, ja?' schreewde DDT, in een ontroerende variante op zijn beroemde Zal het gaan, ja?
Hijgend liet de feeks zich op een stoel neervallen.
'Mag ik nu eindelijk...?' begon DDT.
Maar Vera onderbrak hem meteen:
'Hij heeft me voetje gelicht!'
En ze stak een beschuldigend vingertje uit richting Steven, die een paar passen verderop ongelovig het hoofd stond te schud-den.
'Niet waar!' kreunde hij.
'Ik wilde naar de kleedkamers gaan, toen...'
'Niet waar! Niet waar! Niet waar!' herhaalde Steven.
Zijn hoofd zwaaide log heen en weer, als dat van een aange-schoten olifant.
Ik was best bereid hem te geloven. Waarschijnlijk was Vera zo lomp geweest, dat ze in het halfdonker over haar eigen welgevormde voetjes was gestruikeld, uitgegleden en op haar o zo knappe gezichtje gevallen. Maar al de anderen aarzelden en keken Steven verwijtend aan.
'Zo lang hij meedoet, zie je mij hier niet meer!' riep Vera uit.
En ze sprong op en liep naar de kleedkamer. Met een smak gooide ze de deur achter zich dicht.
De stilte die daarop volgde, werd alleen om de paar seconden onderbroken door het rommelen van de donder in de verte. Iemand had de CD met de toneelgeluiden op repeat gezet.
'Kunnen een paar vriendinnen van Vera haar niet gaan opzoeken?' vroeg DDT. 'Een troostend woordje kan wonderen doen in een situatie als deze...'
Als bij toverslag stonden er, tegelijk, wel een dozijn 'vrien-dinnen van Vera' op om het gevallen serpent te gaan troosten, moed in te spreken, op te beuren. Uiteraard voelde ik mij 'in een situatie als deze' eveneens een vriendin van Vera.
We troffen haar snikkend aan op haar geliefkoosde plekje: voor de spiegel. Gewoonlijk dienden spiegels voor de ijdele trien alleen maar om zichzelf in te bewonderen. Spiegeltje, spiegeltje aan de wand... Nu viel er echter bitter weinig te bewonderen...
DDT, die zich blijkbaar ook al als een vriendin van Vera beschouwde, was ons gevolgd. Of misschien vond hij het toch wel een beetje verdacht dat zoveel meisjes zich plotseling geroepen voelden zijn steractrice op te monteren, en wilde hij een oogje in het zeil houden.
'Vera, luister...' begon hij voorzichtig.
'Laat mij met rust!' onderbrak de feeks hem weer. 'Optreden is er voor mij nu toch niet meer bij!'
En daar ging ze nog maar eens aan het jammeren. Voor een toevallige toeschouwer zal het er wel overtuigend uitgezien hebben, maar ik vond dat ze een beetje té veel overacting in haar spel legde.
'Ik heb er mijn buik goed van vol! De hele sfeer is hier verpest! Steven heeft me voetje gelicht en...'
'Dat is een ernstige beschuldiging, Vera,' viel DDT haar op zijn beurt in de rede.
Hij deed zijn uiterste best om zich zo onpartijdig mogelijk op te stellen. Als hij Steven immers al te zeer voor het hoofd stootte, haakte die misschien ook nog af. En als het dan nog een tijdje op die manier doorging, kon hij Macbeth nogmaals herwerken. Tot een monoloog of zo.
'Kan me niet schelen!' krijste de tang. 'Ik ben niet van plan hier nog mee door te gaan zo lang Steven ook meespeelt!'
'Maar Vera toch...'
'Ik ben mijn leven nog niet moe, hoor!'
'Overdrijf je nu niet een beetje? En waar moet ik zo gauw iemand vinden die jou kàn vervangen, Vera?'
Jaja, dacht ik. Dikt de slijm tot lijm, gooi er dan nog maar wat complimentjes bij.
'Mijn gezicht is onherstelbaar verwoest!'
'Het geeft toch niet als je binnen een paar weken nog een vreemd kleurtje hebt, Vera? Lady Macbeth mag best iets sinisters hebben!'
Voor het eerst in haar carrière als oogappel van DDT, wierp Vera de leraar een moordende blik toe. Toen het goed tot hem doorgedrongen was dat hij zopas een kemel van formaat geschoten had, sprong de feeks op, greep jas en tas en ging er vandoor.
Daar stonden we nu. Een hele kennel geslagen honden.
DDT slaakte een diepe zucht die sprak van nog diepere wanhoop. Zijn gebogen schouders torsten het leed van een hele wereld.
'Een stuk herschrijven, dat is een makkie,' mompelde hij. 'Zelfs al is het een stuk van Shakespeare... Maar het ook nog regisseren... Nee, dan krijg je alle plagen van Egypte tegelijk op je nek...'
Een beetje spanning is altijd goed voor een produktie, zou grootva gezegd hebben. Maar ik had zo het idee dat DDT daar op dit moment geen boodschap aan zou hebben. Macbeth had hij al moeten vervangen, en nu liet Lady Macbeth het ook nog afweten...
Ik keerde terug naar de zaal. Steven zat op een stoel, voorovergebogen, het hoofd in de handen. Anja had een arm om zijn schouders geslagen en probeerde hem te troosten.
Ik ging naast het tweetal zitten. Stilte.
Opnieuw ging de deur naar de kleedkamers open. Geert kwam op ons af.
'Was dat nu echt nodig?' vroeg hij, toen hij vlak voor Steven stond. 'Eerst Rik uitschakelen en als je zijn lief niet kunt krijgen, haar ook maar om zeep helpen. Jij bent verdomme geen haar beter dan die Macbeth!'
Steven reageerde op zowat alles meestal zo rustig, dat het bijna verontrustend werd. Maar als ik hem deze keer niet had gestopt, zou hij Geert ook al een kopje kleiner gemaakt hebben.
Wat was er toch aan de hand met ons, sinds we met de repetities voor Macbeth gestart waren?
Onwillekeurig tastte ik naar de halsketting die ik van grootva had gekregen.
Zo lang ik die droeg...



DERTIEN



In omstandigheden als deze, kan ik dit hoofdstuk maar best overslaan, zeker? Niet dat ik bijzonder bijgelovig ben, hoor. Maar je moet het noodlot nu ook niet tarten. Tot nader order is dertien nog altijd het ongeluksgetal. En ik kan daarover meespreken. Verleden jaar ben ik namelijk nog een heel jaar dertien gewéést.



VEERTIEN



DDT werd met de dag zenuwachtiger. Nog twee weken en het was zo ver! Het stuk nam stilaan een zekere... vorm aan. Ook het decor schoot goed op. Het licht hing al omhoog en men legde de laatste hand aan de klankband. Er werd hard gewerkt.
Geert, Peter en nog een paar anderen waren erin geslaagd een heus kasteel na te bouwen op de scène. Het bezat een toren, een stuk of wat kantelen en zelfs een soort ophaalburg. Om het kasteel liep iets als een gracht, die onze technici van dienst kost wat kost wilden vullen met heerlijk, helder water. Dat was in, tegenwoordig: écht water op het podium.
We repeteerden hard, iedere dag, ook op woensdagnamid-dagen. Niemand waagde het nog te zeuren, maar gek genoeg voelden we daar ook steeds minder behoefte toe. Misschien kwam dat omdat we met onze eigen ogen hadden gezien hoe 'dode materie' - zoals DDT het uitdrukte - 'tot leven was gekomen'. Papieren personages waren personen van vlees en bloed geworden.
Onvoorstelbaar hoe een toneelstuk rijpt en groeit tijdens de repetities. Dit moeizame proces begon een vreemde, magische kracht uit te stralen.
Wat mij betrof, was er maar één probleem: ik had geen tijd meer om bij Rik langs te gaan. Eerlijk gezegd, was ik daar ook een beetje bang voor. Hoe moest ik mijn vlucht van de vorige keer verklaren? Het hinderde me ook dat hij zich zo gemakkelijk door mij had laten verleiden. Als hij dacht er twee liefjes tegelijk op na te kunnen houden, als hij maar op-scharrelde wat hij krijgen kon, dan was hij bij mij aan het verkeerde adres.
Vera had zich overigens laten overhalen om toch maar mee te spelen. Ik had er nooit aan getwijfeld dat dit vroeg of laat zou gebeuren. Op haar gezicht viel bijna geen spoor meer terug te vinden van de valpartij. Vera zat trouwens àltijd onder de verf, zowel op als naast het podium, en die had het erger doen lijken dan het was. Toch deed ze nog steeds alsof een behandeling door een plastisch chirurg slechts op de valreep was vermeden. Intussen bleef er een tastbare spanning in de lucht hangen tussen haar en Steven. De minste vonk kon een kortsluiting veroorzaken.
Gelukkig had ik van dié spanning minder last dan van de al even spannende toestanden thuis. Ma nam het pa kwalijk dat hij niet verkozen was tot lijsttrekker. Naar het aantal stemmen te oordelen, had Riks vader drie vrienden méér kunnen mobiliseren. Pa trok zich zijn nederlaag niet erg aan, maar ma bestempelde ze als een persoonlijke vernedering.
En ik? Och, ik was maar wàt blij dat ik geen burgemeester als vader kreeg.

Een oorverdovend trompetgeschal deed me opschrikken. Koning Duncan en zijn gevolg gingen af. Nee, niet als gieters, natuurlijk. Afgaan was zo'n typische toneelterm, die niets anders betekende dan dat ze van het podium verdwenen. Maar voor de rest hoefde je niet over een massa toneelervaring te beschikken om te merken dat de meesten van ons het nooit ver zouden schoppen in de toneelwereld. Al werd er in sommige televisieseries nauwelijks beter geacteeerd.
Als we er maar plezier aan hebben! zou grootva gezegd hebben. En zo was dat.
De lichten werden gedimd. Na een korte stilte schreed, in het schemerlicht, een witte gedaante naar voor. Lady Macbeth... Ze las een brief van haar echtgenoot voor, die zopas de heksen op zijn pad gevonden had. Waar wàs Steven trouwens? Al een hele avond slaagde hij erin zich zo goed als ontzichtbaar te maken. Blijkbaar was dat zijn manier om de storm te trotseren.
'Ik ontmoette de heksen op de dag van de zegepraal,' las Vera, en de 'r' van 'praal' rolde weer dat het een lust voor het oor was. 'Ze leken méér dan menselijke kennis te bezitten. Ik brandde van verlangen om hen verder te ondervragen, maar toen losten ze op in de lucht...'
Precies op dat kritieke ogenblik hoorden we allemaal een droge knak, alsof de bezemsteel van een in de lucht opgeloste heks doormidden brak. Maar het was een kanteel van het kasteel dat naar beneden kwam.
'Pas op!' gilde Carla.
Te laat! Het ding raakte de schouder van Vera. Ze viel op de grond, zonder een krijsende kreet te slaken. Deze keer speelde ze dus geen komedie.
In een reflex keek ik naar boven. Zag ik daar, op die brug, achter de kantelen, een schim die zich snel uit de voeten maakte?
Vera verroerde geen vin. DDT liep naar haar toe.
'Is dit stuk dan vervloekt?' jammerde hij.
Toen hij bij haar knielde, knipperde Vera met de ogen. Ze wilde rechtop gaan zitten en tastte naar haar rechterschouder. Haar rechterarm hing als een lamme vleugel langs haar lichaam.
'De repetitie is afgelopen! Vera moet naar de dokter!'
We stonden er nu met écht bedrukte gezichten bij. Was dit wéér 'zomaar een ongelukje' geweest? En die schaduw dan? Was ik de enige die ze opgemerkt had, of had ik me vergist?
Terwijl Vera overeind geholpen werd, voegde Steven zich zo onopvallend mogelijk bij ons. Anja legde een jas over het slachtoffer heen.
We weken uit elkaar. Plots stond Vera oog in oog met Steven.
Ze keek hem aan met haar bekende vernietigende blik, maar ze sprak geen woord.

DDT had iets gebromd over de heren van de verzekering, die hier niet blij mee zouden zijn. Om nog maar te zwijgen over de heer prefect van onze school of over de ouders van de leerlingen. Maar voor de rest leek hij op het standpunt te blijven dat the show must go on. Al klonk het allemaal weinig overtuigend.
Ik verliet als één van de laatsten de feestzaal. Voor mij uit liep Steven, met gebogen hoofd. Ik snelde hem achterna en botste daarbij tegen een paar stoelen, die kletterend op de grond vielen.
Zo moet Vera ook gevallen zijn, dacht ik.
Steven draaide zich om. 'Pijn gedaan, Betty?'
'Nee,' loog ik.
En meteen daarop vuurde ik de vraag op hem af die al een tijdje op mijn lippen brandde:
'Was jij daarnet boven op de kantelen, Steven?'
Hij beet op zijn onderlip. Ja, dus.
'Wat deed je daar?'
'Mijn brochure nemen.'
Het klonk ongeloofwaardig.
'Waarom zou ik Rik of Vera kwaad willen doen?' riep hij toen uit.
'Omdat je verliefd bent op Vera,' snauwde ik.
'Vera is mijn type niet. Dat weet jij toch ook wel?'
Hij keek me zo vreemd aan, dat ik er ongemakkelijk van werd.
'Het waren dus allemaal ongelukjes?' zei ik. 'Eentje voor Rik en twee voor Vera, hé? En telkens was jij in de buurt... Is dat niet een beetje véél toeval, Steven?'
Woedend liep hij van me weg.

