21.6.06

De 4 Heemskinderen (uit Vlaams Sprookjesboek, de mooiste legenden, verhalen en sprookjes opnieuw verteld door Vlaamse jeugdauteurs - Lannoo 1999)

Deze vertelling, beste lezer(es), vangt aan op een kille winterse dag in december, ergens in de vroege middeleeuwen, zo rond zestien uur dertig. In die machtige tijd dus, die ook wel eens ‘de duistere middeleeuwen’ wordt genoemd, omdat het toen telkens aardedonker werd op kille winterse dagen in december, zo rond zestien uur dertig[1].
Keizer Karel de Grote regeerde in die dagen roemrijk over onze gewesten en zwaaide zijn scepter af en toe zelfs over de rest van de wereld. Op een keer zwaaide hij zo vervaarlijk met die scepter van hem dat hij een sauspannetje aan scherven stootte, en dat de inhoud het blazoen van heer Aymon van Dendermonde bevlekte. Aangezien heer Aymon een ridder was zonder vrees noch blaam, en ook omdat hij niet over vrouw of wasmachine[2] beschikte, kwam daar uiteraard oorlog van. Een smet op een blazoen, daar werd niet mee gelachen, in die duistere middeleeuwen!
De oorlog tussen heer Aymon van Dendermonde en keizer Karel de Grote duurde vele, vele jaren. Hun ridders en gewone manschappen en ook zijzelf waren immers aan elkaar gewaagd, hadden allen plusminus dezelfde opleiding genoten, bezaten min of meer dezelfde kracht en waren ongeveer even behendig in de edele kunst van het splijten van schedels met de strijdbijl, of het afhakken van ledematen met het blanke zwaard. Het pleit raakte dus maar niet beslecht en na een aantal jaren was de pret er ook volledig af.
‘Heren!’ riep heer Aymon toen uit, van wie de schedel er al behoorlijk gespleten begon uit te zien. ‘Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen!’
Alle krijgsmakkers lieten de wapens zakken, en ze luisterden vol overgave naar de ridder die deze wijze woorden had gesproken. Er viel een eerbiedige stilte.
‘Waarom bekijken jullie me allemaal zo?’ vroeg Aymon, toen hij vond dat die eerbiedige stilte lang genoeg had geduurd. Zijn voorraad wijze woorden was namelijk beperkt en na de vorige uitspraak geheel uitgeput.
Op dat ogenblik redde keizer Karel de Grote – zoals dat wel eens meer gebeurde – de situatie. Hij schreed plechtstatig naar voor en sprak: ‘Heren! Heer Aymon heeft gelijk! Dat kan hier zo niet doorgaan! Laten wij een einde maken aan deze vreselijke oorlog en vrede stichten in mijn rijk! Laat de ledematen van onze ridders en andere trouwe onderdanen niet langer door de lucht zeilen en onze tenten bespatten met het bloed van onze broeders! Voor de zon twee maal is gezakt naar de westelijke einder en voor de haan twee maal drie keer heeft gekraaid – kortom, tegen overmorgen dus – wens ik dat er vrede heerst in mijn rijk, en daarmee basta!’
Zo gezegd, zo gedaan. Want als keizer Karel de Grote plechtstatig naar voor schreed en vervolgens sprak, dan werd er niet tegengeprutteld.
Het vredesbedrag dat na moeizame onderhandelingen tot stand kwam, bepaalde dat heer Aymon de zuster van keizer Karel de Grote tot vrouw mocht nemen, om eindelijk de smet van zijn blazoen te wassen, en aangezien hij nog steeds niet beschikte over een wasmachine.
Zo geschiedde.
Het huwelijk tussen heer Aymon en de zus van keizer Karel de Grote was God bijzonder welgevallig, en Hij schonk Aymon vier flinke zonen: Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard. Die doopte Aymon aldus omdat hij nu eenmaal een grondige hekel had aan namen als ‘Jan’, ‘Piet’, ‘Joris’ of ‘Korneel’.
Hoe dan ook, Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard waren nauwelijks hun wiegje ontgroeid, of zij begonnen zich al zo dapper te gedragen dat Aymon zich verplicht zag hen tot ridder te slaan, omdat hij anders wellicht zelf een pak slaag zou hebben gekregen. Bij die gelegenheid schonk Aymon aan elk van zijn vier zonen ook, nog voor zij hun rijbewijs hadden gehaald, een edel en vurig ros. Reinaud, zijn oudste zoon, kreeg de beste draver uit de stal.
‘Zo’n paard rij jij nog in geen mensenleven dood!’ sprak Aymon fier.
Maar Reinaud sloeg het paard in kwestie met één geweldige vuistslag knock-out en het stortte met behoorlijk gespleten schedel zieltogend ten gronde.
‘Ah nee?’ lachte hij.
In plaats van de ridders van de Dierenbescherming te bellen[3], om zijn oudste zoon een wat beschaafder omgang met dieren bij te brengen, haalde heer Aymon een tweede paard. Ook dit dier werd door Reinaud met één geweldige uppercut naar de eeuwige jachtvelden gemept. Met het derde ros reed hij dan weer zo onstuimig uit dat hij een bocht miste en tegen de eerste de beste boom knalde. Hijzelf hield er een slechts lichtjes gespleten schedel aan over, maar het paard was wel – zoals men dat in het dialect van die dagen uitdrukte – ‘een peird totale’[4].
‘Luister, mijn zoon,’ sprak Aymon toen. ‘Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen, zoniet zullen wij ons bij gebrek aan paarden straks moeten verplaatsen met het openbaar vervoer!’
Dat waren wijze woorden en daar had Reinaud niet van terug. ‘Wat stelt u dan voor, vader?’ informeerde hij gedwee.
‘Beiaard!’ gromde heer Aymon in zijn baard. ‘Jij bent de man om het Ros Beiaard klein te krijgen! Die knol is zo sterk als twee maal vijf paarden[5] en hij is zo vlug als een sperwer[6]. Met zijn ijzeren gebit[7] maalt hij stenen als haver!’
Reinaud had eerbiedig naar de wijze woorden van zijn vader geluisterd, maar nu hield hij het niet langer uit.
‘Dat Ros Beiaard wordt het mijne!’ gilde hij opgewonden.
‘Zo weze het!’ gilde heer Aymon terug. ‘Gord dan je zwaarste slagzwaard om, mijn zoon, om het Ros Beiaard mores leren!’
Er viel opnieuw een eerbiedige stilte.
‘Met uw permissie, pa…’ mompelde Reinaud toen, nadenkend in zijn kruin krabbend. ‘Maar waarom?’
‘Ja, dat weet ik ook niet,’ gromde heer Aymon. ‘Omdat het zo goed klonk, zeker? Het zal de macht van de gewoonte wel zijn, vrees ik. Per slot van rekening word ik ook al een dagje ouder…’