Ik keek naar het decor, naar de kantelen.
Eentje ontbrak. Net een mond waarin een tand was afgebroken. Dat herinnerde me er weer aan dat ik nog naar de tandarts moest...
Ik liep de coulissen in. Het was er donker, maar ondertussen kende ik hier ieder hoekje.
Hiér moest ik me bukken voor een lat, waarmee een kanteel rechtop gehouden werd en hier...
Maar de lat was er niet meer! Ze was weg!
Ik voelde iets onder mijn voet... De lat lag op de grond!
Ik raapte ze op en hield ze in het licht. Afgebroken, dat was duidelijk. In ieder geval niet doorgezaagd.
Natuurlijk, erg véél bewees dat niet...




VIJFTIEN



De volgende dag was Steven niet op school en vernamen we dat Vera geopereerd moest worden. Sleutelbeenbreuk. Ze zou onmogelijk binnen twee weken kunnen spelen.
'Toch kan het schoolfeest niet uitgesteld worden,' zei DDT. 'De affiches, de kaarten, de uitnodigingen... alles is al gedrukt.'
Er hing een verslagen sfeer in de klas. Waren al die inspan-ningen dan voor niets geweest? En als de voorstelling toch doorging, wie moest dan de rol van Lady Macbeth overnemen?
DDT staarde ons somber aan. Op zijn voorhoofd tekenden zich diepe denkrimpels af.
'Carla is de enige die op zo'n korte tijd zo'n stuk tekst uit het hoofd kan leren,' zei DDT.
Aan de uitdrukking op Carla's gezicht te zien, was het wis-kundig wonderkind daar niet erg opgetogen over. Veel keuze had ze echter niet.
Door Carla's promotie, moest Anouk de derde heks spelen. Nog even en DDT zat door zijn reserve heksen heen.

Na school fietste ik naar Stevens huis. Een onopvallende rij-woning, waarvan de rolluiken half naar beneden waren.
Ik durfde niet aan te bellen. Een half uur stond ik daar te wachten, hopend dat hij naar buiten zou komen. Maar dat gebeurde niet.
Gek genoeg voelde ik mij opgelucht. Wat had ik hem immers moeten vertellen? Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik van zijn onschuld overtuigd raakte.
Maar dat zou een magere troost geweest zijn, want ik stond alleen met die opinie. Al de anderen waren tégen hem. Zelfs DDT geloofde dat er stront aan de knikker was. Al sprak hij dat vermoeden niet hardop uit.
(En had hij dat toch gedaan, dan zou hij uiteraard een andere uitdrukking gebruikt hebben.)

Die avond was er geen repetitie. Thuis was ma druk in de weer met het overtuigen van pa.
'Ook op de tweede plaats op de lijst kun je nog burgemeester worden,' beweerde ze. 'Als je maar genoeg stemmen achter je naam krijgt, spring je zo over de eerste heen. Met mijn steun moet dat zeker lukken, Staf!'
Ik had geen zin getuige te worden van nog maar eens een hoogoplopende discussie. Maar waar kon ik heen? Al mijn vrienden en vriendinnen lagen in het ziekenhuis of hadden zich opgesloten in hun kamer. Ten einde raad besloot ik grootva met een bezoek te vereren.
Hij had, met een borrel en een schaaltje borrelnootjes van Calvé, naar Het Rad van Fortuin zitten kijken. Zowel de borrel als de borrelnootjes had de dokter hem tien jaar geleden verboden. Als hij daarmee doorging, had hij geen vijf jaar meer te leven. Zijn hart zou het begeven.
Grootmoe keek er streng op toe dat grootva het verbod van de dokter naleefde en prees haar echtgenoot geregeld omdat hij zich zo strikt aan zijn dieet hield. Voor de rest wist iedereen dat grootva, wanneer grootmoe haar rug had gekeerd, de inhoud van een zakflesje jenever in zijn kopje koffie kiepte en dat hij een geheime voorraad borrelnootjes van Calvé had opgeslagen... in het kippenhok. Nu grootmoe er niet meer was, leverde hij zich 's avonds ongebreideld over aan zijn kleine ondeugden.
Toen ik de woonkamer binnen stapte, zette grootva dadelijk de televisie uit. Hij liet zich voorzichtig zakken in zijn gemak-kelijke fauteuil, nam een slok van zijn borrel, bood me een nootje aan dat ik beleefd weigerde, en stak het dan maar in zijn eigen mond.
'Zo,' zei hij, knabbelend en intens genietend. 'Welke goede wind heeft jou mijn richting uitgewaaid, Betty?'
'Och,' schokschouderde ik. 'Ze zijn thuis weer bezig, en dus dacht ik zo...'
'Het heeft toch niks met Macbeth te maken, hé?'
Mijn verklaring leek niet eens tot hem doorgedrongen te zijn.
'Hoezo?'
'Wel ja... Hoe verlopen de repetities?'
Ik schoof onrustig heen en weer op mijn stoel.
'Ik had het wel gedacht,' knikte hij, en hij peuterde een stukje noot onder zijn vals gebit vandaan.
'Heb je het dan al gehoord... van die ongelukjes?'
'Nee,' zei hij. 'Maar het viel te verwachten dat er iets zou gebeuren. Waarom heb ik je die ketting anders gegeven, hé? Je draagt ze toch?'
Ik tastte naar de talisman en toonde hem het kleinood.
'Heel goed,' grijnsde grootva. 'En gooi het hele verhaal er nu maar uit.'
Dat deed ik. Terwijl grootva achterover leunde, de handen op zijn buik gevouwen, vertelde ik hem over Rik, Vera, Steven en de ongelukjes. Ik vertelde hem zelfs wat ik nooit aan pa of ma verteld zou hebben. Dat ik Rik gekust had toen we alleen op zijn kamer waren, en dat het niet omgekeerd was gebeurd, bijvoorbeeld. In grootva's tijd, zo stelde ik me voor, moet dat bijna een doodzonde geweest zijn. Vrouwen die toen het initiatief namen, waren slechte vrouwen.
Hoe het kwam dat ik hem àlles opbiechtte? Geen idee. Mis-schien had het te maken met zijn houding: achterover geleund, handen op de buik gevouwen, ogen naar de hemel gericht. Als een échte biechtvader, dacht ik. Al had ik dan nog nooit een voet in een biechtstoel gezet. En al vloekten de borrel waarvan hij meer dan eens nipte, en de schaal nootjes waarin hij meer dan eens een graai deed danig met dat beeld.
Achteraf bekeken, denk ik dat ik grootva mijn intiemste gevoelens opbiechtte, omdat ik wist dat hij me niet uit zou lachen. Hij nam mij àltijd serieus. En hij was zowat de enige die àltijd naar me luisterde, zonder me te onderbreken, zonder me te willen verbeteren of de les te lezen. Grootva zou mij niet proberen op te voeden. Hij was zélf een hopeloos geval.
Grootva luisterde naar me. Onbevooroordeeld. Zonder bij-gedachten. Als een rechtvaardige rechter.
'... en nu denkt iedereen dat Steven het opzettelijk gedaan heeft,' besloot ik mijn relaas.
'Belachelijk!' antwoordde grootva meteen. 'Hij heeft met die ongelukjes niks te maken. Hij is er zélf het slachtoffer van!'
'Denk je?'
'Ik wéét het!'
Grootva sprong op en verdween in de keuken. Hij keerde terug met de koekjestrommel waarop het huwelijk van Boudewijn I en Fabiola vereeuwigd was. De trommel waaruit hij, op zolder, de halsketting had opgediept die hij mij gegeven had.
Toén had ik geen blik kunnen werpen op de inhoud van de trommel. Nu bleken er ook heel wat kranteknipsels in gezeten te hebben.
Hij nam er een vergeeld exemplaar uit en vouwde het open.
'Hier... Lees maar.'

VLOEK

De vloek van Macbeth bestaat echt. Het stuk van Shakespeare, waarin hekserij een belangrijke rol speelt, had in theaterkringen al de reputatie ongeluk te brengen. Veel acteurs beweren dat men het noodlot tart door zelfs maar de titel uit te spreken. Zij hebben het dan ook altijd over 'het Schotse stuk'.

Nu is er in Londen een vrouw in het publiek gewond geraakt door het zwaard van een acteur. Midden in een gevecht, kwam het stalen blad van het zwaard los van het heft. Het zwiepte door de zaal en kwam tussen de toeschouwers terecht. De vrouw moest naar het ziekenhuis gebracht worden, met snijwonden in het gezicht.


Ik keek grootva onthutst aan.
'En dit is maar één voorbeeld,' zei hij.
'Geloof jij dan ook al dat die vloek écht bestaat?'
'Je zegt toch zelf dat die ongelukjes bizar zijn!? Welnu, als je er meer over wil weten, ga je gang dan maar...'
Hij zette de koekjestrommel uitnodigend voor me open.
'Ik heb altijd alles verzameld wat met het theater te maken had. Ook over stukken waar ik niet eens ingestaan heb. Dit hier is een euh... speciaal onderdeel in mijn verzameling. Al deze knipsels gaan over de vloek van Macbeth.'
Ik nam een tweede artikel uit de doos. Mijn handen trilden en mijn mond voelde droog aan. Opgewonden liet ik mijn ogen over de regels glijden...

De politie heeft de dood van een oude stemcoach geregistreerd als een vermoedelijk geval van zelfmoord. Maar de mensen van het theater vragen zich af of de vloek van 'het Schotse stuk' soms opnieuw heeft toegeslagen.
De stemcoach viel eind januari '88 tijdens een operavoorstelling van 'Macbeth' van een balkon van het Newyorkse Metropolitan Opera House. Hij was op slag dood. De traditie wil dat op 'Macbeth' , als toneelstuk of als opera, een vloek rust.

Dat is de reden waarom Glenda Jackson, die in april in New York als Lady Macbeth in première gaat, zo lang gewacht heeft om in het stuk te spelen. Zo verklaart ze in een interview met een krant. Alleen al het noemen van de naam wordt door Britse acteurs gelijk gesteld met het over zichzelf afroepen van ongeluk. Aan het stuk kleeft zoveel kwaad, dat een acteur die de titel vernoemt of eruit voordraagt, de kamer uit moet, drie keer moet ronddraaien, spuwen, afkloppen en ootmoedig vragen om vergeving voor zijn wandaad.

De vloek spaart zelfs voorzichtige acteurs niet, zeggen zij die erin geloven. Dood, pech, vrees en slechte kritieken schijnen zelfs de eenvoudigste produkties van 'Macbeth' te achtervolgen. Lillian Baylis, de directrice van de Old Vic in Londen, werd in 1937 tijdens de voorbereidingen van 'Macbeth' ziek en overleed aan een hartaanval. Toen de beroemde acteur John Gielgud zich in 1942 aan 'Macbeth' waagde, kwam hij bijna om het leven tijdens een motorongeluk. En bij een opvoering op de Bermuda's in de jaren vijftig, liep de brand rondom het kasteel van Macbeth bijna uit de hand.

In de jaren zestig was een rondreizend gezelschap in Kaapstad met behulp van een hijskraan decorstukken aan het uitladen, toen een voorbijganger vroeg voor welk toneelspel ze bestemd waren. Nauwelijks had een toneelknecht geantwoord dat het 'Macbeth' was, of er viel een speer uit de hijskraan naar beneden, die hem doorboorde.

Zelfs produkties waarin iedereen het er levend vanaf brengt, lijken door tegenslagen van minder ernstige aard geplaagd te worden. Zo werden Peter O'Toole en zijn lady Macbeth, die in 1980 het stuk aan het instuderen waren, geveld door een aanval van gordelroos.


'Wel?' vroeg grootva.
'Het is allemaal zo onwaarschijnlijk...'
Hij schudde het hoofd. 'Het is hekserij, Betty.'
'Hekserij!?'
'Al die ellende wordt veroorzaakt door de heksenscènes in het stuk. Pas op, ik schud dat hier niet zomaar uit mijn mouw, hé. In Engeland werden daar dikke, geleerde boeken over gepubliceerd!'
Terwijl grootva naar één van die boeken op zoek ging - en het uiteraard niet vond -, herinnerde ik me dat DDT over een boek had gesproken waarop Shakespeare zich gebaseerd zou hebben. Was de titel niet Duivelkunde geweest?
Iedereen was plots erg geïnteresseerd geraakt in het stuk, toen DDT het over die heksenscènes had. Iedereen, behalve Carla en ik. Waarom zou ik nu dan wél geloof hechten aan dat heksengedoe? Omdat er een paar ongelukjes gebeurd waren die niet in een wip te verklaren vielen?
'Zoek maar niet verder, grootva,' zei ik. 'In heksen geloof ik nu eenmaal niet.'
'Nee?'
'Heksen bestààn toch niet! In sprookjes, ja! En enkele eeuwen geleden kwamen er ook wel eens vrouwen op de brandstapel terecht, beschuldigd van hekserij. Maar hun wàre misdaad was dat ze er een andere overtuiging op nahielden dan hun beulen, of dat ze dingen zeiden of deden waar die kerels met hun simpel boerenverstand niet bij konden. Sommige heksen werden veroordeeld omdat ze te lelijk waren, en anderen omdat ze te mooi waren. Dat heeft onze leraar geschiedenis ons zélf gezegd!'
'Nu, dan zal ik je eens wat zeggen, Betty!' zei grootva.
Het klonk alsof ik hem op z'n tenen getrapt had.
'Tegenwoordig geloven jullie alleen maar wat jullie zien, hé? En jullie denken op die manier verschrikkelijk slim te zijn, hé? Wel, ik noem dat dom! Er gebeuren nu eenmaal méér dingen tussen hemel en aarde, dan jullie ooit kunnen dromen! Dingen die alleen maar begrepen kunnen worden door iemand met... iemand met een simpel boerenverstand, zoals ik!'
'Bijgeloof!' snoof ik.
'Ontelbare volksverhalen in alle landen van de wereld vertellen hetzelfde! Heksen, en dan heb ik het niet over die sprookjesheksen uit de Efteling in hun peperkoekenhuisjes, met hun punthoeden en brede mantels, nee... Echte heksen worden door de Duivel opgeroepen door een gefluit... Dan smeren ze zich in met een heksenzalfje dat hen door de lucht laat vliegen, naar de Sabbat, waar Satan al zijn heksen telt en waar zij hun Meester kussen. En wie de Duivel het best heeft gekust, wordt Zijn koningin, de Koningin van de Nacht. En dan geven ze zich over aan allerlei heiligschennende praktijken, om ten slotte deel te nemen aan een geweldige braspartij, waarbij ze het vlees van ongedoopte kinderen eten en offers brengen en... en bij het eerste ochtendgloren vliegen ze weer terug naar huis. Poedel-naakt!'
Grootva zweeg en krabde over zijn kin. Dat deed hij altijd wanneer hij tevreden was over zichzelf. Ik moet toegeven dat zijn voordracht dan ook gezien en gehoord mocht worden!
'Als ik jou mag geloven, zouden wij in Macbeth dus een vloek uitspreken?'
'Zo is dat.'
'En daardoor zouden wij heksen worden? Werktuigen in de handen van de Duivel?'
'Wel euh... zo sterk zou ik het nu ook niet durven uitdrukken, Betty. Jullie spelen de rol van die heksen en spreken hùn woorden uit, meer niet. Zo lang je die ketting draagt, kan er jou trouwens niks overkomen.'
'Hoe beschermt die ketting mij dan?'
'Er hangt toch een schelp aan?'
'Ja... Zijn heksen dan bang voor schelpen?'
'Nee,' glimlachte grootva. 'Maar déze schelp bevat gewijd zout. Je weet toch dat een vampier aan de haal gaat voor een teentje look en dat een weerwolf alleen kan uitgeschakeld worden door een zilveren kogel? Wel, net zo'n band bestaat er tussen heksen en gewijd zout.'
'Jaja,' zei ik. 'En als ik dàt niet geloof, maak je me wel wat anders wijs.'
'Je mag van mij geloven wat je wil, Betty... àls je die ketting maar draagt. Beloof je me dat?'
Ik dacht even na. Maar toen beloofde ik het toch.

Fragment uit de jeugdroman SPOOKRIJDERS (Davidsfonds-Infodok, 1997) - Klik hier om het gelijknamige griezelverhaal te beluisteren... in een lied!



8: TOTAL LOSS



De stilte had een kleur. Ze was grijs als de mist om hem heen, waarin alle geluiden waren gestold. De schrijnende pijn in zijn schedel leek zijn hoofdhuid te doen krimpen.
Johnny opende de ogen. Hoog boven hem was een witte ring van licht in de mist geprikt. Een UFO, dacht hij. Maar bij nader inzien bleek het alleen maar om een verlichtingspaal te gaan, die zich stram over hem heen gebogen had, en nu versteend leek in een slechts half afgewerkt gebaar.
De oorzaak van de vreemde bocht die de paal beschreef, was het wrak aan zijn voet. Eerder op de dag was dat een zwarte Mercedes uit '71 geweest, die Johnny had gestolen. Een tijdje geleden - omstreeks 23:32 uur om precies te zijn...
... eleven o'clock in Nevele!
... was Johnny met de zwarte Mercedes in de vangrails gedoken.
Bijna middernacht! Spokenuur!
En nu restte er niets meer van die prachtige machine, dan een verwrongen hoop rokend schroot.

Johnny rook de misselijk makende geur van benzine en kreunde.
'Oooh... shit!'
'Het spijt me,' zei het meisje.
Johnny draaide met een ruk z'n hoofd om naar de plek waar de stem vandaan was gekomen, en een vlijmende pijnscheut schoot van zijn schedel naar de toppen van zijn tenen.
Het meisje! Natùùrlijk!
In haar witte mantel en dito ribfluwelen broek was ze bijna niet te onderscheiden geweest van de muur van mist, waarin ze geheel onverwacht was opgedoken. Gedurende een fractie van een seconde werden haar zwarte haren en haar donkere ogen gevangen in het licht van zijn koplampen. Ze had haar handen, in zwarte handschoenen gestoken, bezwerend opgestoken als om het onheil af te weren, dat haar nog altijd met een snelheid van bijna vijftig kilometer per uur naderde.
Het was niet meer dan een flits geweest. In een reflex had hij het stuur van zijn gestolen Mercedes omgegooid. Vaag was hij er zich van bewust dat zij op de pechstrook had gestaan en dat hij in de dichte mist blijkbaar ook al van de rijweg was afgeweken en op de pechstrook had gereden.
Zijdelings was hij tegen de vangrails van de middenberm geknald. De wagen werd omhoog gekatapulteerd en tegen een verlichtingspaal geworpen. Hij had die kaarsrechte witte lijn in het grijs van de mist nog met een onstellende snelheid op hem af zien komen... en toen was alles zwart geworden.
En nu zat datzelfde meisje naast hem geknield en leek zij opnieuw uitsluitend te bestaan uit zwarte ogen en zwarte haren en zwarte handschoentjes, waarmee ze ingewikkelde figuren uitvoerde aan de rand van zijn gezichtsveld. Voor de rest leek ze haast helemaal op te lossen in het landschap van nevel en mist om hen heen.
Ze had het bloeden uit de diepe schram in zijn hoofd met een zakdoek proberen te stelpen, besefte hij. Haar gebaren leken echter hoe dan ook iets magisch te hebben, iets dat hem weer tot leven kon wekken. Zijn spieren ontdooiden en de kloppende pijn in zijn hoofd... vervlùchtigde. Het werd daar nu ijl en leeg, alsof zijn hersenen waren omgetoverd in een luchtbel.
'Goddank,' prevelde het meisje. 'Ik dacht al dat je niet meer bij je positieven zou komen. Hoe voel je je nu?'
'Niet bepaald in feeststemming,' gromde hij.
Zijn stem klonk rauw en zijn tong was even onhandelbaar als een stel verkleumde vingers, waarmee je een brief probeert te schrijven.
'Het spijt me... Ik deed je schrikken, hé?'
'Wie gaat er nou met dit soort dichte mist liften op de pechstrook van de snelweg!?'
'Het spijt me... En van je auto ook.'
'Perte totale!' gromde hij.
'Kun je lopen?' Ze wees vaag achter zich. 'Een paar kilometer achter ons ligt zo'n Stop... Het is daar dat ik vandaan kwam. Ik werd er afgezet door... door iémand... maar de tent bleek gesloten te zijn. Toen dacht ik maar weer te gaan liften. Maar nu... Je hebt hulp nodig... Ze zullen daar wel een EHBO-kistje hebben of zo, zeker?... Inbreken mag niet, maar dit is toch een... hoe noemen ze dat?... een geval van heirkracht, hé?'
Hij stond moeizaam op. De grote luchtbel in zijn hoofd spatte uit elkaar in talloze kleinere belletjes - rood, groen, blauw, geel, oranje - en daar waren zijn ouwe vertrouwde hersenen terug! Ze leken heen en weer te schuiven in zijn schedelpan als de dooier van een spiegelei, dat gebakken wordt op een vuurtje van kleine venijnige speldeprikjes.
Het meisje met de donkere ogen en de zwarte haren begon om hem heen te tollen en te draaien. Even was hij bang dat hij zijn ontbijt van die ochtend - een spiegelei, misschien? - zou achterlaten op het asfalt. Maar toen werd de wereld weer stabiel.
Bevend op zijn benen en met zijn hand aan zijn hoofd stond hij zijn reddende engel een poosje sprakeloos aan te staren.
'Alles in orde?' informeerde ze bezorgd.
'Min of meer,' zei hij.
'Zullen we dan maar gaan?'
'Wacht!... Wacht nog een ogenblikje... Ik heb... Ik moet...'
Het koffertje op de achterbank! Ik mag het krokodillenkoffertje hier niet achterlaten!
'Er ligt... er làg... een koffertje op de achterbank.'
'Juist, ja... Toen ik je uit de auto sleepte, zag ik het liggen...'
Voordat hij haar kon tegenhouden, was ze al naar het wrak van de Mercedes gelopen. Hij zag haar door een zijruit tasten, die er niet meer was. Triomfantelijk diepte ze het koffertje uit de schroothoop op. Het was gelukkig nog intact.
Met zijn ene hand hield hij haar zakdoek tegen zijn voorhoofd. Zijn andere hand stak hij uit naar het koffertje.
'Ik draag het wel.'
'Zal het gaan?'
Hij nam het koffertje van haar over. Ze haalde de schouders op en begon voor hem uit te lopen, in de richting waar zich de Stop bevond, die hij niet eens had opgemerkt.
Ze kon niet veel ouder zijn dan achttien, schatte hij. Niet veel ouder dan hijzelf dus. En ze was bijzonder knap. Al bij al had het erger kunnen zijn. Hij had dood kunnen wezen. Of hij had gered kunnen worden door een vriendelijk vrouwtje van zevenenzestig.
'Hoe heet je?' vroeg hij.
'Suzie,' zei ze. 'Noem me maar Suzie Q.'
Ze deed het heel nonchalant klinken, alsof ze morgen weer een heel andere naam kon aannemen.
'En jij?'
'Johnny,' zei hij. 'Noem mij maar Johnny.'
'Johnny be good,' fluisterde ze, en ze glimlachte. 'Go, Johnny! Go! Johnny be good!'
En toen griste ze hem het krokokoffertje onverhoeds uit de handen en ging ze ermee vandoor, rennend over de pechstrook van de snelweg...
'Bye bye Johnny Boy!' hoorde hij haar nog lang nadien lachen.
Zien kon hij haar al lang niet meer, en achter haar aan gaan, had geen zin. Zíj was niet gewond, híj wel.
'Johnny bye bye!'
Hij ging zitten op de vangrails en begon te huilen.
'Nu ben ik dood,' huilde hij. 'Mors.'
In de verte zong ze de rock 'n' roll klassieker nog steeds: 'Go, Johnny! Go! Johnny be good!'
En ook: Bye Johnny Boy! Johnny Boy bye!'



9: SUZIE Q



Als je de dood in de ogen keek, zo beweerde men althans, leek je hele leven zich in een fractie van een seconde als in een film op het blanke scherm van je ogen te projecteren.
Daar was niks van aan, wist Johnny nu.
Suzie Q was bijna niet te onderscheiden geweest in die muur van mist, waarin ze geheel onverwacht was opgedoken. Gedurende een fractie van een seconde werden haar zwarte haren en donkere ogen gevangen in het licht van zijn koplampen, en in die fractie van een seconde trok niet zijn verleden aan zijn geestesoog voorbij, maar zijn toekomst, zoals hij zich die op grond van haar verschijning voorstelde.
Ze had haar handen bezwerend opgestoken als om het onheil af te weren, dat haar nog altijd met een snelheid van bijna vijftig kilometer per uur naderde. Het was niet meer dan een flits geweest. In een reflex had hij het stuur van zijn gestolen Mercedes omgegooid. Vaag was hij er zich van bewust dat zij op de pechstrook had gestaan en dat hij in de dichte mist blijkbaar ook al van de rijweg was afgeweken en op de pechstrook had gereden.
Maar toen was hij niét zijdelings tegen de vangrails van de middenberm geknald, zoals hij het in dat korte, flitsende visioen had gezien. Zijn wagen werd niét omhoog gekatapulteerd en tegen een verlichtingspaal geworpen.
Hij slaagde er op het laatste nippertje in haar te ontwijken en zijn wagen in de hand te houden. Hij remde en kwam een boogscheut verder tot stilstand. En alles was niét zwart geworden voor zijn ogen. De wereld bleef wit.
Ze droeg trouwens ook geen zwarte handschoenen, zoals hij eerst had gedacht. En ze was niet gekleed in een witte ribfluwelen broek en dito manteltje.
Dat was een fata morgana geweest. Gezichtsbedrog, teweeggebracht door de mist.
Ze droeg een jurk met Indische motieven en verder niets.
Het was een soort hippiemeisje, zoals je er tegenwoordig niet zoveel meer ontmoette.