Maar goed, waarde lezer(es), Reinaud trok dus naar het verre slot waar het Ros Beiaard op stal stond. Een bont gevolg van ridders en edelvrouwen begeleidde hem. Het waren allemaal trouwe supporters van Reinaud en ze droegen dan ook zonder uitzondering toeters en bellen mee, en spandoeken waarop allerlei hartversterkende leuzen geschilderd waren[8].
Zodra Reinaud was aangekomen bij de bewuste burcht, beukte hij de poort in.[9] Brullend van ‘olééé! olé! olé! olééé!’ stormde hij vervolgens op het Ros Beiaard af, en hij benaderde het gevreesde paard daarbij vanuit z’n dooie hoek, met de bedoeling het ongezien en bij verrassing te overvallen. Jammer genoeg werd hij verraden door zijn eigen strijdkreet, en het ros vloerde hem dan ook met een simpele hoefslag.
Versuft krabbelde Reinaud overeind. Vlug van besef als hij was, realiseerde hij zich meteen dat zijn tactiek niet helemaal de juiste was. Bij zijn tweede poging om het ros te breidelen en te bestijgen, ging hij bijgevolg frontaal op het paard af, uit volle borst zijn gekende strijdkreet schreeuwend. Ook deze poging mislukte jammerlijk.
U en ik, waarde lezer(es), of zelfs de gemiddelde koene ridder uit die duistere middeleeuwen, zou het hierbij gelaten hebben. Maar Reinaud gaf de moed niet op! Hij wist immers heel goed dat de held in dit soort legenden altijd drié pogingen diende te ondernemen, voordat hij slaagde in zijn opzet!
En ja hoor, bij zijn derde poging, na een langdurige en wisselvallige worsteling, lukte het Reinaud eindelijk het Ros Beiaard te breidelen en te bestijgen.
Reinaud joeg zijn scherpe sporen in de jagende flanken van Beiaard en zo stormden paard en ruiter de stal uit. Daarbij werden een paar supporters vertrappeld, maar een kniesoor die daarom treurde. Nee, kleinzerig waren die duistere middeleeuwers bepaald niet.
Reinaud en zijn ros haalden tijdens hun eerste proefritje samen 100 kilometer per uur in 8 seconden, 9 tienden en 77 honderdsten, waardoor de persoonlijke records van zowel ros als ruiter nog een ietsje scherper werden gesteld, en de schare supporters van Reinaud ver achter hen werden gelaten. Toen hun ‘Olé’s’ aan de einder al fel begonnen te verzwakken, legden Reinaud en zijn ros zich in een bocht en knalden vervolgens tegen een boom, die prompt en vervaarlijk krakend doormidden brak. Zwijmelend gaf Beiaard zich nu voorgoed gewonnen aan Reinaud, en zo reed de koene ridder met zijn dapper ros fier terug naar het slot, waar alleen de hofdichter van heer Aymon was achtergebleven.
‘Het wordt zo stilaan tijd voor één of andere historische uitspraak,’ sprak Reinaud tot hem. ‘Schrijf maar iets op. Een paar gevleugelde woorden heb ik wel verdiend, dacht ik zo.’
De hofdichter dichtte vervolgens de volgende onsterfelijke woorden:

Reinaud vond een paard,
Het was zijn ruiter meer dan waard,
Geen schat op aard was Beiaard waard,
Ja Reinaud vond een paard…

Wie onder u nu dacht dat de oude vete tussen heer Aymon en keizer Karel de Grote, waarmee wij deze vertelling hebben aangevangen, ondertussen al lang was vergeten, wel… die moet ik teleurstellen. Hoewel de zus van keizer Karel het bevlekte blazoen van heer Aymon keurig had gewassen en van alle smetten gereinigd, hoewel er een vredesverdrag en een huwelijk aan te pas waren gekomen, loerden zowel keizer Karel als heer Aymon nog steeds op een kans om hun vijand van weleer een stevige poets te bakken. Het ging zelfs zo ver dat het geschil tussen keizer Karel en heer Aymon werd voortgezet door hun nazaten: Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard – ook wel eens ‘de vier Heemskinderen’ genoemd[10] - aan de ene kant en aan de andere kant Lodewijk, de zoon van Karel.
Zo gebeurde het dat Reinaud op een zonnige dag een testritje deed met zijn ros Beiaard aan het hof van de koningszoon. Daarbij trappelden ze de moestuin tot moes en ploegden ze diepe voren door de met veel zorg aangelegde perkjes. Ze legden zich bovendien in een paar bochten en knalden tegen een stuk of wat bomen, die prompt vervaarlijk krakend doormidden braken.
Niks bijzonders, zult u zeggen, maar toch begon dit onschuldig spelletje danig op de zenuwen van prins Lodewijk te werken. Hij schreed dan ook plechtstatig naar voor en sprak met luide stem: ‘Wie zal dat vergoeden!?’
‘Stuur de rekening maar naar mijn papa!’ wedervoer Reinaud rustig.
‘Geen haar op mijn hoofd dat daaraan denkt! Geef Beiaard aan mij, en we spreken er niet meer over! Okee?’
‘U bent niet goed wijs, zeker? Beiaard is van mij en blijft van mij!’
‘Deze brute weigering kan u de kop kosten, heer Reinaud!’
‘Pas maar op dat ik ù geen kopje kleiner maak, prins Lodewijk!’
Enfin, het ene woord bracht het andere mee, en om een lang verhaal kort te maken: Reinaud en Lodewijk trokken hun zwaard en begonnen zo’n beetje te duelleren op leven en dood, zoals dat gebruikelijk was wanneer een ridder was beledigd door een andere ridder, of omgekeerd.
Reinaud sloeg tijdens het duelleren het hoofd van Lodewijk af. Per ongeluk eigenlijk, want hij had de hebberige Lodewijk alleen de schedel willen klieven - niet te diep, gewoon om hem een lesje te leren. Of als het echt niet anders kon, zou hij hem wel een minder belangrijk lichaamsdeel afgehakt hebben. Maar kijk, daar rolde het hoofd al in het stof en gedane zaken nemen nu eenmaal geen keer. Dus legde Reinaud het hoofd zorgzaam bij de rest van Lodewijks ontzielde lichaam op een eenvoudige boerenkar, die hij vergezeld van een boodschap - om uit te leggen[11] hoe het jammerlijk ongeval was kunnen gebeuren - naar het hof van keizer Karel de Grote stuurde.
Karel ontstak in een afschuwelijke woede toen zijn zoon Lodewijk zo thuiskwam zonder hoofd. Op staande voet rustte hij een troep ridders uit om Reinaud en zijn drie broers op hun beurt het hoofd af te slaan. Zo gruwelijk was zijn woede, dat hij er speciaal op drukte geen genoegen te zullen nemen met het afhakken van een minder belangrijk lichaamsdeel van één van de Vier Heemskinderen.
Het werd een bitsige en bloedige strijd, dat kunt u zich wel voorstellen. De ridders van Keizer Karel de Grote mikten voortdurend naar de hoofden van de Vier Heemskinderen, maar die hadden al gauw begrepen welk lichaamsdeel hier op het spel stond, en zij trokken hun hoofden telkens in zodra zij een slagzwaard hun richting zagen uitkomen. Bijgevolg waren het de hoofden van hun paarden die al meteen na het eerste treffen van hun romp werden gescheiden.