Johnny stapte uit. Het meisje kwam hem tegemoet gelopen.
'Bent u in orde?' vroeg ze.
'Nee,' antwoordde Johnny kortaf.
'En uw wagen?'
'Het scheelde maar een haar of dat was een perte totale, juffie,' zei Johnny streng. 'En wat dan?'
'Ja...' mompelde het meisje. 'Wat dan?'
'Wie gaat er nu in 's hemelsnaam moederziel alleen en in het holst van de nacht staan liften op de pechstrook van de snelweg? En dat dan nog met zo'n mist!?'
Ze droeg niet eens een warme jas, zag Johnny. Alleen maar die malle ouwerwetse jurk. Toen merkte hij de schichtige blik in haar ogen op, en milderde hij zijn toon enigszins.
'Ongeval gehad?'
'Zo zou je het kunnen stellen, ja...'
'Enig idee waar we ons hier bevinden?'
'Dit moet de ring rond Brussel zijn,' zei het meisje. 'Daar ben ik zeker van.'
'De ring rond Brussel,' mompelde Johnny. 'Zo vèr al... En heel die tijd geen levende ziel te bekennen...'
'Wat zegt u?'
'Niks... Niks...Wil je 'n lift?'
Het meisje knikte en Johnny opende het portier van de Mercedes. Ze nam hem nog eens onderzoekend op voor ze instapte. Dat begreep Johnny wel: zo'n knappe meid, in het holst van de nacht, in de dichte mist, op de verlaten snelweg, moederziel alleen met... met hém.
Met een jonge vent die ze van haar noch pluimen kende. Een volslagen onbekende, een vreemde vogel met een krokokoffertje vol witte poedersuiker. Een kerel die er zelfs niet voor terugschrok het liefje van zijn dode grote broer met zijn ogen uit te kleden. Misschien was hij wel levensgevaarlijk. Een seriemoordenaar!
'Waar ga je heen?'
Johnny stond er geen ogenblik bij stil dat ze hem niet gevraagd had of hij wel haar richting uitreed, voordat ze instapte.
'Asse,' zei ze.
'Asse? Dat is okee.'
Kunnen we sàmen terugkeren tot stof en asse, malle meid...
'Asse ligt op m'n weg.'
Dat was ook zo. Hij kende zijn reisroute uit het hoofd. Ter hoogte van Asse moest hij het plannetje gaan gebruiken dat Mefisto hem had gegeven. Het kaartje van Smurry's Eiland, dat in het maffe verhaal van Otto, van die dolgedraaide BOB-er, van de geschifte rijkswachter die misschien niet eens bestond ook al niet bestond.
Larie, natuurlijk. Smurry's Eiland bestond wél! Johnny had het op een plannetje staan! Hij wist best waar hij die plek moest zoeken! Heel het verhaal dat de BOB-er over Smurry's Eiland had opgehangen, was trouwens larie geweest. Otto had het gewoon ter plekke verzonnen, om Johnny te stoppen, om hem bij zich te houden. Dat was zo klaar als een klontje. Toen de BOB-er die naam had horen vallen - Smurry's Eiland -, had hij er gewoon een verhaaltje rond verzonnen, en dat was al... Of niet soms?
Johnny gaf voorzichtig gas. Het meisje klemde haar lippen stevig op elkaar. Was ze bang? Hij probeerde zich te concentreren op de mist voor hem, op de auto's die er niet waren.
De stilte tussen hen beiden viel op z'n minst... gespànnen te noemen, bedacht Johnny. En in zo'n gespannen stilte viel het nog eens extra op als je maag begon te rommelen. Het meisje sloeg krampachtig haar handen over haar buik en kreeg een kleurtje.
Johnny glimlachte. Het was altijd vervelend als je lichaam vreemde geluiden begon voort te brengen in het gezelschap van vreemden, en hij had zo de indruk dat meisjes dit om één of andere reden extra beschamend vonden. Alsof hij niet wist dat zij ook wel eens winden lieten.
'Honger?' vroeg hij.
Ze knikte stom.
'Op de achterbank liggen een paar hamburgers en enkele blikjes bier,' zei hij. 'De hamburgers zullen wel koud zijn, ik heb ze vanmorgen gekocht. En het bier zal wel lauw zijn, maar als je dat niet erg vindt, mag je gerust je gang gaan.'
Ze begon rond te scharrelen op de achterbank en viste daar twee pakjes en twee blikjes op.
'Jij ook?' vroeg ze.
Hij schudde het hoofd. Ze trok het lipje van een blik bier en zette het gulzig aan haar lippen. Toen klemde ze het blik vast tussen haar dijen en begon ze het pakje open te maken.
'Ruik jij niets?' vroeg ze.
Hij snoof en dacht even een vage geur van sinaasappels te ruiken, maar dat was zijn verbeelding.
Nee, hij rook wat anders.
Hij rook...
'Patchouli! Gebruik jij nog patchouli? Ook een broertje dood aan de mode, zeker? Nou, ongelijk kan ik je niet geven hoor... Patchouli, ha!... Lang geleden dat ik dat nog geroken heb.'
Zij snoof nu ook, en toen hij haar glimlachend van opzij aankeek, zag hij dat er een uitdrukking van intense walging op haar gezicht was gekomen. Van afkeer ook, vermengd met angst.
En weer die schichtige blikken...
'Bedorven vlees,' stamelde ze verontschuldigend en bij wijze van verklaring.
Ze deed gauw het pakje van de hamburger dicht.
'Wàt?'
'Bedorven vlees,' herhaalde ze.
'Bedoel je... die hamburger? Ik heb hem vanmorgen pas gekocht!'
Ze stak hem het pakje onder zijn neus en hij snoof het luchtje op dat eruit opwalmde.
'Je hebt gelijk,' mompelde hij. 'Die stínkt! Zo rot als een... enfin!'
'Mogen ze weg?'
'Natuurlijk mogen ze weg. Van mij hoef je ze niet meer op te eten.'
'Ik ben erg gevoelig voor dat soort dingen, weet je. Geuren en zo. Mag het weg?'
'Natuurlijk! Zei ik toch?'
Haar eigenaardige gedrag bracht Johnny in verwarring. Hij meende dat ze gewoon vroeg of ze de pakjes met de hamburgers terug op de achterbank mocht leggen, maar ze bedoelde het létterlijk. Hij bleef dus doorrijden en zij bleef de pakjes vasthouden, in iedere hand één, zo ver mogelijk van haar vandaan, tussen duim en wijsvinger, de neus opgetrokken en de wenkbrauwen gefronst. Alsof het zakjes stront waren.
'Stop je dan even!?' riep ze ten slotte uit. 'Ik kan dat bedorven vlees toch niet zomaar naar buiten gooien, op de openbare weg?'
'O... Bedoel je dàt?'
Johnny stopte en zij deed het portier open. De vochtige mist sloeg meteen naar binnen. Ze gooide de pakjes met twee wijde zwaaien in de berm, sloot het portier en keek hem tevreden aan.
Johnny gaf gas.
Omdat er opnieuw een stilte tussen hen beiden was gevallen, die steeds meer op een gespànnen stilte begon te lijken, probeerde Johnny de autoradio nog eens.
'Hij doet het!' juichte hij, toen de klanken van Domino - zij het dan verminkt door allerlei gefluit, gepiep en gekraak - hoorbaar werden.
Johnny had het liedje meteen herkend. Toen zijn grote dode broer nog leefde, was het een hit geweest van Clouseau. Bob had weinig opgehad met die Nederlandstalige popgroep, maar het was jarenlang één van Johnny's favoriete bands geweest.
Hij neuriede de tekst zachtjes mee:

't Is niet zo lang geleden,
maar 't lijkt een ver verleden,
ze heette Domino,
of ze noemde zich zo.


Het gekraak en gefluit en gepiep werd harder, tot hij bijna niks meer van het liedje kon verstaan. Nijdig draaide Johnny de knop van de autoradio om.
'Jammer,' zei hij. 'Storingen. Krijg je altijd als ze een toffe plaat draaien. Zal wel iets met het slechte weer te maken hebben. Hou jij van Clouseau?'
'Nee,' antwoordde het meisje.
Ze hield niet van Clouseau, wel van Mozart en zo, zong Koen Wauters in dat liedje.
Johnny grinnikte. Het was heel toepasselijk.
'Nooit van gehoord,' voegde ze eraan toe.
Johnny trok de wenkbrauwen op. 'Koen Wauters...?'
'Ken ik niet,' zei ze.
Een meid van haar leeftijd - zestien op z'n minst, achttien op z'n meest - die nog nooit van Clouseau, laat staan van Koen Wauters had gehoord!? Dat vond Johnny toch wel tamelijk onvoorstelbaar. Als ze had gezegd dat ze nog nooit van Bruce Springsteen had gehoord, ja dan... maar Koen Wauters van Clouseau? Ongelooflijk!
'Ik heb het voor de Beatles,' ging ze verder. 'Zonde dat ze gesplit zijn, vind je niet?'
Ze sprak erover alsof dat gisteren gebeurd was, terwijl die split toch al meer dan een kwarteeuw oud was.
En daar daalde weer die gespannen stilte over hen beiden neer.
'Ik heet Johnny,' stelde hij zich dan maar voor.
'En ik ben Suzie,' zei ze. 'Suzie Q voor de vrienden.'
Het verwonderde hem al niet meer dat ze zich met net dezelfde naam aan hem voorstelde als ze dat in zijn voorspellende visioen van zoëven had gedaan. Het visioen dat toch niet helemààl met de nabije toekomst bleek te kloppen, omdat het ook al op vijf of acht of dertien punten verschilde van de toekomst...
'Je weet wel,' ging ze verder, 'zoals in dat liedje van Creedence Clearwater Revival: Suzie Q, oh Suzie Q baby I love you, Suzie Q. Een grote hit, hoor!'
Opnieuw keek Johnny haar ongelovig aan. Als hij het zich goed herinnerde - Creedence Clearwater Revival maakte ook deel uit van de platencollectie van zijn grote dode broer -, dan was Suzie Q een grote hit geweest eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Dit meisje naast hem moest ongeveer tien jaar later geboren zijn. En dat vond Johnny toch wel wat laat om je dochter nog naar één of andere grote hit te noemen...
Of zocht hij spijkers op laag water en liep deze meid gewoon enkele decennia achter? Retro was altijd wel eens in, tegenwoordig. Wilden ze niet terug naar de jaren vijftig, dan wel naar de jaren zestig of zeventig.
Nu toch wel nieuwsgierig geworden, informeerde hij naar wat Suzie daar eigenlijk uitvoerde, in de mist, op de pechstrook.
'Vakantie,' antwoordde ze weinig toeschietelijk. 'Ik werd verrast door de mist.'
Zonder een regenmantel, zonder enige bagage staan liften in de mist, op de pechstrook van de snelweg, bij wijze van vakantie?
Johnny geloofde er geen snars van! Deze meid had iets te verbergen!
Hij ging er verder niet op in, omdat Suzie op dat ogenblik begon te klappertanden. Ze rilde hevig en hij merkte dat ze er plots lijkbleek uitzag.
Johnny had een warme trui liggen op de achterbank. Het was een dikke wollen werktrui die hij nog haastig had meegegrist, voordat hij die avond - een eeuwigheid geleden, leek het wel - in Westende was vertrokken om een klus op te knappen voor een man die kon fluiten door een gaatje in zijn neus. De trui zat vol olievegen, vetvlekken en verfspatten, en hij rook ook niet meer zo fris, maar ze ging gretig op z'n aanbod in en trok 'm aan, over haar malle ouderwetse jurk met de Indische motieven.
Johnny draaide de verwarming wat hoger. En het werd weer stil in de wagen.
Net voor de afrit Asse, vroeg hij haar waar ze precies woonde.
'Weggevoerdestraat,' antwoordde ze kort. 'Zonder n. Vlak bij het station. Nummer 13. Maar voor de rest heeft dat niks speciaals te betekenen, hoor. Dat nummer, bedoel ik. Dertien. Ik ben niet bijgelovig.'
'O,' mompelde hij.
'Jij wel?'
'Ik!? Nee. Helemaal niet...'
En weer daalde de stilte over hen neer.
Hij probeerde de autoradio nog maar eens. Misschien kon Creedence Clearwater Revival - of hoe heette die ouwe hippiegroep alweer? - de boel een beetje opfleuren. Als er niet té veel storingen waren, tenminste.
Er wàren storingen.
Maar er was ook, heel ineens, de zwoele stem van de late radio-omroepster die hij eerder die nacht al had gehoord: 'Op de snelweg... krak... richting... krak krak... werd een spookrijder gesignaleerd... krak. Wij raden de automobilisten die... krak krak krak... rechts te houden en... krak.'
Nog nijdiger dan de vorige keren, draaide Johnny de knop om. Het volgende ogenblik hoorde hij naast zich een klaaglijk gekreun.
Suzie... Was ze wagenziek geworden?
'Ik wil eruit... Laat me eruit!'
Ze begon aan het portier te morrelen om de daad bij het woord te voegen. En dat terwijl ze toch nog altijd 40 of 50 per uur deden.
'Maar we zijn er nog niet... Hé!' protesteerde hij. 'Wacht! Hou op!'
'Het is te laat!' gilde ze hysterisch. 'Stop dan toch! Ik moet...'
Johnny vroeg zich af wat er plotseling zo dringend kon zijn. Een grote boodschap? Maar die kon toch niet haar verwilderde en wanhopige ogen verklaren? Dat rillen en beven? Die regelrechte paniek?
Johnny ging op de remmen staan, zwenkte naar de pechstrook en stopte. Enkele meters verder lag de afrit Asse, merkte hij nog uit zijn ooghoek. Toen had ze al snikkend het portier opengegooid.
'Het spijt me, maar het mocht niet!' jammerde ze.
'Hoezo!?' vroeg hij vrij sullig. 'Wat mocht er niet? En van wie?'
'Van dokter Smurry! Het kan niet! Vergeet het! Ik...'
En weg was ze. Opgelost in een gordijn van mist.
Verbluft staarde Johnny haar na.





10: DE WEGGEVOERDE STRAAT



Tijdens haar vlucht - want daar leek het toch op - had Suzie haar identiteitskaart verloren.
'Suzanne Van Ginderen,' las Johnny ontdaan, 'geboren te Asse, 1955.'
Dat jaartal moest natuurlijk een vergissing zijn. Eén van de vijf of acht of dertien. Suzie was lang geen veertig geworden! Toch vond hij het bizar dat ze ook nog een ouwe identiteitskaart bezat, in plaats van zo'n computerspulletje.
In het handschoenenvakje van de Mercedes had hij een stedenatlas gezien, met honderd plattegronden van de belangrijkste steden van België. Hij zocht Asse op, speurde in de index naar de Weggevoerdestraat-zonder-n, en vond er geen.
Ook dàt kon uiteraard een vergissing zijn. Trouwens, het gebeurde wel meer dat erg kleine straatjes niet werden opgenomen in zo'n stedenatlas.
Johnny zuchtte. Wat nu?
Ik wil haar zien. Ik wil haar terugzien!
Hij wist niet waarom. Ze geurde niet heerlijk naar sinaasappels, ze rook naar patchouli. En haar slipje of beha stonden niet duidelijk afgetekend in haar wijde jurk met Indische motieven. Bovendien was ze lichtjes van het lotje getikt. Maar ze had de zwarte haren en de donker fonkelende ogen van het meisje uit de eerste klas dat zo goed had geleken op het dode liefje van zijn dode grote broer Bob en aan wie ook het dienstertje hem op één of andere manier had doen herinneren.
Dus moést hij haar terugzien.
'Weggevoerdestraat,' had ze gezegd. 'Vlak bij het station.'
Als hij daar in de buurt van het station van Asse eens ging kijken? Hij had tijd tot zonsopgang en zo op het eerste gezicht was de zon nog lang niet van plan op te gaan.
Je hebt nog zeeën van tijd, Johnny! Je hebt nog àlle tijd van de wereld, Johnny Boy!
Larie en apekool, natuurlijk. Tegen zonsopgang moest hij terug in Westende staan. Hoeveel tijd was al voorbij gegaan sinds die prachtige zonsondergang? Zijn tijd raakte hoe dan ook stilaan op... maar daar stond dat bordje van de afrit Asse: 500 m. Het hoefde hem hooguit een half uurtje te kosten...
Johnny gaf gas en reed de snelweg af.

In tegenstelling tot wat de stedenatlas hem had voorgespiegeld, bevond er zich wel degelijk een Weggevoerdestraat-zonder-n in Asse. Ze verbond de spoorweg met de Stationsstraat.
Johnny stapte uit om naar het naambord te kijken van de straat die er volgens zijn plan niet hoorde te zijn, want door de mist kon hij van in zijn wagen de letters op het bord niet lezen. Maar het stond er heel duidelijk, in witte letters op een blauwe achtergrond: Weggevoerdestraat.
Johnny sprong weer in zijn wagen en reed de straat in, die niet breder was dan een wegeltje. Er stonden weinig huizen: een vijftal met pare nummers en acht met onpare nummers. Nummer 13 was het laatste huis van de doodlopende straat. De achtertuin paalde aan de spoorweg. Een stenen kaboutertje bewaakte het verwaarloosde voortuintje.
Johnny stopte en zat een tijdje nerveus met zijn vingers op het stuurwiel te tokkelen. Kon hij wel aanbellen op dit uur van de nacht? Kon hij dat wel maken? Als Suzie gewoon te voet naar huis was gelopen - en daar leek het toch op? -, dan zou zij hier zo meteen opdagen en dan kon hij beter nog een beetje wachten... Tenzij ze de Weggevoerdestraat net vóór hem had bereikt en het huis al was binnengeglipt... Dan kon hij nog wachten tot zonsopgang!
Op dat ogenblik werd het licht aangeknipt op de eerste verdieping. Hij zag een schim achter het gordijn verschijnen. Suzie was dus net vóór hem thuisgekomen!
Johnny stapte uit en liep naar de voordeur. Hij wist niet wat hij haar wilde vertellen, hij wist alleen dat hij haar dringend moest spreken. Ze hadden hun gesprek in de auto niet kunnen afmaken en...
Voor hij zich kon bedenken, had hij al aangebeld.
Het bleef doodstil in de straat en ook in het huis nummer 13. Johnny zag dat de deur dringend een lik verf kon gebruiken. Hij deed een paar passen terug om naar het raam te kijken, waarachter hij de schim had zien verschijnen. Het licht brandde daar nog, maar de schim was verdwenen.
Toen hoorde hij sloffende voetstappen achter de deur.
'Wie daar?' riep een hoge, hese stem die hij niet herkende.
Maar dat zou wel aan de mist liggen, dacht hij. De mist die alle geluiden dempte en vervormde.
'Johnny,' antwoordde hij.
'Johnny wié?'
'Gewoon... Johnny. Je weet wel.'
'Ik ken geen Johnny!'
'Maar ik heb je nog een lift gegeven en...'
Johnny zweeg en beet op zijn lip. Misschien wàs het helemaal Suzie niet met wie hij, dwars door deze gesloten deur heen, stond te praten. De stem die hij niet herkende, de sloffende voetstappen... Misschien was het haar moeder of haar tante en stond hij zich hier compleet belachelijk te maken!
'Een lift gegeven?' klonk het argwanend.
'Ja!' riep Johnny uit.
'Wié heb je een lift gegeven, Johnny?'
'Joù! Enfin, Suzie...' voegde hij er verward aan toe. En toen er geen antwoord kwam, zachtjes: 'Een meisje dat zich Suzie Q noemde... Ze was een jaar of zestien, hooguit achttien en...'
'Suzie...?'
'Ja... Suzanne Van Ginderen, Weggevoerdestraat 13, Asse.'
'Dat is mijn dochter, meneer... Suzie was zestien toen ze wegliep van huis... Ze ging inderdaad liften op de ring rond Brussel... Een dokter... Ze noemden hem hier in de streek dokter Smurry, omdat hij... God, ik weet eigenlijk ook niet goed waarom!... Maar hij reed in een gloednieuwe zwarte Mercedes, meneer... En hij vertraagde, om haar op te pikken... In '71 was dat...'
Johnny keek om naar de Mercedes uit '71 die hij van Mefisto had mogen 'lenen' om naar Smurry's Eiland te rijden. Hoewel hij zich slechts op enkele passen van de wagen bevond, was die niet meer dan een zwarte, bijna vormloze klomp metaal in de mist.
Was dit de Mercedes van dokter Smurry? En waarom had hij van Mefisto precies dié wagen moeten stelen, om naar Smurry's Eiland te rijden? En wat was de wàre bedoeling van deze helse rit in de mist? Dat krokokoffertje naar dokter Smurry brengen?
Johnny begon er steeds meer aan te twijfelen. Wie weet had er niet van in het begin gewone witte suiker in het koffertje gezeten en vormde het zogenaamde drugtransport alleen maar een alibi, een drogreden die hem naar Smurry's Eiland moest lokken. Maar wààrvoor moest hij dan in werkelijkheid naar die verdomde plek rijden?
Terwijl al die ideeën door zijn hoofd flitsten, was de vrouw achter de deur niet opgehouden met haar eenzame, trieste monoloog.
'Ze beweerden dat hij maar wat graag meisjes van zestien oppikte, meneer...' fluisterde ze. 'Hij vertraagde en... Hij veroorzaakte zo een ongeval met dodelijke gevolgen... Met dodelijke gevolgen voor mijn Suzie, meneer... Zo zei de politie toch dat het was gebeurd... Maar ik heb daar altijd mijn twijfels bij gehad... Ik heb het lichaam van mijn Suzie nooit meer te zien gekregen... Het was... vermíst, zeiden ze... Op het kerkhof hebben wij een lege kist begraven, meneer... Hoge heren hielden hem de hand boven het hoofd... Dokter Smurry, bedoel ik... Hij had relaties... Hij...'
Johnny herinnerde zich wat zo ongeveer de laatste woorden moesten geweest zijn, die Suzie tegen hem had gesproken: dat het niet kon, dat het niet mócht... van dokter Smurry.
Toen luisterde hij al niet meer, maar maakte hij zich uit de voeten.
Op het kerkhof hebben wij een lege kist begraven, meneer...
Johnny stond er geen ogenblik bij stil dat het op z'n minst toch wel erg merkwaardig te noemen viel dat de moeder van Suzie, zo zonder enig voorbehoud, haar hele verhaal uit de doeken deed aan een volslagen vreemde. Aan iemand die Suzie dan nog een lift had gegeven ook, net zoals dokter Smurry dat al eens had gedaan...
Op het kerkhof hebben wij een lege kist begraven, meneer...
Er waren nu eenmaal dringender problemen aan de orde. Dat niets was waar het op leek in deze dichte mist, daar verwonderde Johnny zich al een tijdje niet meer over. Zo gaat dat nu eenmaal als de mist van maart alles en iedereen overvalt: wat echt lijkt, blijkt bij nader inzien een vorm te zijn die alleen in je verbeelding bestaat; en waarvan je denkt dat het een vorm is die enkel in je verbeelding bestaat, blijkt bij nader inzien helemaal echt te zijn.
Op het kerkhof hebben wij een lege kist begraven, meneer...

Johnny hoefde niet lang naar het kerkhof van Asse te zoeken. Het was of hij reed op zijn instinct, zoals een reisduif vliegt op haar instinct en zo feilloos de weg naar huis terugvindt. Hij kon geen hand voor de ogen zien en hij kende Asse helemaal niet, maar nauwelijks een kwartier later stond hij op het kerkhof.
Hij kende het kerkhof van Asse niet, maar ook haar graf vond hij feilloos.
Hij ging gewoon af op zijn intuïtie.
Hij volgde zijn instinct.
'Suzanne Van Ginderen, 1955-1971, ' las hij.
Haar foto op de grafsteen... Een meisje met zwarte haren en donkere ogen, in een lange wijde jurk met Indische motieven.
Ook het kledingstuk dat netjes over het kruis op de steen was gedrapeerd, herkende hij dadelijk.
Het was immers de wollen werktrui met de vieze vegen die hij haar eerder die nacht had gegeven...

De Zwarte Spiegel - Deel 2 (klik hier voor samenvatting, boekbespreking, recensie,...)

4.

De boeken van meneer Dierickx hielpen Jan door de lange lege uren heen, de uren zonder Sonja, wanneer zij erop uit trok om te doen wat zij dacht te moeten doen. Hij gunde haar graag die vrijheid, al vond hij het ook gevaarlijk. In de krant had er nog geen opsporingsbericht gestaan, radio of televisie hadden ze hier niet. Maar als ze op straat werd herkend door een flik die haar signalement had doorgekregen, waren ze er gloeiend bij. Toch protesteerde hij niet als ze de deur uitging. Opgesloten zitten in deze muffe kamers was niks voor haar, en ze keerde telkens weer als herboren terug van haar tochten door Antwerpen.
En hij had zijn boeken. Of beter: de boeken van meneer Dierickx. Het bestuderen van die boeken hielp hem niet alleen door de lange lege uren zonder Sonja heen, maar zorgde er ook voor dat hij niet te lang stil bleef staan bij wat hem overkomen was met de zwarte spiegel. Het zou wel een wat uit de hand gelopen nachtmerrie geweest zijn, stelde hij zich voor. Iets gaan drinken in de keuken, op die stoel voor de spiegel in slaap gedommeld, gedroomd en gedacht dat hij nog wakker was. Zoiets.
Er waren heel oude, maar ook tamelijk moderne boeken bij. Haast zonder uitzondering handelden ze over magie, astrologie, reïncarnatie en dat soort onderwerpen meer. Sommige oude werken waren in het Latijn geschreven, andere in het Frans, het Engels of het Duits. Merkwaardig was, dat er maar weinig romans bij waren, dat het bijna uitsluitend om wetenschappelijke werken ging.
Nou ja, wetenschappelijk... Een zeer dik boek was getiteld Geschriften van de graaf van Saint-Germain, door de eeuwen heen. Het was de biografie van een edelman, die een paar dozijn eeuwen geleden was geboren en nog altijd in leven was, omdat hij voortdurend het lichaam van een jonger iemand in bezit nam. Dat beweerde de auteur van het schotschrift tenminste. Daarom gaf hij er vermoedelijk ook de voorkeur aan anoniem te blijven. Meneer Dierickx moest erg geïnteresseerd geweest zijn in dit boek, want hij had er een heleboel aantekeningen in gemaakt.
Elders, in een encyclopedie die nogal betrouwbaar leek, vond Jan ook een stukje over de graaf van Saint-Germain:

Niemand wist waar hij vandaan kwam of hij zijn voornaam luidde, maar volgens de grote filosoof Voltaire was de graaf van Saint-Germain 'een man die nooit sterft en alles weet'.
De graaf was een beroemdheid in het Parijs van het midden van de achttiende eeuw. Hij was rijk, een vlotte prater en sprak niet alleen zowat alle moderne talen, maar ook Latijn, Grieks, Sanskriet, Arabisch en Chinees.
In gezelschap at of dronk hij nooit. Hij beweerde dat hij genoeg had aan zijn 'levenselixir'. Velen geloven dan ook dat hij een alchemist was, die een drankje had gebrouwen dat hem de eeuwige jeugd schonk.
De graaf van Saint-Germain kon smakelijke verhalen opdissen over de koningin van Sheba, de hangende tuinen van Babylon of de manier waarop hij nog voor Jezus tussenbeide was gekomen bij de vrouw van Pontius Pilatus. In 1760 verbleef hij in Den Haag om een geheime opdracht van de Franse koning Lodewijk XV uit te voeren, maar de vrouw van een ambassadeur had hem al eens omstreeks 1700 ontmoet in Venetië. Nochtans bleef hij er altijd vooraan in de veertig uitzien, altijd even groot en donker.
In 1789 waarschuwde de graaf van Saint-Germain de Franse koning en koningin voor de Revolutie, die weldra hun hoofd zou laten rollen. Daarna vestigde hij zich in Wenen, maar tegen het einde van de achttiende eeuw trok hij zich terug in de Himalaya, om uit te rusten van zijn vele avonturen.
In de vroege negentiende eeuw daagde hij op in Engeland, onder de naam Frazer, waar hij beweerde de Romeinse keizer Nero nog te hebben gekend en de grote middeleeuwse dichter Dante persoonlijk te hebben gesproken. In 1814 nam hij deel aan een internationaal congres in Wenen en in 1905 werd hij opgemerkt in India en Tibet.
Kort voor de Eerste Wereldoorlog rustte hij opnieuw uit in een oud paleis in Venetië. Het laatste openbaar optreden van de graaf van Saint-Germain dateert van 1974: toen stond hij in Parijs de pers te woord en gaf hij een interview aan de ORTF.

Een ander boekje dat meneer Dierickx nogal geobsedeerd moest hebben, als hij op de vele aantekeningen in de marge mocht afgaan, was eenvoudig getiteld: John Dee, de grootste magiër aller tijden. Het was eigenlijk niet meer dan een brochure van een twintigtal bladzijden. Er zat geen kaft meer omheen en het titelblad was ook niet meer te bespeuren, zodat Jan het raden had naar de auteur. Voor de rest was het boekje echter nog geheel intact.
Net zoals in het boek over de graaf van Saint-Germain, had meneer Dierickx met potlood heel wat aantekeningen in de brochure aangebracht. Ze waren in zo'n pietepeuterig handschrift geschreven, dat ze meestal onleesbaar waren. En als ze wel leesbaar waren, had meneer Dierickx ze in het Engels, het Frans of het Duits gesteld. Jan deed heel wat moeite om ze vertalen.
Dit was er één van:

Volgens de Amerikaanse griezelschrijver H.P. Lovecraft verzorgde John Dee de Engelse vertaling van een uiterst gevaarlijk toverboek, een zogenaamde 'grimoire'. Die droeg als titel 'Necronomicon', ofwel: 'Het Boek van de Dode Namen'.
Het is larie en apekool dat John Dee dit toverboek zou hebben vertaald, om de eenvoudige reden dat het niet eens bestààt. Het werd namelijk verzonnen door Lovecraft. Hij deed dit echter zo overtuigend dat de Necronomicon in verscheidene populair wetenschappelijke naslagwerken werd opgenomen, en dat het boek daarin werd voorgesteld als een bestàànde grimoire. Hierdoor werd in antiquariaten en bibliotheken al gauw koortsig navraag gedaan naar dit helse toverboek, dat de lezer in contact kon brengen met sinistere en machtige wezens van buitenaardse oorsprong.
Zo doen er nog wel meer valse geruchten de ronde over John Dee. Hij speelt niet alleen een rol in het werk van Lovecraft, maar zijn 'zwart kristal' komt ook voor in verhalen van de Gentse griezelschrijver Jean Ray, ook bekend onder dat andere pseudoniem van hem: John Flanders. De Antwerpse auteur Hubert Lampo heeft aan John Dee her en der enkele pagina's gewijd, net zoals de Zuidamerikaan J.L. Borges.

Een andere aantekening luidde als volgt:

De stad Leuven kent tenminste twee legenden in verband met doctor Dee. Zij brandmerken hem als een tovenaar die zichzelf ontzichtbaar kon maken en een moord pleegde op een al te nieuwsgierig student. Deze euveldaad werd bedreven met behulp van een pop die op een mens gelijk, en die door magische praktijken leven was ingeblazen. Dit thema herinnert onwillekeurig aan de roman 'De Golem' van Gustav Meyrinck, die tevens de auteur is van een grotendeels fictieve biografie van John Dee.

5.


De grootste magiër aller tijden was ongetwijfeld de Engelsman John Dee. Gehuld in een waas van mysterie worden Dee, maar ook collega's als Paracelsus en Cornelius Agrippa, vaak geciteerd maar weinig gelezen. Zij zijn het lijdend voorwerp van heel wat loze geruchten. Zo zou John Dee model hebben gestaan voor de tovenaar Prospero, uit het beroemde toneelstuk 'De Storm' van William Shakespeare. Deze brochure wil een antwoord bieden op de vraag wie John Dee wérkelijk was, en waaraan hij zijn duistere reputatie heeft te danken. Waarom werd John Dee bijvoorbeeld 'een gezel van de hellehonden' genoemd?
In tegenstelling tot talloze andere magiërs is John Dee geen schepping van een romanschrijver. Hij is een historisch personage over wie veel documentatie bestaat. John Dee hield bovendien een dagboek bij en publiceerde verscheidene autobiografische geschriften. Veel van zijn wetenschappelijke werken bleven bewaard en we vinden zijn naam om de haverklap terug in de geschriften van tijdgenoten.
Hij was een erkende autoriteit op het vlak van de wiskunde en de Griekse en Latijnse auteurs. Hij publiceerde een eerste Engelse vertaling van de Stellingen van Euclides, mét een belangrijk voorwoord van zijn hand. Hij interesseerde zich sterk voor de kunst van de navigatie, ontwierp het idee voor de basismeridiaan van Greenwich, stelde plannen op voor de kolonisatie van Amerika en deed in opdracht van de Engelse koningin Elizabeth I onderzoek naar optische technieken. Zijn kennis van de astronomie lag aan de basis van een hervorming van de kalender. Hij was de hofastroloog van Elizabeth I, filosoof en natuurkundige, wat in de geest van die tijd ook betekende dat hij de alchemie bestudeerde. Dit is de edele kunst van het omzetten van onedele metalen in edele metalen, lood in goud met andere woorden, en van de eindeloze zoektocht naar het levenselixir, het drankje dat de eeuwige jeugd schenkt.
John Dee werd geboren in 1527. Zijn ouders kwamen uit Wales, maar hadden zich in Londen gevestigd, waar zijn vader een onbeduidende functie vervulde aan het hof. De kleine John was een vroegrijp kind. Op zijn vijftiende werd hij toegelaten tot de universiteit van Cambridge. Als de meest briljante student van Cambridge, werkte hij gewoonlijk achttien uur op vierentwintig.
Nauwelijks negentien jaar oud, construeerde hij voor een toneelopvoering van een werk van de Griekse auteur Aristophanes een ingenieuze vliegmachine in de vorm van een kever. Het ding dééd het nog ook, zodat er een regelrechte paniek ontstond onder de toeschouwers. Een dergelijk vliegend voorwerp kon immers uitsluitend gecreëerd zijn door middel van zwarte kunst! Deze beschuldiging zou zwaar doorwegen op de verdere carrière van de jonge vliegenier, die uitgesloten werd van de universiteit en Cambridge de rug toekeerde.

Toen Jan de brochure voor het eerst las, kreeg hij een eerste schok bij de passage over de vliegende kever. Hij keek naar de kevers op de metalen rekken, waarmee hij en Sonja nog wel eens hadden gespeeld. Ze deden het allemaal, de ene al wat sierlijker dan de andere. Maar vliégen, deden ze uiteindelijk allemààl.
Alsof hun bedenker, nee... hun schépper... het ene protoype na het andere had gemaakt, steeds een beetje volmaakter, tot hij een exemplaar in handen had gekregen dat het best beantwoordde aan zijn droom. En toen geen afstand meer had kunnen doen van zijn minder geslaagde exemplaren.
Een insect, vervaardigd uit een onbekend metaal, heel natuurgetrouw nagebootst, dat op eigen kracht kon vliégen, even sierlijk als zijn warm en écht levende evenbeeld, door middel van een ingenieus systeem van veren... Een metalen kever die de zwaartekracht tartte en dat bovendien op een bijzonder intelligénte manier leek te doen, zonder tegen een tafel of een stoel of wat dan ook aan te botsen...
Jan was vol bewondering geweest voor de kevers van meneer Dierickx, en tegelijk had hij ze griezelig gevonden, omdat hij niet kon begrijpen hoe Dierickx deze stunt in feite had gerealiseerd. Hij had tegen Sonja gezegd dat hij een deel van de kevers binnenkort wilde verkopen op de rommelmarkt. Ze had op zijn voorstel gereageerd met onmiskenbare opluchting.
En nu staarde Jan van de regels in de brochure over de vliegende kevers van John Dee naar de vliegende kevers van de heer Johannes Dierickx, die roerloos in de metalen rekken stonden, wachtend op twee sterke vingers die de veer in hun binnenste zouden opwinden, het raderwerk in beweging zouden zetten en hen weer tot leven zouden brengen, vrolijk klapwiekend met hun metalen vleugels.
Had Johannes Dierickx in deze brochure over John Dee de inspiratie gevonden om zijn eigen vliegende kevers te maken, of was er wat anders aan de hand?
Jan dacht aan de stem die hij had menen te horen, diep in zijn hoofd... of kwam ze van daarbuiten?
'Ik heet John en ik ben éénentachtig... Aangenaam!'
Natuurlijk was dat inbeelding geweest en had dat zinnetje uit zijn koortsdroom of wat het ook was geweest helemaal niks te maken met de John Dee uit de brochure... Wellicht zou hij die naam... John Dee... wel al eerder ergens opgevangen hebben, toen hij voor het eerst zijn blik liet rusten op deze bibliotheek van Johannes Dierickx bijvoorbeeld... Hij zou de naam daarna wel weer vergeten zijn, omdat hij niets voor hem betekende, en toen hij half in slaap terugkeerde van de keuken waar hij water was gaan drinken en was ingedommeld op die stoel voor de zwarte spiegel, was die naam plotseling weer opgedoken in zijn droom...
Ja, zoiets zou het wel geweest zijn... Dromen haalden nu eenmaal dat soort flauwe grappen uit met hun dromers!
Toch begon hij de brochure nu met zo mogelijk nog méér aandacht te lezen...

In 1547 vinden we John Dee terug aan de universiteit van Leuven, waar hij aardrijkskunde doceerde. Later zou hij aan de kost komen als astroloog. In Leuven nam hij ook contact op met Mercator, die hij twee globes en een stel navigatie-instrumenten ontfutselde.

De wereldbol, de navigatie-instrumenten... Jan kreeg het even warm en koud tegelijk, maar hij dwong zichzelf niet naar de bewuste stukken in de kamer te kijken.

Het bezorgde Dee de reputatie een politiek en industrieel spion te zijn, die werkte in dienst van de Engelse kroon. De occulte praktijken die hem zo berucht maakten, beweerde men, zouden slechts een een dekmantel vormen voor zijn spionage-werkzaamheden, wat trouwens ook van die andere astroloog, Nostradamus, werd gezegd.
De waarheid zal wel ergens in het midden hebben gelegen. John Dee liet zich inderdaad, vaak noodgedwongen, in met politiek. Anderzijds lijkt het nogal vergezocht dat iemand een zo enorme magische bedrijvigheid ten toon zou spreiden, louter en alleen om er niet van verdacht te worden op staatsgeheimen te jagen.
John Dee was protestant van overtuiging. Hierdoor dreigde hij voortdurend geplet te worden tussen een katholieke hamer en een protestants aambeeld. Toen hij terugkeerde naar Engeland, bleek de katholieke koningin Mary genadeloos alle afwijkende overtuigingen de kop in te drukken. Haar jongere halfzusje, de latere koningin Elizabeth I, werd vanwege haar protestantse sympathieën gevangen gehouden in het kasteel van Woodstock. Elizabeth vreesde daar vergiftigd te worden, of terechtgesteld, op grond van een verzonnen aanklacht. Het mag ons dan ook niet verwonderen dat ze graag eens wilde horen wat de toekomst zoal voor haar in petto had.
Toevallig was haar kamermeisje een nichtje van Dee. Deze Blanche Parry vertrouwde ze volkomen. Met Blanche als tussenpersoon stelde Dee voor Elizabeth een astrologische voorspelling op, die zowel zorgvuldig als optimistisch mag genoemd worden. De inhoud kwam immers hierop neer: 'De situatie is kritiek, maar uw leven verkeert niet in gevaar, majesteit.' Voorts stond er in de voorspelling te lezen dat Elizabeth was voorbeschikt om een zeer hoge functie te bekleden, misschien zelfs die van koningin. En waarschijnlijk zou ze een hoge leeftijd bereiken.
Elizabeth was getroost. John Dee liet haar ook horoscopen zien die hij voor koningin Mary en haar gemaal Filips II van Spanje had gemaakt. Maar toen werden de brieven, die Blance Parry in het geheim op Woodstock bezorgde, door geheim agenten van Mary onderschept. Dee werd prompt beschuldigd van afwijkende godsdienstige opvttingen, magische samenzwering tegen het leven van koningin Mary, en van het doorspelen van een vertrouwelijk document - Mary's horoscoop - aan Elizabeth.
Dee werd in de gevangenis geworpen. Pas na enkele maanden werd hij wegens gebrek aan bewijzen vrijgesproken van alle beschuldigingen, maar zelfs na zijn vrijlating diende hij nog in afzondering te leven.
Toen Elizabeth na Mary's dood in 1588 de troon besteeg, maakte zij een einde aan het kamerarrest van John Dee en begon zij hem regelmatig te raadplegen over allerlei astrologische aangelegenheden. Dee bepaalde zelfs de datum van haar kroning. Ondanks de gevoelens van achting die Elizabeth ongetwijfeld moet hebben gekoesterd voor haar astroloog, liet ze haar vriendschap nooit in het openbaar blijken. Dit betreurde John Dee ten zeerste. Wellicht meende ze het zich niet te kunnen veroorloven voor het oog van de wereld om te gaan met een man die reeds twee maal van tovenarij was beschuldigd.
Elizabeth belastte John Dee met een paar mysterieuze opdrachten op het continent. Hij schijnt daarbij een deel van zijn inlichtingen op de gewone manier verkregen te hebben, maar vaak zou hij zich ook bediend hebben van occulte methoden om de plannen van Engelands vijanden te dwarsbomen. Niettemin bleef John Dee vrezen dat op een kwade dag zijn hoofd van zijn romp zou worden gescheiden door het zwaard van de beul in de Tower van Londen. Hij besefte immers maar al te goed dat zijn beschermvrouwe niet alleen gierig en humeurig was, maar ook nogal wispelturig.
In 1563 zakte John Dee af naar Antwerpen,

Antwerpen! Jan las de passage over Antwerpen wel driemaal hardop, in de hoop dat hij zijn oren niet zou hoeven te geloven!

op dat ogenblik de grootste wereldstad en het belangrijkste intellectueel centrum van West-Europa. Als vriend van Erasmus mocht hij zich meteen kind aan huis noemen bij de drukker, uitgever en boekhandelaar Christoffel Plantijn, die ook aardig wat prenten, kaarten, wijn, spiegels, wereldbollen en sterrenkundige instrumenten verkocht.

Prenten, kaarten, wijn, spiegels, wereldbollen en sterrenkundige instrumenten!

Doctor Dee nam in die periode ook opnieuw contact op met zijn oude makker Mercator en met de cartograaf Abraham Ortelius, die tot dezelfde kring van gelijkgestemde zielen behoorde.
Vermoedelijk in de winkel van Plantijn tikte John Dee een onvolledig exemplaar op de kop van het beruchte boek 'Steganographia' van Trithemius. Dit werk heeft de reputatie verschrikkelijk occult te zijn, maar is in feite een verzameling van voor die tijd ongemeen moderne systemen van geheimschrift. John Dee vervolledigde het werk en schijnt zelfs een methode ontworpen te hebben die even efficiênt was als deze van de mysterieuze abt Trithemius.
Zijn roem steeg nu stilaan naar een hoogtepunt. Terwijl hij een graag gezien persoon aan het hof werd, ontving doctor Dee - zoals hij nu door zowat iedereen werd genoemd - sollicitaties van niet minder dan vier universiteiten: Leuven, Parijs, Oxford en Cambridge. Hij was de auteur van enkele zeer geleerde boeken, bezat een eigen laboratorium en een bibliotheek van ongeveer 4000 exemplaren. Als ik u vertel dat de universiteitsbibliotheek van Cambridge in die tijd 451 boeken en manuscripten telde, dan krijgt u een goed idee van de verhoudingen.
Wat kon doctor Dee nog meer verlangen? Af en toe kreeg hij zelfs de koningin op bezoek!
Welnu, doctor Dee verlangde naar Wijsheid. Hij verlangde naar kennis, steeds meer kennis! Doctor Dee wenste de beperkingen van de menselijke geest niet te erkennen en kreeg op die manier af te rekenen met een ernstige geestelijke crisis. Jaren waren voorbij gegaan in studie en met experimenten, maar in zijn eigen ogen was hij nog steeds geen stap verder gekomen. Soms had hij zelfs de onaangename indruk het zelfgenoegzame bestaan te leiden van de brave burger, die hij verafschuwde.
Het dorpje Mortlake aan de Thames, waar hij nu zijn moeders huis bewoonde, ademde een comfortabele gezelligheid uit. Maar gezelligheid was niet aan hem besteed! Hij had zijn eerste vrouw verloren en was hertrouwd met de lieve Jane Fromond, die hij diep in zijn hart droeg en die geen mens ooit had horen klagen. Maar evenmin zou die mooie lieve Jane ooit een antwoord geven op één van de vele vragen die hem kwelden...




6.



John Dee had zich in de winkel van Plantijn in Antwerpen ook een kristallen bol aangeschaft, las Jan.
Hij dacht aan de zwarte spiegel, want in de brochure stond dat deze kristallen bol 'een instrument was dat het concentratievermogen versterkt en de overgang naar een andere, hogere vorm van bewustzijn vergemakkelijkt. Door hedendaagse psychotherapeuten wordt het kristal wel eens gebruikt om een patiënt onder hypnose te brengen. Waarschijnlijk hebben veel kristalkijker in de loop der jaren dan ook uitsluitend aan een vorm van zelfhypnose gedaan.'
Was het dàt wat hem was overkomen, op die stoel voor de spiegel? Een vorm van zelfhypnose? Een kristallen bol was natuurlijk niet meteen een spiegel, maar hùn zwarte spiegel had wel de vorm van een ei gehad, en dat deed dan toch weer denken aan een bol!
'De techniek van het kristalkijken was in die dagen zeer populair,' las hij verder ondanks een veroordeling door de Kerk, 'die geen verschil zag tussen de kristallen bollen en de spiegels die de heksen zouden gebruiken.'
Hier had je ze al, de spiegels!

Een aantal schandalen, waaronder de zaak Dee, zouden de kristallen bol ten slotte het veld doen ruimen voor andere middelen van waarzeggerij. Tot het kristal in de negentiende eeuw aan een triomfantelijke terugkeer begon, onder invloed van de spiritisten, die met de wereld der geesten in contact probeerden te komen.
Dee's dagboek, zijn 'Private Diary', maar voor 'Het Ware en Geloofwaardige Relaas van wat Gedurende Vele Jaren Gebeurde Tussen Doctor Dee en Enkele Geesten', geven een goed idee van waar het Dee precies om te doen was. Wie de meer dan vijfhonderd slecht gedrukte pagina's van dit laatste boek bestudeert, dat een halve eeuw na de dood van John Dee door een zekere Meric Casaubon werd gepubliceerd in Londen, zal merken dat de kristalkijkerij voor de goede doctor niets te maken had met een wat kinderlijke hobby. Er doken reële gevaren op, niet zozeer van occulte, maar wel van psychologische aard.
Dagenlang staarde doctor Dee in de vochtige diepten van een kristal. Hij nam eigenaardige geluiden waar, hoorde vreemde stemmen en droomde vreemde dromen, maar grinnikte wijselijk als hij werd bespot vanwege de verwrongen, lachspiegelachtige effecten van het glas.
En dan, op 25 mei 1581, noteerde John Dee triomfantelijk in zijn dagboek: 'Ik heb een visioen gezien in het kristal!'
Later zou hij hieraan toevoegen: 'Gedurende vele jaren, op plaatsen ver en nabij, heb ik in talloze boeken in diverse talen gewroet, met allerlei mannen beraadslaagd, met mezelf gediscussieerd, opdat ik een glimp van de Waarheid en de Werkelijkheid zou mogen opvangen. Mij herinnerend dat ik gelezen heb hoe vele goede engelen in Gods opdracht naar de aarde werden gezonden om de mens te leren, te informeren en te helpen, denk ik nu dat ik voldoende heb gestudeerd. Want ik ben ervan overtuigd dat de Wijsheid niet kan gevonden worden door een menselijk wezen, maar dat Zij uitsluitend afkomstig kan zijn van U, o God.'
Zoals andere vrome speurders naar verborgen wijsheden en ondanks het visioen van 25 mei, beschikte Dee zelf als ziener niet over voldoende kwaliteiten om in zijn eentje nog enige vooruitgang te boeken. Hij had een 'gespecialiseerde ziener' nodig, die hem al of niet door God of een handlanger van god in de vorm van een engel zou toegezonden worden. Dee vond zo'n 'medium' in de persoon van Barnabas Saul, die kort daarop echter aan de haal ging en een ware lastercampagne tegen de goede doctor startte. Vermoedelijk was Saul dan ook een spion van Dee's vijanden.
Enkele dagen later daagde Edward Kelley op,

Kélly!?

die om één of andere duistere reden voordien Talbott heette. Deze Kelley, zevenentwintig jaar jonger dan de doctor, wordt door sommigen beschouwd als een uitstekend medium, door anderen als een verstokt charlatan. Waarschijnlijk lag ook hier weer de waarheid ergens in het midden. Kelley was reeds gestraft wegens valsheid in geschrifte en daardoor zijn beide oren kwijtgespeeld, maar anderzijds lijkt hij wel degelijk échte visioenen te hebben gehad. De zwarte kap die zijn littekens moest verbergen, droeg dan weer bij tot zijn sinistere reputatie.
Volgens sommigen had Kelley 'de afschuwelijke kunst der necromantie' bedreven. Dit is niets anders dan 'het op een duivelse manier ondervragen van de doden, om tot kennis van toekomstige gebeurtenissen te komen'. Tevens zou Kelley in het bezit geweest zijn van een beroemde alchemistische handleiding en van twee onbestemde poeders, opgedolven in de nabijheid van de beroemde abdij van Glastonbury.
Dee vond in de wispelturige Kelley een allerminst betrouwbare partner, maar hij had diens gaven als ziener nu eenmaal even hard nodig als de verstandelijk minder begaafde Kelley het intellect van de doctor nodig had. Wat de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen betreft die op Kelley's verschijning volgden, hebben we alleen Kelley's woord. Hoewel Dee de opgeroepen geesten - via Kelley - ondervroeg en zorgvuldig nota nam van de antwoorden op zijn vragen die hij - eveneens via Kelley - kreeg, verklaarde Dee tijdens de séances nooit wat gezien of gehoord te hebben.
Kelley lag dus ongetwijfeld aan de basis van de boodschappen die doorkwamen, zodat de kans bestaat dat het allemaal bedrog is geweest. Persoonlijk ben ik er evenwel van overtuigd dat deze stelling al te simpel is. En mijn mening op dit punt wordt gedeeld door niemand minder dan professor E.M. Butler, die in twee boeken, verschenen bij de universitaire uitgeverij van Cambridge in 1948 en 1949, deze zaak uitvoerig behandelde.
De voortdurende vrees van de ziener dat de door hem opgeroepen geesten een duivelse in plaats van een engelachtige aard zouden hebben, zijn herhaalde vluchtpogingen, zijn uitbarstingen van woede, zijn bedreigingen en vaak ook zijn onwil om door te gaan met de experimenten... Dit alles werd wel eens verklaard als sluwe zetten om de aandacht van doctor Dee vast te houden. Maar de doctor was uit zichzelf al fanatiek enthousiast genoeg dat hij geen enkele aansporing meer nodig had, alleen al omdat hij er heilig van overtuigd was dat er wel degelijk engelen in het kristal verschenen. Ik geloof dus dat Kelley gewoon bang was voor de engelachtige én andere gedaanten die hij zag verschijnen, zowel in als buiten het kristal, en voor de vreemde stemmen die hij hoorde.

Deze passage kende Jan na verloop van tijd letterlijk uit het hoofd:

Dee zat naast Kelley en nam nota. In november 1582, tegen zonsondergang, zag Dee in het westelijke venster van zijn laboratorium de gedaante van een engelachtig kind, dat later door hem 'Uriël, de Geest van het Licht' werd genoemd. De verschijning droeg een zwarte steen, schitterend en helder, in de vorm van een ei, maar veel groter. Uriël verzocht Dee dit geschenk aan te nemen, maar zo waarschuwde de engel hem: 'Laat geen sterfelijke hand het ooit aanraken, tenzij die van uzelf!'

Hier dook hij weer op, de zwarte spiegel! En Jan twijfelde er niet meer aan dat het wel degelijk om de zwarte spiegel ging die bij hen was bezorgd!

De overhandiging van deze zwarte spiegel vond niet plaats tijdens één van de gewone zittingen rond de tafel waarop de ordinaire kristallen bol van Plantijn was geplaatst. Evenmin schijnt Kelley op dat ogenblik in het laboratorium aanwezig te zijn geweest, tenzij - volgens sommigen - vermomd als Uriël. Anderen evenwel, zoals Jacques Bergier, noemen Uriël geen engel en geen vermomming van Kelley, maar een buitenaards wezen. Het gepolijste, antracietachtige kristal zal later hoe dan ook in het bezit komen van de beroemde auteur van griezelromans, in de beste romantische traditie, Horace Walpole. Het bevindt zich op het ogenblik dat ik deze regels schrijf in het British Museum.

De kristallen bol werd gelaten voor wat hij was. De menslievende doctor Dee had met behulp van de geesten die hem en vooral Kelley toespraken vanuit het kristal geprobeerd een buurvrouw te genezen, zonder veel resultaat. Toen hij samen met de kristalgeesten een verborgen schat trachtte te vinden, leverde dat ook niets op. Maar deze zwarte spiegel kwam niet zomaar uit een Antwerpse winkel, deze zwarte spiegel werd hem geschonken door Uriël, de Engel van het Licht!
De wijze waarop Dee en Kelley met de spiegel werkten, was dezelfde als de manier waarop ze met het kristal hadden gewerkt, en ook in en rond deze spiegel verschenen geesten, zoals bij de kristallen bol het geval was geweest. Maar de resultaten die de beide magiërs verkregen met de spiegel, waren van een heel andere orde! Vele voorspellingen die Kelley maakte met behulp van de kristalgeesten, bleken vals te zijn. Praktische vragen werden beantwoord met banaliteiten. Maar de voorspellende visioenen die Kelley zag in de zwarte spiegel, maakten doctor Dee al meteen duidelijk dat ze ditmaal een veel betrouwbaarder instrument in handen hadden...
Zo noteerde Dee in 1583 zeer gedetailleerd de onthoofding van een rijzige, mooie vrouw door een zwarte man. Daarop aansluitend kreeg Kelley een waarschuwing door voor een aanval over zee door een buitenlandse macht. Kelley had een visioen waarin de zee met schepen bezaaid leek en de engel Uriël, die hen de spiegel had overhandigd maar tegelijk ook in de spiegel leek te wonen, verklaarde dat de veiligheid van Engeland door een grote vloot werd bedreigd.
Maria Stuart, koningin van Schotland, werd in 1587 terechtgesteld op de wijze zoals door Dee werd beschreven. En de Spaanse Onoverwinnelijke Armada zeilde in 1588 richting Engeland, met de bedoeling daar troepen aan land te zetten. Maar zover is het nooit gekomen...
Nu kan men zich inbeelden dat de verscheidene hooggeplaatste contactpersonen van doctor Dee er weinig voor voelden topgeheime informatie door te spelen, als zij daarmee het risico liepen hun hoofd te verliezen. Gesteld dat de plannen voor een invasie van Engeland reeds enkele jaren voor het uitzeilen van de Armada bkend waren aan een kleine groep Spaanse edelen, dan zou het onmiddellijk duidelijk zijn dat er zich een lek bevond in deze beperkte kring, indien Engeland plotseling en hals over kop aan zijn vloot begon te werken. Als een magiër met de reputatie van doctor Dee evenwel in een visioen 'een zee, bezaaid met schepen' zag, zou men in die van bijgeloof stijf staande zestiende eeuw niet meteen denken aan een verrader. Men zou integendeel denken aan informatie, verkegen met behulp van duivelse occulte praktijken. Op die manier bleef doctor Dee dus, onder een magisch mom, inderdaad bedrijvig als spion.
Anderzijds was doctor Dee ook een écht geleerde, een man van de wetenschap en - als kind van zijn tijd - een verstokt en overtuigd magiër. Wendde hij zijn magische praktijken wel eens aan als dekmantel voor bepaalde politieke doeleinden, dan was het ontegensprekelijk óók zo dat hij al gauw een methode had ontdekt in de klaarblijkelijke waanzin die zijn ziener Kelley in zijn macht kreeg, zodra hij in de duistere diepten van de zwarte spiegel keek, die een onaards soort licht leek te weerkaatsen.
Het hypnotische effect van kristalkijken is bekend en Kelley werd nu, starend in de zwarte spiegel, bezocht door steeds woestere hallucinaties, waarin zijn lage begeerten en instincten een belangrijke rol speelden. Hij werd als het ware meegesleurd door driften waarvan hij zich niet bewust was, maar die levensecht werden geprojecteerd in het zwarte antraciet. Dee van zijn kant, dorstend naar kennis, trachtte de fenomenen te begrijpen die zich voor zijn verbijsterde ogen afspeelden en ontdekte de rode draad die door al hun experimenten liep.
Er huisden namelijk niet alleen geesten ín de zwarte spiegel, zoals de Engel van het Licht, met wie een ziener in contact kon treden, die door deze ziener buiten de spiegel konden worden gebracht en van wie de stem, al of niet door de mond van de ziener, kon worden gehoord. De zwarte spiegel en de geesten van de spiegel hadden ook een duidelijk effect op de menselijke géést van de gespecialiseerde ziener en in mindere mate van al wie in de spiegel keek.
De spiegel liet de geest van Kelley als het ware uit zijn lichaam treden, en terwijl dit lichaam slap en levenloos op de grond viel, hield de spiegel deze menselijke geest even vast en vervulde hem van de onmenselijke en de bovenmenselijke geesten die de spiegel bewoonden. En daarna liet de spiegel de menselijke geest weer in zijn lichaam terugtreden en verklaren wat hij daar in de spiegel had waargenomen.

Johannes Dierickx moest deze laatste passage zeer interessant gevonden hebben, want hij had ze met een dikke lijn onderstreept en drie uitroeptekens achter de laatste zin gezet...

Terwijl doctor Dee bleef doorgaan met de experimenten, verwaarloosde hij zijn andere werk, zodat hij al gauw geplaagd werd door financiële problemen... Zijn gierige beschermvrouwe, koningin Elizabeth, was van oordeel dat hij die best zélf kon oplossen, aangezien hij toch een alchemist was. Maar de techniek waarmee lood in goud kon worden omgezet, had John Dee nog niet ontdekt.
De spiegelgeesten werden ernstig ondervraagd over deze zaak.
'Kunt u mij soms honderd pond lenen voor een paar weken?' vroeg een wanhopige doctor Dee op een goede dag aan een vrouwelijke en allerminst engelachtige spiegelgeest die zich Madimi noemde.
Maar Madimi bleek al haar geld in een vorig leven al 'door deuren en vensters' te hebben geworpen, en toen Kelley het van Dee overnam, braakte ze een hoop verwensingen uit aan het adres van die kerel zonder oren die maar al te graag onder haar rokken zou loeren.
Uriël weigerde de beide magiërs ook al behulpzaam te zijn. 'Zilver en goud geef ik niet,' zei het engelachtige wezen. 'Mijn zegen is veel meer waard dan het slijk der aarde.'
Dee probeerde de Poolse prins Alasco, die op dat moment aan het hof verbleef, nu als geldschieter in te schakelen voor een aantal alchemistische experimenten, waartoe hij met behulp van de spiegel wilde overgaan. Dee deed daarvoor een beroep op de ijdelheid en de ambitie van prins Alasco. Volgens de spiegelgeest Galvah was de prins, die ook kortweg 'Laski' werd genoemd, ongetwijfeld de toekomstige koning van Polen. De rest van de wereld zou hij eveneens zegenen met zijn weldaden. Maar hoe kon Laski dat doen, als hij niet in het bezit was van een onuitputtelijke bron van goud? Dee nodigde Laski uit bij hem thuis en liet Galvah zijn voorspelling en zijn vraag herhalen.
Laski zag wel iets in een onuitputtelijke bron van goud waarmee hij de mensheid kon zegenen en die tot zijn beschikking zou komen te staan, als hij bereid was de experimenten met de spiegel te bekostigen. Jammer genoeg werd hij dringend terug in Polen verwacht. Prins Laski liet een som geld achter die de doctor, zijn vrouw Jane, zijn zoon Arthur en Kelley en diens vrouw in staat moest stellen hem achterna te reizen naar Polen, waar ze zich dan verder over het antwoord op deze vraag konden buigen. Dee nam zijn zwarte spiegel en een aantal boeken mee, Kelley zijn poedertjes en zijn alchemistische handleiding die tot op dat ogenblik nog van geen enkel nut waren geweest.
Nog voordat het gezelschap de uitgestrekte landgoederen van Laski bereikte, onderging de relatie tussen Dee en Kelley een eerste ernstige crisis. In mei 1584 bevonden ze zich in Krakau, toen de spiegelgeesten aan Kelley lieten weten dat hij alle meegebrachte boeken en geschriften diende te verbranden. Het is niet duidelijk hoe Dee hierop reageerde. Verscheidene andere beroemde én beruchte magiërs hadden op een bepaald ogenblik ook een dergelijke opdracht uit hogere sferen gekregen en hadden hun toverboeken vervolgens eigenhandig vernietigd: Salomon, Simon Magus, Roger Bacon,... Telkens was er daarbij sprake geweest van een geestelijke crisis, een mysterieuze noodzaak, een zekere bedreiging.
Naarmate zij het landgoed van Laski naderden, begon de spiegelgeest Galvah ook steeds wisselvalliger te denken over de aanvankelijk zo rooskleurige toekomst van de Poolse prins. In plaats van koning van Polen en weldoener van de rest van de wereld, zag Galvah de prins nu 'vernietigd' worden, net zoals Dee en zijn 'miserabele bedelarij' trouwens. De boze spiegelgeesten begonnen er bij Dee steeds harder op aan te dringen dat hij zijn goddeloze en godslasterlijke boeken zou vernietigen, maar Dee zwichtte niet voor hun dreigementen en probeerde hen verder over van alles en nog wat te ondervragen.
Alle documenten zwijgen over de gebeurtenissen tussen september 1585 en eind april 1586. Vermoedelijk was Kelley verantwoordelijk voor de rituele verbranding van Dee's boeken op tien april, want nergens bevestigt de doctor dat hij erbij aanwezig was. Blijkbaar was Kelley té bang geworden voor de geesten. Op dertig april werden drie van Dee's boeken hem echter teruggegeven, op wat hij 'een miraculeuze manier' noemt, maar waar hij voor de rest erg vaag over blijft. Later zou Kelley de doctor nog andere geschriften bezorgen, die - zo beweerde hij - eveneens 'ongeschonden uit het vuur' waren gekomen.
De beide magiërs lieten prins Laski voor wat hij was, en nog voor ze zijn kasteel bereikt hadden, maakten ze rechtsomkeert en trokken ze naar Praag. Daar wilden ze keizer Rudolf II spreken. Rudolf had echter een boodschap ontvangen, eveneens 'afkomstig van geesten'. Wat die hem precies hadden meegedeeld, kan niemand zeggen. Maar het moet wel een voor Dee erg onprettige boodschap geweest zijn, want toen hij aan het hof arriveerde, werd hem prompt de deur gewezen.

Ondertussen hadden de ondervragingen van de spiegelgeesten tot een nieuwe ontdekking geleid. Via cijfers en vierkanten die de geesten in de spiegel deden verschijnen en die konden herleid worden tot letters en woorden, waren ze begonnen met het ontsluieren van de geheimen van het wonderbaarlijke zwarte ei waarin zij woonden. Dee noteerde, in code, hun verklaringen over het leven in de spiegel, de manier waarop zij in en uit de spiegel traden en de effecten op de menselijke geest. De spiegelgeesten hadden hierop aangedrongen, om hun geheimen te beschermen.
Het bewuste boek begon aldus:

Logaeth seg lovi brtnc
Larzed dox ner habzilb adnor
doncha Larb vors hirobra
exi vr zednip taiip chimvane
chermach lendix nor zandox


'In deze woorden liggen de Mysteries van Onze Schepping besloten,' verklaarden de geesten van de zwarte spiegel, 'evenals de Eeuwigheid en het Einde van Onze Wereld.'
Volgens Kelley doemden er bij deze experimenten niet alleen cijfers en vierkanten op, die letters en woorden moesten vormen, maar ook draken en padden. Hij trachtte de experimenten dan ook voortdurend te stoppen, maar de beelden bléven doorkomen.
Volgens doctor John Dee bevatte dit boek in code, dat hij 'Logaeth' titelde, alle kennis die ooit tot uitdrukking was gebracht of zou komen door menselijke én bovenmenselijke geesten.
Kelley begon een steeds chaotischer gedrag te vertonen, weigerde vervolgens categoriek de experimenten verder te zetten en ging ten slotte aan de haal. Dee's vrouw Jane en daarna zijn achtjarig zoontje Arthur namen zijn plaats voor de magische spiegel in, maar de volkomen uit het lood geslagen echtgenote en zoon van de goede doctor zagen enkele een stuk of wat vierhoeken, punten en cijfers zonder enige samenhang. Arthur zag zelfs voornamelijk mannen met kronen en leeuwen. En de doctor nam ook al geen symbolen waar die hij op de bekende manier kon omzetten tot letters en woorden.
Kelley keerde terug en de vrouwelijke geest Madimi vertoonde zich nu schaamteloos naakt aan hem en beval de beide magiërs onderling te ruilen van vrouw. Zowel de vrouwen als de magiërs zelf protesteerden heftig, maar gaven uiteindelijk toe, om de experimenten te kunnen voortzetten.
Velen hebben deze gang van zaken bestempeld als een truuk van Kelley om mevrouw Dee, Jane Fromond, in zijn bed te krijgen. Nog voor het zo ver kon komen, begon Kelley echter weer 'in tongen te spreken'. Hij wrong zich daarbij in allerlei bochten om zowel aan de toorn van God, als aan die van de geesten, de vrouwen en de goede doctor te ontsnappen, omdat zij hem zonder uitzondering ervan beschuldigden de laatste boodschap van Madimi zélf te hebben verzonnen. Over wat er uiteindelijk gebeurd is tussen de beide magiërs en hun vrouwen, blijven alle bekende geschriften duister.
In de herfst van 1589 keerde Dee met zijn gezin terug naar Engeland. Kelley zou hem achterna komen. Hij had immers eerst nog wat te doen in Antwerpen, niemand schijnt precies te weten waarover dit ging. Kelley van zijn kant hield zijn belofte niet, zodat Dee zich genoodzaakt zag opnieuw naar het continent te reizen en zowat heel West-Europa af te speuren naar zijn onmisbare assistent. Tijdens zijn afwezigheid werd zijn ontschatbare bibliotheek in Mortlake, evenals zijn laboratorium, tot overmaat van ramp nog geplunderd door het gepeupel dat hem 'een gezel van de hellehonden' noemde. Die bijnaam was hem uit van het hof van keizer Rudolf in Praag vooruit gereisd.
Kelley zou later ook opduiken in Praag, waar dezelfde keizer Rudolf hem uiteindelijk toch verzocht een aantal alchemistische experimenten uit te voeren. Toen hij er niet in slaagde lood in goud te veranderen, werd hij gekerkerd en vervolgens alleen vrijgelaten om dit Grote Werk tot een goed einde te brengen. Kelley verloor zijn geduld en vermoordde een cipier. Hij werd opnieuw in de gevangenis geworpen, waaruit hij in 1595, op éénenveertigjarige leeftijd, probeerde te ontsnappen. Hij bond een paar lakens aan elkaar en klom door het raam. De lakens scheurden, hij stortte naar beneden en schijnt de val niet lang overleefd te hebben.
Dee vond geen ziener meer van Kelley's kaliber. Koningin Elizabeth schonk hem af en toe een kleine som geld. Hij schreef een tranerig verslag over zijn triomfen, maar vooral over zijn tegenslagen, en repte met geen woord over de zwarte spiegel.
In het jaar van Kelley's dood bezorgde Elizabeth hem een postje in een school in Manchester. Maar al gauw diende de doctor daar zijn ontslag in en trok hij zich terug in Mortlake, waar hij voortaan aan de kost kwam met het trekken van horoscopen voor jonge paartjes.
Lang geleden werd doctor Dee, 'de gezel van de hellehonden', van de universiteit gegooid omdat hij 'verdoemde geesten' zou hebben opgeroepen. In diezelfde geur van verdorvenheid stierf hij, kort nadat de opvolger van Elizabeth hem om precies dezelfde reden een bescheiden pensioentje had geweigerd.
Wat ook de aard was van de geesten die Kelley voor hem had opgeroepen, zoals eentje had voorspeld, brachten ze hem inderdaad tot de bedelstaf...