Ritsaard, Writsaard en Adelaard zagen zich nu genoodzaakt bij hun broeder Reinaud achter op het Ros Beiaard te wippen.
‘De overmacht is iets te groot, denk ik!’ zei die. ‘Ik heb zonet 11.235 tegenstanders geteld en wij zijn maar met z’n vieren. In die omstandigheden kunnen we maar beter het zekere voor het onzekere kiezen.’
En met machtige schreden koos het Ros Beiaard het Hazenpad[12] - een drukke verkeersader die naar het zonnige zuiden leidde. Het ros draafde door verscheidene landen, over hoge rotsen en galoppeerde verder nog naar het vreemde land van de verschrikkelijke Moren.
Jarenlang streden de vier Heemskinderen daar tegen allerlei goddeloos gespuis en beschermden ze weduwen en wezen. Waar zij verschenen, was de zege aan hen. Toen zij het strijden en beschermen zo stilaan even beu waren als koude pap, sprak Reinaud tot zijn drie broeders: ‘Drie broeders! Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen!’
‘Wijze woorden!’ knikten die, en er viel een eerbiedige stilte om de draagwijdte van deze boodschap even te laten bezinken. Toen dat was geschied, wendden de Vier Heemskinderen eensgezind de teugel en keerden ze terug naar hun vaderland, naar hun slot in de Ardennen, om er rustig te genieten van de jacht en de visvangst.
Misschien denkt u dat nu het ogenblik is aangebroken om te vertellen dat de Vier Heemskinderen stuk voor stuk een wilde boerendochter vonden en nog lang en gelukkig leefden, daar in hun slot in de Ardennen. Niets is evenwel minder waar! Want het nieuws van de terugkeer van de Vier Heemskinderen kwam de immer wrokkige keizer Karel de Grote ter ore, en hij rustte op staande voet een sterk leger uit om de burcht van de Vier Heemskinderen te belegeren en hen vervolgens het hoofd af te slaan.
Andermaal werd het een bloedige en bitsige strijd, waarbij Reinaud en zijn broers ten slotte moesten zwichten voor de overmacht[13] . Ze stonden net op het punt hun hoofd te verliezen, toen hun moeder – de zuster van de keizer, weet u nog wel – zich aan Karels voeten wierp om genade af te smeken voor haar kroost.
‘Accoord,’ gromde keizer Karel de Grote in zijn baard, ‘op één voorwaarde…Dat zij mij Beiaard geven! En daarmee basta!’
‘Als ik daarmee het hoofd van mijn broeders kan sparen… en ook een beetje dat van mezelf, natuurlijk,’ sprak Reinaud edelmoedig, toen hij over de beslissing van keizer Karel de Grote hoorde, ‘dan weze het maar zo!’
Maar zijn hart brak wel toen hij zijn geliefde Ros Beiaard aan de keizer afstond.
Nog had de wraak van de wrokkige keizer zich hiermee evenwel niet voltrokken… ‘Ik wil het Ros Beiaard persoonlijk en in het gezelschap van ridder Reinaud naar die plek leiden,’ sprak hij, ‘waar de Dender zich donderend in de Schelde stort!’[14]
‘Waarom, heer keizer?’ waagde Reinaud het te vragen.
‘Dààrom, heer Reinaud!’ antwoordde keizer Karel de Grote. ‘En daarmee basta!’
Op de bewuste plek aangekomen, beval keizer Karel de Grote het ros zware stenen en gewichten aan te binden, om het zo voor de ogen van Reinaud tot zinken te brengen. Maar het ros zonk niet, zo lang het Reinaud kon zien… Het kwam steeds weer het water uit gezwommen, naar Reinaud toe. Tot het een laatste keer hartverscheurend hinnikte en – een molensteen om de hals gebonden – voor eeuwig en altijd verzonk in de afgrondelijke diepten van de donkere stroom…

De herinnering aan het fiere Ros Beiaard heeft de eeuwen goed doorstaan. Nog stapt het jaarlijks in een stoet door de straten van Dendermonde, met de Vier Heemskinderen op zijn rug. En die van Dendermonde zingen dan een lied, dat elk hart in deze stad in brand jaagt:

’t Ros Beiaard doet de ronde
In het land van Dendermonde…


Patrick Bernauw
Aalst, 1999

[1] En ook omdat het elektrisch licht nog niet was uitgevonden, natuurlijk.
[2] De wasmachine zou pas enkele eeuwen later uitgevonden worden.
[3] Dit was op de keper beschouwd praktisch onmogelijk voor heer Aymon, aangezien de telefoon pas een slordige tien eeuwen later werd uitgevonden.
[4] Wij kennen deze uitdrukking vandaag de dag nog altijd in licht gewijzigde vorm, wanneer wij met de auto een bocht missen en de wagen door de garagist van dienst ‘een perte totale’ wordt genoemd.
[5] 10 PK, kortom.
[6] Het was een sportief model dat moeiteloos optrok van 0 tot 100 kilometer per uur in 10 seconden.
[7] Het Ros Beiaard bezat inderdaad een vals gebit, sinds het eens opgetrokken was als een ware raket, van 0 tot 100 kilometer per uur in 9 seconden 2 tienden 3 honderdsten, en daarbij uit een bocht was gevlogen en tegen een boom was geknald.
[8] Bijvoorbeeld: ‘Olééé-olé-olé-olééé… we are the champions! We are the champions!’
[9] Want de bel deed het niet.
[10] Niemand wist waarom, maar geef toe: het klonk goed.
[11] De tekst van deze historische brief is bewaard gebleven. Hij luidde aldus: ‘Geachte Heer, Uw zoon Lodewijk heeft zich een beetje verwond bij het spelen. Gelieve contact op te nemen met de agent van uw familiale verzekering. Hoogachtend, Reinaud… u weet wel, van de Vier Heemskinderen.’
[12] Ook bekend als de ‘Route du Soleil’.
[13] 347.987 tegen 4.
[14] Dendermonde dus.

Geen opmerkingen: