14.7.06

Karel de Grote & Co. - Deel 1: Het toernooi van Fronsac (eerder verschenen als "Een lek in de hel")

Karel De Grote & Co. is een vrije bewerking van The Legend of the Crocquemitaine van de negentiende eeuwse auteur Tom Hood, die op zijn beurt het werk van Ernest l’Epine zeer vrij bewerkte.








I.
Waarin de kroniekschrijver van deze gebeurtenissen
een lofzang aanheft ter meerdere eer en glorie
van Karel de Grote.



Karel de Grote was groot. Karel de Grote was héél groot.
Naar de maat van zijn schoenen te oordelen, die door zekere van mijn collega-kroniekschrijvers als uitzonderlijk groot werden geboekstaafd, moet hij meer dan twee meter lang geweest zijn.
En dat is lang. Dat is héél lang.
Karel de Grote had ook grote ogen. En als Karel de Grote zich kwaad maakte, dan leken die grote ogen vuur te spuwen.
Karel de Grote had bruine haren en zijn gezicht, dat een frisse rode kleur bezat, ging grotendeels schuil achter een wilde baard die nooit door enige barbier was gefatsoeneerd.
En die baard, waarde lezer van deze ware kronieken, dat was een lange baard. Dat was een érg lange baard. We weten alleen niet precies hoe lang die baard was, omdat de lengte nooit door een mijn collega-kroniekschrijvers werd opgemeten, en omdat ikzelf mij daar ook nooit aan heb gewaagd.
Maar dit staat vast als een paal boven water: als Karel de Grote honger had, dan had hij ook geweldig grote honger. Dan verorberde hij met gemak een kwart van een schaap, of een hele gans – mét kop en pluimen.
Karel de Grote was zo ongelooflijk sterk, dat het voor hem slechts een kinderspel was met zijn grote blote handen drie hoefijzers tegelijkertijd in een kaarsrechte lijn te plooien.
Ik heb hem eens met een enkele hand en met gestrekte arm een ruiter in volle wapenuitrusting zien optillen. En zijn paard erbij.
Karel de Grote ontstak nooit zomaar in woede. Nee hoor. Als hij ontstak in woede, dan was dat in grote woede. Dan was zijn woede even verschrikkelijk als een stormwind die plots opkomt en alles vernietigt.
Karel de Grote beschikte bovendien over twee eigenschappen die nog zeldzamer zijn dan al deze die mijn collega-kroniekschrijvers en ikzelf reeds hebben opgesomd: als hij sprak, bedoelde hij wat hij zei. En als anderen spraken, nam hij er de tijd voor om dit te overdenken, zodat hij hen volkomen zou begrijpen.
Jaja, Karel de Grote was waarlijk een groot man. Jammer dus dat het grondgebied dat zijn vader hem naliet nu niet bepaald in overeenstemming was met zijn eigen grootheid. En vandaar dat hij voor zichzelf een koninkrijk samenstelde, dat daar beter aan beantwoordde.

Karel de Grote werd geboren in het Jaar Onzes Heren 742. Nog geen dertig jaar oud, was hij al koning geworden en had hij Aquitanië en Lombardije reeds veroverd. Hij ondernam 53 veldtochten en hij vatte de negende eeuw aan met zich door de paus tot keizer van het westen te laten kronen. Zelf kroonde Karel de Grote ook heel graag allerlei vorsten en hertogen.
Op zijn grondgebied beschikte hij niet over één, maar over twee hoofdsteden: Rome en Aken.
Hij vaardigde vele wetten uit, beschermde de godsdienst, verbreidde het evangelie, moedigde de schone kunsten aan en zette orgels in zijn kathedralen, die hij uit Lombardije liet halen[1].
Karel de Grote verzamelde andere grote geesten om zich heen, stimuleerde hun activiteiten, deelde in hun vreugde en verdriet, stichtte scholen en universiteiten en blies zijn laatste adem uit in het Jaar Onzes Heren 841, na een alleenheerschappij die 43 jaar had geduurd en die vooral gekenmerkt werd door glorieuze overwinningen en fabelachtige prestaties.
Hallellujah!




II.
Waarin wij even terugkeren naar een tijd
waarin Karel de Grote nog geen keizer was
en Aquitanië nog moest onderworpen worden.



Na de dood van Pepijn de Korte, in het Jaar Onzes Heren 768, verdeelden zijn beide zonen het koninkrijk dat hij hen nagelaten had.
Karloman, de oudste, pakte Bourgondië, Provence, Septimanië en deed er toen ook maar het grootste deel van Neustrië bij. Karel, de jongste, moest zich tevreden stellen met het kleinste deel van Neustrië, met Beieren en Thuringen.
De beide broers verdeelden ook Aquitanië onder elkaar, maar met Aquitanië stelde er zich een ernstig probleem. Om allerlei ondoor-grondelijke redenen liepen de hertogen die daar woonden namelijk niet zo hoog op met Pepijn de Korte en zijn zonen.
Pepijn de Korte had in zijn tijd nog een stuk of wat van die hertogen naar een klooster verbannen, en zodra een van hen – een zekere Hunald – hoorde dat Karel en Karloman hun respectievelijke tronen hadden bestegen, ontvluchtte hij het klooster, nam de wapens op en riep de onafhankelijkheid van Aquitanië uit.
Een opstand als deze was voor de pasgekroonde koningen een goede reden om zich even bezorgd achter het oor te krabben. Karel, die toen nog niet de Grote werd genoemd, riep meteen een rijksdag bijeen en nodigde zijn broer Karloman uit daar eveneens te verschijnen.
Samen met hun geestelijke en wereldlijke raadsheren bogen de beide koningen zich over de vraag wat zij nu hoorden te doen. Ze werden het erover eens dat ze ten strijde moesten trekken, om de opstand met harde hand neer te slaan.
Waar ze het niet over eens werden, dat was de kwestie hoe ze Aquitanië zouden verdelen, zodra de opstand met harde hand was neergeslagen. De kroniekschrijvers van Karel laten er geen twijfel over bestaan dat zijn broer Karloman, in tegenstelling tot hun werkgever, een zeer slecht karakter bezat. Er bestond dus een vrij grote kans dat Karel en Karloman met elkaar op de vuist zouden gaan, nog voor de opstand in Aquitanië met harde hand was neergeslagen.
Bijgevolg namen Karel en Karloman, bijgestaan door hun geestelijke en wereldlijke raadsheren, een wijs besluit.
‘Laten wij, elk voor zich, een strootje trekken uit een onschuldige, gesloten hand,’ stelde Karel voor.
‘En wie aan het kortste eind trekt, mag Aquitanië onder de voet lopen,’ knikte Karloman somber.
Het was Karloman die aan het kortste eind trok en het was Karel die – uiteraard vergezeld door zijn soldaten – Aquitanië onder de voet liep. Hij stootte daarbij niet op enige tegenstand die hier het vermelden waard is, ook al omdat hertog Hunald – de onruststoker met wie de ellende allemaal begonnen was – het zekere voor het onzekere had genomen en het hazenpad had gekozen.
Hunald zocht een schuilplaats bij zijn neef, de hertog van Gascogne, die Wolf genoemd werd. Hij deed een beroep op de gastvrijheid van deze Wolf en...
Ah… Wolf!
Waarlijk, waarde lezer van deze ware kronieken, Wolf van Gascogne had zijn naam niet gestolen[2]! Wij zullen op deze bladzijden nog behoorlijk wat passages wijden aan het dierlijke, ja behoorlijk beestachtige kwade karakter van deze Wolf van Gascogne!
Dag en nacht kleedde hij zich uitsluitend in hetzelfde, met zilver ingelegde harnas van bruinachtig staal, waarvan hij beweerde dat hij het in Spanje van de Saracenen had gekocht. Waarschijnlijker was dat hij de vorige eigenaar eenvoudig en koudweg de keel had afgesneden.
In vredestijd was Wolf van Gascogne nog een stuk gevaarlijker dan in tijden van oorlog. Zijn favoriete wapen was dan ook de galg. Hij werd minder gevreesd door zijn vijanden dan door zijn onderdanen, en liever sloeg hij een man met zijn vuisten neer dan dat hij ‘dank u’ zou zeggen.
Wolf van Gascogne was berucht om zijn vindingrijkheid op het gebied van folterpraktijken. Zo schijnt hij de uitvinder geweest te zijn van de methode waarbij men zijn slachtoffer in pas gevilde stierenhuiden laat naaien, die men vervolgens in de zon te drogen legt, zodat de krimpende huid de beenderen vermorzelt.
Nooit had iemand Wolf van Gascogne echt kwaad gezien. Hij pleegde zijn wreedheden in koelen bloede, want de geur van bloed beviel hem beter dan die van wierook.
Maar goed, zodra koning Karel had ontdekt waar zijn vijand een toevlucht had gezocht, zond hij enkele van zijn ridders naar deze Wolf van Gascogne, met de boodschap hertog Hunald aan hem uit te leveren.
‘Als Wolf weigert, zal Karel zijn hertogdom Gascogne binnen vallen en alles wat daar in de loop der tijd met bloed, zweet en tranen uit de grond werd gestampt weer met de grond gelijk maken,’ voegden zij daar nog uit eigen beweging aan toe.
Omdat het reizen in die dagen niet zo veilig, vlug en voordelig was als tegenwoordig en Karel er rekening mee hield dat hij wel een paar maanden op het antwoord zou moeten wachten, sloeg hij zijn tenten op aan de rand van een woud.
Daar liet hij, op een vijftal mijlen van Bordeaux, om het wachten te korten en zijn troepen iets om handen te geven, een sterk fort bouwen dat Fronsac werd genoemd – wat zoveel betekent als: ‘het fort van de Franken’.
Men was nog maar net klaar met de bouw van Fronsac, toen Karels afgezanten terugkeerden, in het gezelschap van Wolf van Gascogne en zijn neef Hunald, vergezeld van zijn voltallige familie.
‘Als een teken van mijn eeuwigdurende aanhankelijkheid,’ sprak Wolf van Gascogne toen, ‘lever ik hierbij mijn neef Hunald en zijn voltallige familie over aan de genade van de doorluchtige koning Karel.’
En vrolijk, zelfs zonder te verpinken, voegde hij de daad bij het woord.
En dat betekende niet alleen het einde van hertog Hunald en zijn voltallige familie, maar ook van de opstand in Aquitanië.




III.
Waarin wij kennis maken met enige paladijnen
van koning Karel,
met Roland en vooral ook met Aude.




‘Ik vind dat wij de gelukkige afloop van deze oorlog maar eens moeten vieren,’ sprak Karel toen, ‘door het organiseren van enige toernooien en steekspelen! En als dat geen goed nieuws is, weet ik het ook niet meer!’
Her en der, wijd en zijd stuurde Karel zijn herauten uit om deze blijde boodschap te verkondigen, en het duurde niet lang of uit alle provincies van zijn koninkrijk begonnen de ridders toe te stromen.
Sommigen kwamen om hun heldhaftigheid te tonen, of om hun kracht en vaardigheid te oefenen. Maar het moet gezegd en in deze ware kronieken opgetekend worden: er kwamen ook ridders op die toernooien af, als vliegen op een verse koeienvlaai, die slechts belust waren op de buit van de tegenstanders die zij zouden overwinnen.
De plaats die Karel voor het toernooi had uitgekozen, was een uitgestrekt terrein, bedekt met mals groen gras en gelegen aan de rand van een wel vijfhonderd jaar oud eikenbos. Een heuvelrij vormde daar een halve cirkel, met in het midden een versterkte kampplaats voor de kemphanen.
Twee toegangen leidden naar het strijdperk, een aan de noordelijke en een aan de zuidelijke kant. Ze waren allebei breed genoeg om zes naast elkaar rijdende ridders door te laten. Twee herauten en zes onderherauten hielden toezicht op de doorgangen.
Groepjes soldaten moesten de orde handhaven, wat geen simpele taak was, want zowat al het volk uit de wijde omgeving had zich naar het strijdperk gespoed. Deze lui naar behoren in toom houden was een opdracht die heel wat geduld en mensenkennis vereiste, temeer omdat zij behoorden tot een volk dat net overwonnen was. Het regende dan ook stokslagen.
Twaalf schitterende tenten waren gereserveerd voor de twaalf beste kemphanen van Frankrijk. Zij werden de paladijnen van Karel de Grote genoemd. Vanen met hun kleuren en die van hun geliefden wapperden in de wind. Het schild van iedere ridder hing, onder bewaking van een schildknaap, voor zijn tent.
Wat verder weg boden eenvoudiger tenten onderdak aan talloze ridders die iets minder beroemd waren. Zij vormden een soort stad, waarvan de buitenwijken bestonden uit stallen en onderkomens voor wapen- en hoefsmeden, geneesheren en ambachtslui.
De kooplui waren vrijgesteld van tolgelden, vandaar dat er ook joden gekomen waren om hun Venetiaanse bokalen aan de man en hun oosterse parfums aan de vrouw te brengen. En de Bretoenen waren er met hun honing, de Provençalen met hun glasheldere olijfolie. En tussen al die goederen zwierven jongleurs, troubadours, minnestrelen en het slag volk dat het best van de tongriem gesneden is als hun beurs leeg is.
Aan de rand van het woud stond een nog weelderiger tent dan de reeds genoemde, een bijzonder grote tent ook. Het was de tent van koning Karel, die men later de Grote zou noemen, maar die toen al behoorlijk groot was. Het doek was goud gekleurd, het was bezaaid met gouden adelaars en voorzien van paarse strepen.
In en uit die tent kwamen en gingen ridders, schildknapen, lakeien en pages. Ze krioelden als bijen rond hun koningin, die in dit geval dus een koning was.
Aan de ene kant van de tent, naar het bos toe, waren zetels geplaatst voor de toeschouwers van aanzien die werden verwacht. Ieder uur kwamen er van dat soort lui met drommen tegelijk aan, belust als ze waren op het spektakel, maar ook nieuwsgierig naar deze Karel van wie de naam reeds in heel Europa weerklank begon te krijgen.
De koninklijke loge, die uiteraard een heel stuk fraaier was dan de andere, bevond zich op enige afstand van de tent. En halverwege het strijdperk en het woud, overschaduwd door een geweldig ijzeren kruis, stond een kapel waarin de minzame bisschop Turpijn iedere morgen een mis opdroeg.
Eindelijk brak dan de dag van het toernooi aan. En ik kan u verzekeren, waarde lezer van deze ware kronieken, zelfs indien u al een massa steekspelen hebt gezien, dan zal er vast geen enkel zo uitgemunt hebben in pracht en in luister als dit toernooi van Fronsac!
Als pruimenbomen in de zomer gingen de knoestige eiken gebukt onder de last van nieuwsgierige toeschouwers die in hun kruin een uitkijkpost hadden gezocht. Toen deed trompetgeschal de lucht trillen en reed koning Karel aan het hoofd van een stoet van talloze edellieden, ridders en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, allen op hun schitterendst uitgedost, de arena binnen.
Het enthousiasme was ongehoord en dat mocht ook wel, want al hadden al die ontelbare toeschouwers hun leven zeven maal mogen overdoen, dan nog zouden zij nooit opnieuw een dergelijk schouwspel kunnen aanschouwen.
‘Montjoie!’ weergalmde het van alle kanten. ‘Montjoie!’
En koning Karel, die in zijn latere keizerlijke jaren een voorliefde voor de grootste eenvoud aan de dag zou leggen, had voor deze gelegenheid de mooiste stukken uit zijn garderobe aangetrokken.
Zijn hemd, van het fijnste linnen, was aan de zoom bestikt met gouddraad.
Zijn mantel was van zijde, afgezet met goud en bezaaid met edelstenen – smaragden, robijnen, topazen, noem maar op - die zo hard schitterden dat ze de ogen van de toeschouwers verblindden.
Zijn armstukken en zijn gordel waren uiterst fraai gegraveerd en de zak met aalmoezen die aan zijn zijde bengelde, was met voldoende parels en juwelen overdekt om de toeschouwers te doen knipperen met ogen die ondertussen nochtans volkomen verblind waren.
Op zijn voorhoofd droeg hij een fonkelende diadeem en zijn gestalte straalde van een zodanige ongewone pracht, dat ze moeiteloos de aanzienlijkste hertogen, graven en baronnen in majesteit overtrof. Zelfs zijn paard, eveneens met goud en kostbare kleren behangen, leek trots op zijn ruiter.
Zijn gade, koningin Himiltrude, naderde nu te midden van haar hofdames. Haar hals had een zachtroze tint, haar lokken waren om haar slapen gebonden met gouden linten en haar kleed werd opgehouden door robijnen gespen.
Haar kroon en haar purperen gewaden verleenden de koningin een ongeëvenaarde koninklijkheid. Ze was dan ook een waardige gemalin van Karel.
Achter haar kwam Aude, de nicht van Gerard van Wenen en de zus van Olivier de Dappere.
En o… Aude!
Woorden schieten te kort om haar schoonheid en haar gratie te bezingen!
Aude droeg een lichte kroon, bezet met gekleurde edelstenen. Ze had blonde haren en haar ogen waren zo blauw als de zee van het zuiden. Haar huid had een zalmroze kleur, als het hart van een blanke roos, en haar handen waren wonderlijk klein.
Telkens zij voorbij ridder Roland kwam, verbleekte ze even. Was zij minder mooi geweest, ik had u meer over haar toilet verteld, maar dat kan ik nu niet doen, omdat geen van mijn collega-kroniekschrijvers die erbij aanwezig waren daar nog oog voor had.
De mooie Aude werd vergezeld door haar zuster Mita. Zij was even blond, maar haar huid was door de Spaanse zon waaronder zij was opgegroeid iets donkerder gekleurd. Mita had zwart gloeiende ogen, volle lippen en een fijnbesneden neus. Haar keurslijfje was bezet met pareltjes, zodat de mensen haar de bijnaam ‘het parelriddertje’ gaven.
Aude en haar zus werden gevolgd door een wolk wondermooie jonkvrouwen, maar zo goed als niemand nam nog de moeite die te bekijken. Want daar waren de baronnen en de paladijnen van koning Karel al verschenen, in een gerinkel van goud, ijzer en staal… en elk van de machtige zwaarden die zij droegen was meer waard dan tien gewone ridders, ja zonder overdrijven zelfs meer dan honderd!
Lange jaren heb ik vruchteloos gezocht naar een verklaring voor de behendigheid van deze mannen, onder het gewicht van hun wapenrusting. Ik heb ossen gezien die niet in staat waren een poot te verzetten met een van hen op de rug!
Hun helmen alleen al wogen om en bij de honderd pond. Zwaarden die gewone stervelingen als u en ik nauwelijks van de grond kunnen krijgen, waren als speeltuig in hun handen.
Als laatste in die glorierijke rij verscheen Roland, de graaf van Mans. Hij was de zoon van hertog Milo en Berthrade, de zuster van Karel. Wie niet goed oplette, zou hem voor een standbeeld van ijzer en marmer gehouden hebben. Zijn rechterhand zwaaide met een speer, die voordien nog als scheepsmast dienst had gedaan. Zijn linkerhand rustte op zijn trouwe zwaard Durandal.
Waarlijk, hij viel met niemand anders te vergelijken dan met de aartsengel Michael. Ook Roland had een tegelijk vriendelijk en verschrikkelijk voorkomen. Als u hem daar had gezien, zou u zich ook afgevraagd hebben of u hem aardig moest vinden, of bang moest zijn voor hem.
Zo majesteitelijk en vreesaanjagend was Roland, dat u zich straks allerminst hoeft te verbazen over de wonderbaarlijke prestaties die ik op deze bladzijden nog voor u wil beschrijven. Je behoort nu eenmaal tot een bovenmenselijk ras of niet, en in het eerste geval hoeft men er dan ook niet van staan te kijken als een held van dat kaliber een ster uit de hemel plukt of een komeet bij de baard pakt.
Hij was zelfs bijna even groot als koning Karel, deze Roland. Zijn open blik dwong bij eenieder respect af en boezemde vertrouwen in. Als Roland u de hand zou gedrukt hebben, dan zou u – gesteld dat u een gewone sterveling was – zich dadelijk een hele kerel gevonden hebben. En was u een gewone stervelinge, dan zou u wellicht hevig gaan blozen zijn, om vervolgens ter plaatse te bezwijmen.
Roland reed op Veillantif, het enige paard ter wereld dat een dergelijke ruiter waardig was, en niet ver van hem vandaan bevond zich Olivier de Dappere, een broer van de mooie Aude. In kracht, behendigheid en voorkomen deed hij slechts een klein beetje onder voor Roland.
Ten slotte waren er nog Miton van Rennes, de boezemvriend van Roland, en Bernard, de oom van Karel, Willem van Oranje met de kleine neus (bij het horen van wiens naam alle booswichten beefden van angst) en een duizendtal anderen die ik hier niet zal vermelden.
Behalve Turpijn dan misschien, de goede bisschop van Reims, die in een vergadering even spits kon zijn als hij vroom was in een kathedraal en dapper op het slagveld. Zijn rozenkrans hing naast zijn knots, waarvan het handvat een kostbare relikwie bevatte – een botje van een heilige van wie ik de naam vergeten ben. Turpijn droeg geen zwaard, omdat zijn geloof hem verbood het zwaard te hanteren. Maar zijn knots woog wel honderdtwintig pond.
En o ja, Wolf van Gascogne mag in deze opsomming ook niet ontbreken. Hij die zijn gast en diens voltallige familie uitleverde aan koning Karel en die in verraderlijkheid niet moest onderdoen voor graaf Ganelon van Mainz! Hoezeer zult u tegen de tijd dat u aan het eind van deze kronieken bent gekomen dit stel nog gaan haten, waarde lezer!
Want ja, nu ik eraan denk: Ganelon was eveneens van de partij. Deze dwarse woesteling was slechts een meter negentig en hij had graag gezien dat allen die langer waren dan hij, zelfs al was het maar een haarbreedte, ook een meter negentig waren. Onder zijn ruige lokken vandaan loerden zijn ogen als die van een hond naar de wijde wereld.
Goud interesseerde Ganelon alleen maar om op te potten, een schamele manier van leven droeg zijn voorkeur weg. U zou kortom, waarde lezer, in hem eerder een van Attila’s Hunnen herkend hebben dan een paladijn aan koning Karels hof.
Ganelon kon het niet hebben dat Roland hem bij verscheidene gelegenheden een dienst had bewezen. De superioriteit van Karels neef maakte hem blind van jaloezie. Hij vond het nu eenmaal onprettig en erg moeilijk dankbaar te zijn.
En nu wij toch wat dieper zijn ingegaan op de beklagenswaardige figuur van de graaf van Mainz, is wellicht ook het ogenblik aangebroken om nog wat langer stil te staan bij de grieven die Ganelon koesterde ten opzichte van Roland…



IV.
Waarin graaf Ganelon van Mainz
bijna samen met twee biggen wordt gerookt
en wat er verder nog zoal gebeurde.



De burcht van Ganelon stond op de hoogste piek van het Hartzgebergte, en die werd de Blocksberg genoemd. Daar, in het midden van een onmetelijk woud, bevond zich het nest van deze aasgier.
Er was maar één weg die door het woud naar de Blocksberg leidde, en Ganelon zorgde er graag voor dat het pad altijd in goede staat verkeerde. Dat maakte het beroven van eenzame reizigers alvast een stuk makkelijker.
Graaf Ganelon had de grofste schurken uit zowel de beschaafde als de onbeschaafde landen om zich heen verzameld. Saksers, Denen, Lombarden, joden en Saracenen hielpen hem bij het behartigen van de belangen van de Boze.
Op een morgen riep hij hen samen en sprak: ‘Ik heb goed nieuws voor jullie. We hebben de kans om een leuke grap uit te halen met wat Saksische kooplui. Ik heb zopas bericht gekregen dat een karavaan, bestaande uit dertig muilezels beladen met schatten en slechts begeleid door een handjevol soldaten, vanmorgen door de Hartz zal trekken om naar de jaarmarkt in St. Denis te gaan.’
Ganelon en zijn verzamelde schurken stelden zich verdekt op aan de rand van het woud en al gauw zagen ze in de verte, boven de weg, een dichte stofwolk.
‘Daar heb je ze!’ riepen de schurken. ‘Laten we ze verdere moeite besparen!’
En met het zwaard in de hand renden zij op de stofwolk af, daarbij zelf een stevige stofwolk veroorzakend.
Toen de beide zandstormen elkaar hadden bereikt, hoorde Ganelon boven het tumult uit een stem, die sprak met een onmiskenbare Saksische tongval: ‘Hé! Wat doen jullie nou!? Pas toch op met de beesten!’
Ganelon en zijn schurken hadden zich namelijk op een troep vetgemeste varkens gestort.
De verrassing van de aanvallers was zo groot, dat de varkenshoeders de tijd kregen zich te verzamelen en hun lange slagersmessen te trekken.
Even wist Ganelon niet wat te doen, en deze aarzeling werd zijn ongeluk. Zijn joodse en Saraceense schurken, voor wie het eten van varkensvlees toch taboe was, vonden het niet de moeite waard zich nog verder in te spannen. Zij namen de benen, en zij namen daarbij ook verscheidene niet zo slimme schurken mee, die dachten dat hun aanvoerder zich in een hinderlaag terugtrok.
Een graaf van Mainz is er evenwel de man niet naar om zuurkool met spek te versmaden, en dus begon Ganelon, bij het zien van die zee van lekkers, zijn lippen te likken. De varkenshoeders van hun kant stormden met z’n allen op de graaf en zijn overblijvende gezellen af en sneden de kniepezen van hun paarden door.
Al gauw rolden de ruiters tussen de varkens over de grond. Wie zich verzette, werd de keel afgesneden. De anderen werden ontwapend en mochten gaan lopen.
‘En Ganelon?’ zult u vragen.
Welnu, zijn handen werden stevig op zijn rug gebonden.
‘Zeg,’ zei de oudste varkenshoeder, ‘voor die lui terugkomen met versterking, lijkt het me verstandig hun aanvoerder maar vast op te knopen. Wat vinden jullie daarvan?’
Iedereen vond het een fijn voorstel, behalve Ganelon dan, die begon te vloeken als een Tempelier[3]. Met zijn in zilver ingelegd harnas en al sleepten ze hem onder een eikenboom, zochten een mooie dikke tak uit die zo’n lekker stuk fruit zeker zou kunnen dragen, en deden een touw om zijn nek. Toen haalden ze er twee biggen bij, die gesneuveld waren in de strijd, en hingen die aan een strop, elk aan een uiteinde van de tak, zodat er een ereplaats open bleef voor de ridder.
Razend van woede, aan handen en voeten gebonden, wrong Ganelon zich in duizend bochten. Het schuim stond op zijn lippen. Hij riep op zijn handlangers en schold hen tegelijk uit voor lafaards. Ondertussen hesen sterke armen hem snel op, tot hij net tussen zijn beide metgezellen hing.
‘Doe zijn vizier omlaag,’ zei de oudste varkenshoeder. ‘In normale omstandigheden is hij al een afzichtelijk monster, hoe moet hij er straks dan wel niet uitzien!’
Ganelon hing daar te spartelen aan zijn touw en vond dat Magere Hein zo stilaan toch wel erg lang op zich liet wachten. Hij had er zelf meer dan genoeg opgehangen om een expert te zijn in dat soort aangelegenheden.
Toen drong het tot hem door dat zijn beulen hem wel opgeknoopt, maar niet gehangen hadden. Ze hadden de strop om de kraag van zijn helm gelegd!
Misschien was alles nog niet verloren, dacht Ganelon. Ik hou me voor dood en het zou gek zijn als de Boze dan niet iemand stuurde om mij te verlossen. En Ganelon hield op met spartelen en het maken van kapriolen die de varkenshoeders zo aan het lachen brachten.
De graaf van Mainz mocht dan nog niet echt dood zijn, zo ver was hij er nu ook niet meer vanaf. Het bloed steeg naar zijn hoofd en liep in zijn ogen. Er kwam een akelig geluid in zijn oren, alsof er een klok begon te luiden. Zijn mond werd droog en zijn lippen klemden zich op elkaar. Met een vloek en een zucht verloor hij het bewustzijn.
De varkenshoeders van hun kant waren niet van plan de beide biggen voor hun vijanden achter te laten, en besloten alles klaar te maken voor consumptie. Ze zetten wachtposten uit, dreven hun kudde bijeen en troffen de nodige voorbereidingen om hun overwinning te vieren.
‘Me dunkt,’ zei de oudste varkenshoeder, ‘dat wij deze gelegenheid niet voorbij mogen laten gaan, om enig licht te werpen op een belangwekkend punt in de culinaire wetenschap. Of zijn jullie niet allemaal, net als ik, nieuwsgierig om erachter te komen wie nu langer moet roken, een edelman of een varken?’
Zij waren daar allemaal even nieuwsgierig naar als de oudste varkenshoeder, en dus legden zij onder de beide biggen en de graaf van Mainz een stapel takken en bladeren, en staken die vervolgens aan. Waarna ze, elkaar de hand reikend, onder het uiten van wilde kreten in het rond begonnen te dansen.
Het was natuurlijk geheel toevallig dat Roland langs deze weg terugkeerde van een missie waarmee koning Karel hem had belast. En het is waar dat hij, in tijden van oorlog, eenieder die hem voor de voeten liep het leven deed laten, maar voor de rest had hij het nooit goed gevonden dat er in zijn aanwezigheid een wreedheid werd bedreven.
Het gelal, het demonische dansen en de afschuwelijke marteling die op de graaf van Mainz werd toegepast, ergerden hem danig en hij reed op de dansers in en dreef ze uiteen met het plat van zijn zwaard. Het scherp reserveerde hij immers voor tegenstanders met wat meer stijl.
Vervolgens reed Roland naar de gehangene. Om het touw door te snijden, moest hij Veillantif een paar tellen in de vlammen laten trappelen, tot de graaf van Mainz log in het vuur tuimelde. Roland steeg van zijn paard, gaf de graaf een fikse trap die hem een vijftigtal passen weg deed rollen, en snelde hem toen ter hulp.
Zijn eerste zorg was het slachtoffer van zijn helm te bevrijden. Toen hij zag wie hij het leven had gered, trok Roland een bedenkelijke grimas. Omdat hij de ridderlijkheid in persoon was, had hij weinig op met dit soort ellendelingen. Maar niettemin stond hij ook klaar om hen te helpen.
Ganelon opende zijn ogen en toen hij zijn redder herkende, wenste hij oprecht dat het Roland niet was geweest.
‘Bent u gewond, graaf van Mainz?’ informeerde Roland. ‘Hoe kan ik u van dienst zijn?’
‘Ik heb geen behoefte aan uw medelijden,’ grauwde Ganelon. ‘Waarom hebt u mij gered? Het was voor mij makkelijker te sterven dan te leven in de wetenschap dat ik dit leven aan u te danken heb!’
‘Ik wil u deze woorden wel vergeven, Ganelon,’ antwoordde Roland. ‘U hebt waarschijnlijk zo een schok gehad, dat u nog niet helemaal bij zinnen bent.’
Hierop ontstak Ganelon in een dusdanige woede, dat hij zijn verlosser te lijf ging en bij de keel greep.
‘Pas op! Zo wordt u straks weer onwel!’ waarschuwde Roland hem nog, terwijl hij hem met een eenvoudige vuistslag van zich af sloeg. ‘U vergeet dat u nog niet helemaal beter bent. Maar wacht, ik zal u het geneesmiddel toedienen waaraan u kennelijk behoefte hebt.’
En hij greep Ganelon bij zijn nekvel en sleepte hem naast zijn paard voort tot in het hartje van het woud, waar hij de graaf van Mainz vastbond aan een boom met het touw dat hem eerder tot strop had gediend.
Daar stond Ganelon nu te schuimbekken van woede, en iedereen zou voor de razernij in zijn ogen teruggeschrokken zijn.
Iedereen, behalve Roland.
Want hij sprak: ‘Komaan graaf, kalmeer eens wat! U ziet toch hoe ik met uw gezondheid begaan ben? Niets leidt zozeer tot vruchtbare overpeinzingen als de eenzaamheid. U zult nu alle tijd hebben om eens rustig na te denken. En als u een verstandig man bent, zult u tegen uzelf zeggen: “Die Roland is toch maar een reuzekerel dat hij me niet de beide benen heeft gebroken.” Uiteindelijk zal het dan tot u doordringen dat een man als ik een man als u alleen maar kan verafscuwen. Bezin u en hou u stil, opdat uw vijanden uw overpeinzingen niet komen verstoren. Ik zal naar uw burcht rijden en iemand sturen om u te helpen. Vergeet echter nooit dat ik altijd bereid zal zijn u met een stoot van mijn lans of een slag van mijn zwaard te vereren, het gevoel van walging ten spijt, dat ik zeker zal hebben wanneer ik met een struikrover de degens moet kruisen.’

De afgrijselijkste gedachten spookten door het toch al afgrijselijke hoofd van Ganelon. Zo afgrijselijk waren die gedachten zelfs, dat geen ganzenveer in staat is ze te beschrijven.
Laat mij dan ook volstaan met hier nog te vermelden dat hij, toen Roland hem alleen gelaten had, zijn hoofd op zijn borst liet zakken en uitbarstte in tranen. En dat die tranen op het gras druppelden, waar een onschuldige rups op zoek naar wat eetbaars ze voor dauwdruppels hield, er even van proefde en prompt een gruwelijke vergiftigingsdood stierf.
Twee uur nadat de varkenshoeders waren verdwenen, keerde Ganelon terug op zijn burcht. Acht uur daarna waren allen, van wie Ganelon dacht dat zij getuige waren geweest van zijn ongeluk, de keel afgesneden.
Zes maanden later zat Ganelon aan het hof van koning Karel met Roland aan dezelfde tafel. Er werd varkensvlees geserveerd, maar de graaf van Mainz weigerde het.
‘Mokt u nu nog steeds?’ vroeg Roland. ‘Dat is toch verkeerd, mijn beste graaf! Wie weet zegt u wel “neen” tegen een broeder in tegenspoed!’
Ganelon werd vuurrood, maar gaf geen antwoord. Na de maaltijd ging Roland naar hem toe.
‘Hebt u de dreigementen soms vergeten die u tegen mij hebt geuit?’ vroeg Roland. ‘En het aanbod dat ik u heb gedaan, op uw eigen grond in de Hartz?’
‘Dat zal ik nooit vergeten,’ knarsetandde de graaf van Mainz.
En dit was dus de oorzaak van de afgrijselijke haat die de schurkachtige Ganelon, graaf van Mainz, koesterde jegens de edele Roland, graaf van Mans.



V.
Waarin wij kennis maken met Angoulaffre
met de Gele Tanden,
gouverneur van Jeruzalem.




Terwijl wij in de buurt van de Blocksberg vertoefden, waarde lezer, heeft koning Karel, gezeten op zijn steigerende ros, aan het hoofd van zijn luisterrijke hofstoet, zijn ronde gemaakt over het strijdperk.
Net was hij bij zijn tent teruggekeerd, of er ging een luid geschreeuw op uit de menigte. Alle ogen richtten zich naar de zuidelijke toegang, vanwaar flarden muziek en wilde kreten werden gehoord.
Karel hield zijn paard in en stuurde een schildknaap uit om te gaan horen wie het waagde de plechtigheid te verstoren.
De schildknaap reed in volle galop weg en keerde in volle galop terug met de volgende boodschap: ‘Sire! Er zijn een aantal ongelovige Moren uit Spanje aangekomen om uw ridders in naam van koning Marsillus, die zijn hof in Saragossa houdt, uit te dagen! En het moet me van het hart, ze zien er verschrikkelijk uit! Het is een hele stoet, met voorop een korps dat helse muziek voortbrengt, de heidenen waardig! Ze vragen door u in audiëntie te worden ontvangen!’
‘Laat ze maar binnen!’ zei Karel, en hij gaf zijn herauten bij de poort teken de Saracenen door te laten.
Vervolgens wendde hij zich tot zijn paladijn en sprak: ‘Wat een kans! Wat een kans krijgen jullie om je krachten te meten met die Spaanse honden, in afwachting van het ogenblik waarop we hen in Saragossa een bezoek kunnen brengen!’
‘Zijn ze dan zo schaamteloos geworden dat zij een christen recht in de ogen durven te kijken?’ merkte Miton van Rennes op. ‘En de grond heeft nog nauwelijks de tijd gehad om het bloed op te slorpen, dat in de vlakten van Poitiers [4] werd vergoten!’
‘Misschien zijn ze precies op bedevaart naar Poitiers,’ meende bisschop Turpijn, ‘om te bidden voor de zielenrust van hun vaderen, als dergelijke ongelovigen tenminste vaders gehad hebben en niet, volwassen en wel, bewapend en al, gebaard werden uit de spelonken van de hel!’
‘Hoe zouden zij zich kunnen schamen, als ze niet eens kunnen blozen?’ vroeg Aude zich af, en ze wees naar de eerste Saraceen die de omheining binnenreed. ‘De kleur van hun wangen verschilt niet van die van het kuras van onze paarden!’
Koningin Himiltrude had ook naar die eerste Saraceen gekeken, en kneep nu haar ogen stijf dicht. ‘O wat een afzichtelijke onmensen!’ kreunde ze.
‘Zeg, willen jullie er wel even aan denken dat dit onze gasten zijn,’ berispte Karel zijn gezellen. ‘We moeten in alle omstandigheden hoffelijk blijven, zelfs tegen heidenen.’
Iedereen, behalve Himiltrude die nog steeds met haar ogen stijf dicht zat, stond nu op de toppen van zijn tenen om een glimp op te vangen van de afgezanten van Marsillus. Zelfs de ridders in Karels gevolg verhieven zich in hun stijgbeugels.
Eerst verschenen er zestig ruiters, stuk voor stuk nog zwarter dan de duivel. Ze hadden zonder uitzondering een platte neus, dikke lippen en enorme oren, versierd met kolossale ringen. Ook hun blote armen waren een en al ring, van pols tot schouder. Op hun hoofd droegen ze een lichte helm, waar witzijden tulbanden omheen gewikkeld waren.
Sommigen van hen sloegen hard op trommels, anderen bliezen met bolle wangen op wonderlijk gevormde horens. Nog anderen rinkelden met handbellen of hamerden op triangels. En daartussen klonk zo nu en dan het zware dreunen van tien bronzen gongs.
Achter hen volgden een honderdtal ridders. Zij droegen allemaal een maliënkolder die zo licht was dat een meisje van vijftien hem met het grootste gemak had kunnen dragen, maar tegelijk ook zo sterk dat hij bestand was tegen de stoot van een Moorse lans. Of dat ook het geval was bij aanraking met een Franse lans zal weldra blijken.
Vervolgens kwamen er twaalf vaandeldragers. Ten slotte verschenen de afgezanten van Marsillus, koning van Portugal, Castilië, Aragon, Léon en Valencia. Allen die hen zagen, begonnen te beven, en de spot waarmee de voorhoede was begroet, moest wijken voor ontsteltenis.
Voorop reed Angoulaffre met de Gele Tanden.
Twaalf armlengten lang was hij. Hij had een neus van zeker wel twintig centimeter. Zijn armen en benen maten ieder zes voet en zijn vingers zes duim en twee streepjes. Zijn ongewoon grote mond was bezet met vlijmscherpe gele slagtanden en deed op die manier denken aan de valpoort van een primitieve burcht.
Angoulaffre met de Gele Tanden was gekleed in de huiden van wilde beesten die hij zelf had gedood in de toppen van het Atlasgebergte, waar zich voorheen nooit een menselijk schepsel had gewaagd.
Hij stamde rechtstreeks af van de bijbelse reus Goliath en droeg de titel van gouverneur van Jeruzalem. Men vertelde dat hij even sterk was als dertig mannen en dat zijn knots vervaardigd was uit de stam van een driehonderdjarige eik. [5]
Toen Angoulaffre binnen de palissaden verscheen, hinnikte zijn paard zo luid dat alle andere rossen ervan schrokken en begonnen te steigeren, zodat minder vaste ruiters uit het zadel werden geworpen. Het bracht bij de Saracenen dolle hilariteit teweeg, maar koningin Himiltrude sloeg verschrikt een kruis en deed gauw een schietgebedje.
‘Er zit vandaag zeker een lek in de hel,’ zei Mita.
‘Ik zou het je niet kunnen zeggen,’ antwoordde Olivier. ‘Maar dat zij er vannacht slapen, is wel zeker.’
Koning Karel fronste zijn forse wenkbrauwen. Aude, die Rolands gedachten van zijn gezicht af kon lezen, vreesde het ergste.
Vlak bij Angoulaffre met de Gele Tanden reed Murad Henakyeh Meimoumovassi, de zoon van Marsillus. Zijn bijnaam was ‘De Meester van de Leeuw’.
Waaraan hij die verdiend had?
Wel, dat zal ik u zo meteen vertellen…



VI.
Hoe Murad Henakyeh Meimoumovassi
aan zijn bijnaam kwam.




Op een goede dag merkte Marsillus dat zijn zoon aanhaliger was dan gewoonlijk. Hij nam hem op zijn knie en zei: ‘Wat heb je van me nodig, m’n jongen? Meestal geef je me helemaal geen kusje en vanmorgen heb ik er al drie gehad!’
‘Sire mijn vader,’ zei Murad, en hij legde zijn hoofdje tegen de schouder van zijn vader, ‘ik zou graag het kromzwaard hebben dat u daar hebt hangen.’
‘Wat zeg je? Heb je al je speelgoed kapot gemaakt? Of wil je niet meer spelen? Zo een zwaard is toch veel te groot voor jou!?’
‘Ik ben al zeven!’ protesteerde Murad. ‘Ik ben geen kind meer en dus mag ik best een wapen dragen! En ik ben ook helemaal niet meer bang voor bloed. Kijk maar!’
En voor de koning het kon beletten, had Murad het kromzwaard al te pakken en sloeg hij er het hoofd van een slaaf mee af, die net met een schaal vol versnaperingen kwam aanzetten. Het bloed spatte alle kanten uit.
‘Ziet u nu wel dat ik niet bang meer ben voor bloed!’ zei Murad.
Koning Marsillus zag dat zijn zoon gelijk had, gaf hem een zoen en schonk hem het zo begeerde wapen.
Dezelfde nacht nog kreeg de kleine Murad een tweede bevlieging. Hij had er ’s nachts nog nooit alleen op uit mogen trekken, en wat zou er fijner zijn dan een wandeling bij nacht te maken? Hij kende de natuur alleen zoals ze er overdag bij lag, en nu wilde hij haar zien als het duister en stil was, in de glans van de maan.
Zijn moeder had de kleine Murad verteld over de zang van de nachtvogels en over het gebrul van hongerige leeuwen. Ze had verteld over insecten die tussen de bladeren vonkten en die van iedere struik een mandje met diamanten maakten. Ze had hem over geheimzinnige geuren verteld, die alleen als het heel donker is opstijgen uit de aarde, naar de bloemen toe.
Nu wilde Murad dit alles met zijn eigen ogen zien en met zijn eigen oren horen. En dus verborg hij het kromzwaard onder zijn kussen en wachtte hij tot alles rustig was geworden in het paleis. Toen stond hij zachtjes op, kleedde zich aan en liep naar de deur van zijn slaapvertrek.
Voor de drempel lag zijn leermeester te slapen. Hij bleef staan en dacht even na, zoals die brave man hem dat had geleerd.
Als ik de deur open, maak ik mijn leermeester wakker, dacht Murad. En als hij wakker wordt, zal hij dan mijn verzoek inwilligen? Vast en zeker niet. Het is bijgevolg beter hem niet wakker te maken.
En Murad stak de slapende man de punt van zijn zwaard in de keel en liep de kamer uit.
Nu moest hij eerst door de tuin heen. Het was alsof hij deze voor het eerst zag. Het water van de fonteinen tinkelde in de basins als zilveren klokjes, wat prachtig klonk bij de zang van de nachtegalen. De vleermuizen leken op groteske vogels met leren vleugels en zwenkten in grote kringen geruisloos om hem heen. Door het maanlicht achter de bomen tekenden zich op het zachte gras de grilligste mozaïeken van licht en schaduw af.
Even dacht Murad dat hij een van de marmeren leeuwen zag bewegen en geschrokken deed hij een pas terug. Gelukkig was er niemand in de buurt om hem uit te lachen. Als er op dat ogenblik toevallig een echte leeuw voorbij was gekomen, zou hij hem wis en zeker het hoofd hebben afgehakt.
Murad liep vlug verder. Hoe fraai de tuin ook was, wat hij wilde zien, bevond zich niet hier. Voor hem was het paleis met zijn tuinen een heuse gevangenis, waarbuiten hij nog nooit vrij gewandeld had. Hij verlangde hevig naar de open ruimte en het onverwachte avontuur.
Murad sprong over de muur en belandde te midden van een afdeling Nubische soldaten, die hun ronde deden. De dapperen zetten het meteen op een lopen. Ze waren maar met tien en er was net een wolk voor de maan gegleden. Toen ze merkten dat ze slechts met een kind te doen hadden, kwamen ze op hun schreden terug.
Zijn leermeester had Murad onder meer geleerd altijd eerst even na te denken voor hij iets deed. En dus dacht Murad eerst even na: die lui zijn er al één keer vandoor gegaan, dacht hij, waarom zouden ze dat dan ook geen tweede keer doen? Toen sloeg hij de eerste Nubiër het hoofd af en gooide voor de anderen wat zilvergeld in de struiken. Dadelijk lieten de andere Nubiërs hun onfortuinlijker kameraad aan zijn lot over en begonnen de muntjes op te rapen, terwijl Murad zich uit de voeten maakte en zonder verdere problemen een dicht en donker bos bereikte.
Toen de Nubiërs de buit hadden verdeeld, begon hun hoofdman ze uit te schelden: ‘Stelletje idioten! Lafaards! Jullie kunnen nog niet op tegen een jochie! En wat voor een jochie! Een aap van een jochie die met zijn vingers aan de koninklijke schat heeft gezeten! Hij is een wandelende goudmijn, die knaap! Een stroom van rijkdom die, na ons eerst met zilver te hebben besprenkeld, tussen onze benen door is weggevloeid! Wij moeten die stroom volgen tot de bron! Die kant is hij uitgegaan! Ons eigen belang zowel als onze plicht schrijven duidelijk voor wat ons te doen staat!’
En de negen overblijvende wachters gingen op weg. Ze liepen op hun tenen en met hun speren prikten ze af en toe in de struiken.
Murad hoorde hen aankomen, maar bleef zitten waar hij zat en verroerde zich niet. Toen zij ten slotte een maanovergoten open terrein te midden van het bos moesten oversteken, hield de hoofdman een korte krijgsraad over de richting waarin zij hun opsporingen zouden voortzetten. Zijn oog viel op de donkerste hoek aan de rand van het bos, en hij maakte zijn mannen erop attent.
Jammer genoeg had hij nooit mogen proeven van de wijsheid van Murads leermeester, die de jonge prins altijd had voorgehouden dat alleen dommeriken of onervaren knapen in de donkerste hoeken kruipen, niet beseffend dat daar het eerst zal worden gezocht. Niet dat het allemaal veel verschil maakte, want op het moment dat de kapitein zijn mannen die donkere hoek wees, voelde Murad die op zijn knieën door het kreupelhout kroop een warme adem in zijn hals en vervolgens tien scherpe klauwen in zijn schouders.
Als ik u nu zou vertellen dat hij niet schrok, zou dat een leugen zijn. Vooral omdat Murad, toen hij zijn hoofd omdraaide, twee ogen – of beter: twee roodgloeiende sterren – zag, die hem vanuit het donker aanstaarden. En wat nog erger was, vlak achter die twee roodgloeiende sterren, zag Murad vier soortgelijke sterren.
Dit is wel een uiterst beangstigende constellatie, dacht hij. Blijkbaar heb ik mijn heil gezocht in het hol van drie jonge leeuwen.
Gevaar dat hij niet kon zien, kon hem wel doen beven. Maar nu hij wist waarmee hij te maken had, vatte hij nieuwe moed en dacht hij eerst even rustig na over wat hem te doen stond.
Hier zit ik dan tussen drie leeuwen en negen Nubiërs, dacht hij. Voor wie van hen moet ik het meest bang zijn? De laatsten natuurlijk, zij zijn met zeer velen en ik heb een van hen al het hoofd afgeslagen. Maar als ik nu een van de leeuwen het hoofd afsla, gaat hij natuurlijk brullen – of anders zullen de overblijvende leeuwen wel gaan brullen. En dan gaan die Nubiërs er wis en zeker vandoor.
Omdat een van de roofdieren hem nog steeds bij de schouders beet had, was het onmogelijk voor Murad deze leeuw het hoofd af te slaan. Maar hij slaagde er wel in het dier zijn kromzwaard tussen de ribben te steken. Tot Murads grote verbijstering en ontgoocheling liet het leeuwenjong daarbij evenwel niet eens een zacht gegrom horen.
Ondertussen naderden Murads achtervolgers nog steeds. Dus sprong de prins overeind, greep het tweede leeuwenjong bij de keel en wierp dat in de richting van de Nubiërs. Dit nieuwsoortige projectiel scoorde het gewenste effect, want in amper tien seconden legden de Nubiërs dezelfde afstand af waarvoor ze eerder een half uur nodig hadden – maar dan in omgekeerde richting.
Murad was nu heer en meester van het slagveld. Van de drie welpen was er één zijn kop kwijt en lag een ander uitgeteld op de grond. De derde had zich onder wat dikke takken tegen de grond gedrukt en liet een donker gegrom horen.
Toen kreeg Murad zijn derde bevlieging: hij zou de derde welp meenemen als een trofee van zijn eerste veldtocht. En dus kroop Murad weer het struikgewas in om het jong te zoeken. De welp zette zijn klauwen in de nek van Murad en Murad greep de welp bij de strot. Het leeuwenjong snakte nog even naar adem en viel ten slotte slap op zijn zij, waarna Murad het bij zijn nekvel pakte en meenam.
Op dat ogenblik ging er een woedend gebrul op. De moeder kwam haar zoon ter hulp!
Murad begreep dat vluchten uitgesloten was. Zonder ook maar de minste haast te maken kwam de leeuwin in steeds kleiner wordende cirkels op hem af. Haar staart klapte links en rechts tegen haar flanken, ze liet haar kop zakken, legde haar oren in haar hals en sperde haar verschrikkelijke muil wijdopen.
Murad trok zijn hemd uit en wikkelde dat om zijn linkerarm. Met het kromzwaard in zijn rechterhand, liep hij langzaam achteruit, zijn ogen onafgebroken op die van zijn tegenstandster gericht, tot hij een rotswand bereikte waar hij met zijn rug tegenaan bleef staan.
Toen zij nog maar een paar passen van de knaap verwijderd was, waagde de leeuwin de sprong. Murad liet zich op een knie zakken en stak bijna zijn hele linkerarm in de muil van het monster. De pijn was verschrikkelijk en hij schreeuwde zo hard dat zelfs de leeuwin ervan schrok. Van die korte onoplettendheid maakte Murad gebruik om zijn kromzwaard in haar buik te ploffen. En toen zakte hij, badend in zijn bloed, naast het kadaver van de leeuwin op de grond en verloor het bewustzijn.

Terwijl hij daar zo bewusteloos lag, kunnen wij even een kijkje nemen in het paleis van koning Marsillus. Ieder uur deed de wacht namelijk zijn ronde om het gebouw. En toen de wachters langs de deur van Murads kamer kwamen, gleed een van de soldaten uit… in een plas bloed.
Zo snel hun benen hen konden dragen, repten de soldaten zich naar hun officier, die in het wachtlokaal lag te slapen. Hoewel hij door het nieuws haast verlamd werd van schrik, snelde hij op zijn beurt naar het hoofd van de veiligheidstroepen om die van de ontstellende ontdekking in kennis te stellen. Deze rende op zijn beurt naar de eerste kamerheer van de koning, die niet bereid was de verantwoordelijkheid voor het wekken van zijne majesteit op zich te nemen, en als de wind de eerste minister ging halen. Het was ten slotte deze autoriteit die zijn meester van de plas bloed op de hoogte bracht.
In een oogwenk schoot Marsillus enige kleren aan. Bleek en huiverend, zijn ogen nog maar halfopen, haastte hij zich naar Hadrama, zijn gemalin. Omdat zij een dergelijk bezoek niet had verwacht en haar gemaal ook nog nooit zo ontdaan had gezien, begon zij te gillen, waarop haar vijftig hofdames in alle staten het vertrek binnen stroomden. Niet allemaal tegelijk natuurlijk, maar één na één.
Bij het horen van wat Marsillus te vertellen had, viel Hadrama in zwijm. Een tiental hofdames volgde haar voorbeeld.
‘Bij de baard van de profeet!’ vloekte Marsillus. ‘Bewaar die komedie voor later! Wij hebben geen moment meer te verliezen! Ik bezweer jullie dat de laatste die bij haar positieven komt vijftig stokslagen krijgt!’
Onmiddellijk was iedereen weer recht gekrabbeld en klaar om te vertrekken. De koning, de koningin, de eerste minister, de kamerheer, het hoofd van de veiligheidstroepen, de commandant van de wacht, het wachtpeloton en de vijftig hofdames trokken erop uit, voorafgegaan door honderd lijfwachten en twintig zwarte slaven met flambouwen.
Het was deze stoet die arriveerde voor de kamer van Murad en vaststelde wie het slachtoffer was.
‘Die leermeester heeft ons volkomen overbodig de schrik op het lijf gejaagd!’ stampvoette de mooie Hadrama.
‘Een geweldige stommiteit van je, eerste minister!’ zei de koning. ‘Hoe durf je ons voor zo een niemendalletje lastig te vallen?’
‘Sire!’ sidderde de eerste minister. ‘Het was uw kamerheer die mij vertelde dat het de prins was die was vermoord!’
‘Omdat het hoofd van uw veiligheidstroepen me dat zo gemeld had, sire!’ beefde de kamerheer.
‘Omdat de commandant van de wacht niet goed uit zijn ogen heeft gekeken!’ riep het hoofd van de veiligheidstroepen uit.
‘Omdat het deze soldaat was die uitgleed in het bloed van een persoon die hij niet nader heeft geïdentificeerd!’ verdedigde de commandant van de wacht zich, en hij liet de bewuste soldaat als straf meteen tweehonderd stokslagen toedienen.
Nauwelijks was de soldaat in kwestie vertrokken om zijn straf in ontvangst te nemen, of Hadrama slaakte een doordringende kreet.
‘Wat nu weer?’ mopperde Marsillus.
‘Zie je dan niet dat de kamer leeg is!? Ze hebben mijn kind gedood! Nu ik erover nadenk… er kan geen twijfel aan zijn dat ze mijn kind gedood hebben! Ik lag net over een kat te dromen toen je me wakker maakte!’
‘Ga allemaal terug naar jullie kamer!’ bulderde Marsillus, waarop hij zich tot het hoofd van zijn veiligheidstroepen wendde. ‘En jij, laat het goed tot je doordringen: als mijn zoon bij zonsopgang niet is gevonden, sla ik eigenhandig je hoofd af. Begrepen?’
Vervolgens ging koning Marsillus weer naar bed en genoot van een welverdiende nachtrust.
Toen hij wakker werd, zag hij het hoofd van zijn veiligheidstroepen roerloos aan het voeteneinde van zijn bed zitten.
‘En? Heb je goed nieuws?’
Het hoofd van de veiligheidstroepen knikte, maar onzeker, alsof het zich afvroeg hoe lang het nog zou kunnen beschikken over een hoofd om mee te knikken.
‘Ja sire. De jonge prins werd gevonden.’
‘Waar heb je Murad gevonden?’
‘In de olijfgaard bij het park.’
‘Kijk eens aan! Mijn arendsjong slaat zijn vleugels uit! En wat deed de prins daar?’
‘Hij deed daar een tukje te midden van een leeuwin en drie jonge leeuwen, sire.’
‘Als je hoofd je lief is, vertel me dan geen kletspraatjes, man!’
‘Het is de waarheid, sire. De leeuwin was dood, twee van haar welpen ook en de derde, die nu geen eten meer van zijn moeder kreeg, was net aan haar begonnen.’
‘En wie had dat bloedbad aangericht?’
‘Ik,’ zei Murad fier, terwijl hij – bleek en onder het bloed en gevolgd door twee slaven die een jonge leeuw aan een ketting met zich voortsleepten – de kamer binnen stapte.
Marsillus kwam uit zijn bed, liep op zijn zoon toe, sloot hem in zijn armen en overdekte hem met kussen. Waarop zijn zoon flauw viel, van de pijn en het bloedverlies.
Onnodig hieraan toe te voegen dat Murad werd verzorgd als de zoon van de koning en als een doder van leeuwen.
Enkele dagen later legde de eerste minister een rapport voor aan de koning, waarin onomstotelijk werd bewezen dat de leermeester van de prins zelfmoord had gepleegd.
Marsillus glimlachte fijntjes. ‘Uitstekend werk, eerste minister! Daarvoor zal ik u belonen!’
Er verscheen een vrolijke twinkeling in de ogen van de eerste minister.
‘Aan u is het om de lege plaats in te nemen en de nieuwe leermeester van mijn zoon te zijn!’
En weg was de vrolijke twinkeling.

En Murad?
Hij groeide op en de jonge leeuw en de jonge prins werden onafscheidelijk.
Overal werden zij samen gezien, zelfs op het slagveld.
En dit verklaart dan ook dat zij na verloop van tijd samen verschenen in het krijt te Fronsac…





VII.
Waarin een leeuw verliefd wordt
en zijn Meester er het hoofd bij verliest.




Toen alle Saracenen zich in een halve cirkel voor de tent van Karel de Grote hadden verzameld, deed Murad een pas naar voor en sprak: ‘Karel, koning van het Frankenrijk! Mijn naam is Murad Henakyeh Meimoumovassi, maar men kent mij beter als de Meester van de Leeuw!'
De leeuw in kwestie, die Oghris werd genoemd, liet een vrees-aanjagend gebrul horen.
‘Aan mijn zijde bevindt zich niemand minder dan Angoulaffre, de gouverneur van Jeruzalem en een afstammeling in directe lijn van de reus Goliath.’
Angoulaffre lachte zijn gele slagtanden bloot.
‘Ik ben tot u gekomen in naam van mijn vader, Marsillus, de koning van Portugal, Valencia, Léon en… en…’
‘Castilië,’ kwam Angoulaffre de Meester van de Leeuw ter hulp.
‘Precies!’ knikte Murad, en hij vervolgde: ‘Hierbij dagen wij uw ridders en baronnen uit voor een gevecht op leven en dood. Wij verklaren voor deze lui niet banger te zijn dan voor de pit van een granaatappel. Ieder van ons is bereid te vechten tegen twintig, dertig of veertig van uw mannen, te voet of te paard. Zij die weigeren met ons te vechten, zullen wij lafaards noemen en in dat geval zullen wij in alle hoeken van de aarde lucht geven aan onze eeuwigdurende verachting voor de ridders van het Frankenrijk! Wij zullen de eerbied voor Allah en zijn profeet Mohammed afdwingen van allen die met ons in het krijt treden, en ter bezegeling van deze belofte werp ik u alvast mijn handschoen toe!’
Murad wierp zijn handschoen in het midden van het strijdperk. Angoulaffre volgde zijn voorbeeld.
Een dof gemompel trok door de rijen omstaanders, maar met een enkel handgebaar legde Karel iedereen het zwijgen op en sprak: ‘Ik dank koning Marsillus voor de eer die hij ons bewezen heeft door zijn zoon naar ons toe te sturen. Ik kan u verzekeren dat wij niets aangenamer vinden dan voor een rechtvaardige zaak te vechten, en daarom was het zeker niet nodig geweest uw aanbod vergezeld te laten gaan van dreigementen. Wij nemen de uitdaging aan, blij omdat we in staat worden gesteld te vechten voor de Hemel en de Goddelijke Drieëenheid. Geen van ons is vergezeld van een wild beest, maar wij hebben zonder uitzondering reeds op groot wild gejaagd – op de beer en de buffel met zijn geweldige horens – zodat wij niet bevreesd zijn voor uw helper. Ook stamt niemand van ons af van de reus Goliath, maar wij zullen ons de door God begunstigde David waardig tonen. En wij zullen daarbij vertrouwen op Hem, in wiens hand de overwinning is!'
Karels hoffelijke woorden werden gevolgd door een storm van toejuichingen, die door de Saracenen dan weer werden beantwoord met een orkaan van wilde kreten ter ere van Mohammed.
Ondertussen hadden de ogen van Oghris, die gewoonlijk in alle richtingen vuur spuwden, een vreemde zachtheid gekregen. Het waren bijna de ogen van een lam geworden, zoals hij daar zat op te kijken naar Aude die – onbewust van wat haar schoonheid had veroorzaakt – met Roland zat te praten.
Iedereen werd zo in beslag genomen door de toespraken van Murad en Karel, dat het dier al heel dicht bij Aude was gekomen, voordat iemand in de gaten kreeg wat er gebeurde. Maar toen werden de paarden schichtig en begonnen ze zo te beven, dat het gerinkel van hun tuig de aandacht trok van Karel en zijn gevolg.
Hun blikken gingen naar de leeuw Oghris. Hij vervolgde, als in gedachten verzonken, gedwee zijn weg. Nu de ridders ontdekten dat hij het op Aude gemunt had, trokken ze hun zwaard en begonnen ze tegen hem te schreeuwen. Maar het dier trok zich van hun tumult niets aan en liep rustig door.
Stomverbaasd riep Murad de naam van zijn gezel: ‘Oghris! Oghris! Oghris!’
Hij liet er de roep op volgen die het dier altijd aan zijn voeten bracht, maar Oghris keurde hem geen blik waardig en liep door.
Wit van woede en teleurstelling sprong Murad toen boven op zijn leeuw en begon hem met de platte kant van zijn zwaard te slaan. Oghris wandelde verder en draaide zelfs niet eenmaal de kop om.
Aude was niet bang – ze had Roland en Olivier aan haar zij. Maar ze keek wel even vreemd op toen ze de leeuw, slaapwandelend bijna, in haar richting zag komen. En ze kreeg medelijden met het arme monster dat haar zo gedwee naderde, vriendelijk kwispelend met zijn enorme staart.
Aude steeg af en ging Oghris tegemoet. En verscheidene van mijn collega-kroniekschrijvers zagen met hun eigen ogen hoe dat monster, wellicht in een poging om Aude op haar gemak te stellen, zich zo klein mogelijk maakte.
Toen Oghris vlak bij Aude was gekomen, ging hij liggen en likte haar voeten. En Aude bukte zich en streek met haar handen door zijn manen. En bevend likte het roofdier haar hand.
Aude nam nu haar gordel, en ze deed die om de hals van Oghris. Daarop kwam de leeuw heel voorzichtig overeind en liet haar toe dat zij hem aan de lijn een eindje met zich mee voerde.
De verbazing van alle toeschouwers, mijn collega-kroniekschrijvers niet uitgezonderd, mocht grenzeloos genoemd worden. Maar het meest verbaasd was wel Murad.
De Meester van de Leeuw beschikte niet over een groot verstand en evenmin over goede manieren. En zo kon het gebeuren dat hij de leeuw bij de manen pakte en zonder aandacht te schenken aan de gordel waarmee Aude hem in bedwang hield, probeerde hij het dier met zich mee te trekken.
Oghris liet woedend zijn tanden zien en begon zo verschrikkelijk te brullen dat er algehele verwarring ontstond: paarden steigerden, zelfs de meest zadelvaste ruiters beten in het zand en het gewone volk sloeg op de vlucht.
Toen na verloop van tijd de orde weer was hersteld, zag men Murad op de grond liggen, te midden van enige stukken van zijn pantser en wat flarden van zijn kleren.
De prins was zijn hoofd kwijt.
Blijkbaar had de leeuw Oghris eindelijk – en namens zijn hele familie – een oude rekening vereffend.



VIII.
Waarin Olivier en Angoulaffre
tot een vergelijk komen.




Angoulaffre, die tot dusver roerloos was blijven staan, barstte nu in woede uit. Hij stormde op Oghris af, die zich aan de voeten van de meesteres van zijn keuze had gelegd, en pakte het dier bij de oren. Zoals men dat wel eens bij een konijn pleegt te doen, begon hij Oghris de nek om te draaien.
Olivier de Dappere, die bekend stond als een groot dierenliefhebber, kon het niet langer aanzien en schreed naar voor. Hij tikte Angoulaffre op de schouder en vroeg: ‘Welke losprijs vraagt u voor de leeuw? Mijn zuster lijkt nogal gesteld te zijn op het gezelschap van Oghris en ik zou haar het ondier graag cadeau doen. Wat verkiest u, geld of edelstenen?’
Angoulaffre hield even op met het omdraaien van de nek van Oghris en de reus wierp Olivier vanuit zijn eenzame hoogte een blik toe, die weinig goeds voorspelde.
‘In het land waar ik vandaan kom, aan de kust van de Rode Zee, bezit ik een paleis van turquoise, gebouwd op pilaren van kristal. Het is zo groot dat zelfs de snelste loper, die vertrekt bij zonsopgang, er niet vóór zonsondergang omheen kan lopen. Een paar honderd torens van zilver wijzen er naar de hemel en op iedere toren staat een zangkoor of een muziekkorps. En in het midden van mijn paleis bevindt zich een reusachtige gouden koepel, waarop een diamant rust die zo hard straalt dat hij bij nacht en mijlen uit de kust nog te zien is. Die diamant wordt dan ook het Veilige Baken genoemd, omdat onze zeelui er even veilig op varen als op de poolster. Dit maar om u duidelijk te maken, aardworm, dat ik niet om te kopen val met geld of edelstenen.’
‘Prima,’ antwoordde Olivier. ‘Als u mij de leeuw geeft, krijgt u mijn zwaard.’
En hij toonde Angoulaffre zijn zwaard.
‘Drie van onze beste smeden hebben er twee jaar over gedaan om dit zwaard te maken.’
Angoulaffre keek Olivier ongelovig aan en lachte toen zijn dubbele rij tanden bloot. Ze waren geel als koper en scherper dan de punt van de ganzenveer waarmee ik deze kronieken heb aangevat.
‘Wat zou ik met uw zwaard aanvangen? Ik heb geen wapens nodig! Ziet u deze nagels?’
Hij liet Olivier en tegelijk ook alle omstaanders zijn nagels zien.
‘Ze dringen dieper door in het hardste staal dan uw zwaard in mensenvlees!’ grijnsde Angoulaffre. ‘En met mijn handen breek ik een oude eik zoals u een viooltje plukt! Met mijn armen heb ik eens een olifant gewurgd, en toen een dolle neushoorn het op een andere keer in zijn holle kop haalde mij aan te vallen en mij raakte in mijn dij en zijn hoorn afbrak en in de wond bleef steken, heb ik dat kolossale beest vermorzeld onder mijn voeten!’
Angoulaffre tikte tegen zijn tanden.
‘En welke oorlogsmachine is zo sterk als dit hier? Met één knauw bijt ik u in twee! Wat zou ik dan met uw wapen aanvangen?’
‘En toch moet ik de leeuw hebben!’ zei Olivier. ‘Als u geen losprijs wilt aanvaarden, laat hij dan de inzet zijn van een tweegevecht!’
‘Laten we wel wezen, ridder Huppeldepup,’ snoof Angoulaffre. ‘U bent toch geen partij voor mij!?’
‘Ook wij beschouwen iedereen die met ons weigert te vechten als lafaards,’ antwoordde Olivier fijntjes.
Angoulaffre liet de leeuw los, sprong over de stoffelijke resten van Murad heen en wendde zich wit van woede tot Karel, die ondertussen plaats had genomen op zijn troon in de koninklijke loge.
‘Deze dwerg hier heeft mij uitgedaagd. Geef hem een tiental ridders mee, zodat ik mij tenminste op een waardige wijze met hem kan meten, en dan zal ik mij liefdevol een paar ogenblikken over hem ontfermen.’
‘Alleen met het zwaard en de lans kunnen deze beledigingen worden uitgewist,’ sprak Karel afgemeten. ‘U zult voor elke lettergreep die u hebt uitgesproken honderdvoudig worden beloond.’
Angoulaffre begon smakelijk te lachen. ‘Praatjes, koninkje van niks! Praatjes voor de vaak! Hoe zit het? Kunnen we vechten?’
Roland boog zich naar Olivier over en zei: ‘Ik herinner me dat je een grote bewondering hebt voor mijn kasteel aan de oever van de Seine. Je kunt het van me krijgen, als je mij eerst met hem laat vechten.’
‘Geen sprake van!’ antwoordde Olivier. ‘Zelfs voor geen kroon zou ik me de kans laten ontnemen de hemel te verdienen!’
En terwijl hij dit zei, kuste hij de hand van de koning, pakte zijn wapens op en reed weg om zijn plaats in te nemen aan het ene uiteinde van het strijdperk, recht tegenover Angoulaffre, die nog steeds een afzichtelijke grijns op zijn gezicht had.




IX.
Waarin de adelaar zijn kop laat hangen,
de kraai krast, de wolf huilt
en de leeuw brult.




Grote tranen liepen over de wangen van koning Karel, die luttele jaren later al Karel de Grote zou worden genoemd, terwijl hij treurig naar Olivier de Dappere keek en zich afvroeg of de hemel kon toestaan dat een dergelijke held roemloos zou vallen door de hand van een ongelovige.
Olivier sloeg een kruis en reed recht op de reus af. Alle aanwezigen sidderden en beefden, behalve Olivier dan die wel wat anders te doen had.
Bij benadering ongeveer zes keer zo groot als Olivier, stormde Angoulaffre op de ridder af en beiden verdwenen in een geweldige stofwolk. En toen was daar het geluid van staal tegen staal en stonden alle harten stil.
Was Olivier van zijn paard geworpen?
Nee! Want zie, de stofwolk trok op en Olivier bleek nog even fier in het zadel te zitten als voordien!
Aan het einde van het krijt maakte hij zich op voor de volgende ren. Zijn lans had de riem gebroken waarmee het zwaard van Angoulaffre aan zijn zijde was bevestigd en het vallende reuzenwapen had een diepe kuil in de grond geslagen.
Begeleid door enthousiaste kreten, stormden de beide kemphanen weer voorwaarts, om te verdwijnen in een nieuwe stofwolk, zo mogelijk nog geweldiger dan de eerste.
Ook deze keer wist Olivier heelhuids te ontkomen. De reus was echter niet gewend aan de beperkte afmetingen van het krijt, verkeek zich op de afstand en vloog de publieke tribune in. Zijn lange lans trok een dodelijk spoor door de menigte en versplinterde het houtwerk. Zijn paard verloor tijdens dit treffen zijn borstkuras.
Een aantal van mijn collega-kroniekschrijvers melden dat zij Ganelon zelden zo goed gemutst hebben gezien als op die dag. Hij haatte Olivier hartsgrondig, omdat de dappere ridder nu eenmaal een goede vriend was van Roland.
‘Vanavond,’ hoorden ze Ganelon mompelen in zijn baard, ‘zullen deze twee opscheppers al tussen twee maal zes plankjes liggen!’
Wolf was bijna even goed geluimd als Ganelon. De hertog van Gascogne was namelijk diep onder de indruk gekomen van de schoonheid van Aude, en hij had haar vader om haar hand gevraagd. Maar Gerard had de vraag toornig afgewimpeld en Olivier had bij die gelegenheid lachend gezegd: ‘Waarom vraag je het niet aan Roland?’
Ja, Wolf en Ganelon amuseerden zich opperbest en konden het niet laten grapjes te maken over het nakende einde van Olivier, en vervolgens wellicht ook van Roland.
Karel vond dat niet prettig. Dat zag je zo. Vooral niet omdat hij - ten onrechte - meende zelf het onderwerp te zijn van het ginnegappen van zijn paladijnen. Hij draaide zich dan ook om naar Ganelon en Wolf en riep kwaad uit: ‘De wolf en de kraai maken grapjes ten koste van de adelaar, die niet zo laag zinken kan dat hij dit zal slikken!’
Dat klonk behoorlijk indrukwekkend, geef toe.
‘Zijne majesteit mag ons niet verkeerd begrijpen!’ haastte Wolf zich om het uit te leggen. ‘De trouw van de wolf en de kraai aan de adelaar moet boven iedere verdenking staan, sinds wij ons aan hem hebben onderworpen!’
‘Wat zitten jullie daar dan zo te wauwelen? Als de wolf plezier heeft, moet de herder op zijn hoede zijn!’
‘We schoten alleen maar in de lach omdat Olivier zo potsierlijk op zijn paard kwam te zitten, na dat tweede treffen met Angoulaffre,’ verduidelijkte Ganelon.
‘Die dappere ridder dient met andere woorden als doelwit voor jullie spot? In dat geval hadden jullie er beter aan gedaan met een adelaar de draak te steken!’
Ganelon en Wolf keken wat sip na die terechtwijzing, maar inmiddels waren Angoulaffre en Olivier al voor de derde keer op elkaar af gestormd en verdwenen in een geweldige stofwolk. En deze keer was het alleen Angoulaffre die eruit te voorschijn kwam, zij het wel met de lans van Olivier in zijn linkeroog.
Toen het stof was opgetrokken, kon men Olivier roerloos zien liggen op de plek waar hij op de grond was gekwakt, te midden van de vernielde resten van zijn harnas, badend in zijn bloed. Zijn paard stond er wat verder droevig naar te kijken.
Overal weerklonken kreten van ontzetting, maar ze werden al gauw overstemd door het geschreeuw en de muziek van de Saracenen.
Onbeweeglijk zat koning Karel naar Olivier te kijken. Verscheidene van zijn dapperste ridders verdrongen zich om hem heen en smeekten hem het gevecht met de reus te mogen overnemen, maar Karel leek hen niet te horen.
Men snelde toe met een draagbaar. Geneesheren liepen het veld op en een van hen kwam Karel melden dat Olivier nog ademde.
Toen pas stond Karel op en sprak: ‘Geloofd zij Sint Jacob! Nooit heb ik mijn vertrouwen in hem verloren! Hij zal deze moedige ridder redden en ik van mijn kant beloof hem hierbij in dat geval een kapel op te richten in het land van de Saracenen! En zo mooi zal die kapel worden, dat alle Saracenen er stikjaloers zullen op zijn!’
Vervolgens wendde Karel zich tot Wolf en Ganelon met de woorden: ‘Hertog van Gascogne en graaf van Mainz, zetten jullie de strijd nu voort!’
Wolf werd bleek en Ganelon nog bleker.
‘En doen jullie dat niet,’ voegde Karel er nog aan toe, ‘dan onthef ik jullie morgen op deze plek uit de adelstand, waarna ik jullie allebei laat opknopen aan een tak van gindse boom daar!’
En hij wees hen de boom in kwestie aan.
‘Nou, vooruit dan maar,’ zei Wolf daarop.
‘Wat hebben we er ook bij te verliezen?’ schokschouderde Ganelon.

Toen Angoulaffre de beide heren naar zich toe zag komen, verloor hij zijn geduld. Terwijl hij de resten van Oliviers lans uit zijn linkeroog plukte, reed hij naar koninklijke loge en riep de koning toe: ‘Zeg, waar hou je me eigenlijk voor? Eerst stuur je me een dwerg met een grote mond op mijn dak, en nu deze twee vlegels! Wil je soms op een al te makkelijke manier bevrijd worden van dit uitschot? Het spijt me, koninkje van niks, maar dat spelletje speel ik niet mee!’
En toen hij weer op zijn plaats was aangekomen, weigerde hij de lans die hem door dertig van zijn schildknapen werd aangereikt.
Ganelon en Wolf zagen hun kans schoon het er alsnog levend vanaf te brengen, en zetten met gestrekte lans een verrassingsaanval in op Angoulaffre. Maar de reus pakte ze bij hun nekvel en plukte ze zo van hun paard.
‘Prutsers!’ snoof hij geërgerd. ‘Ik zou wel gek zijn om koninkje Karel van dergelijke ridders te ontdoen. Ik zal jullie sparen en in vrede laten gaan, tot jullie eeuwige schande! ’t Zou gewoon zonde zijn jullie dood te maken!’
En met in iedere hand een ridder reed hij naar de kapel met het geweldig grote kruis die Karel hier bij Fronsac had laten oprichten. Zonder Wolf of Ganelon ook maar een haar te krenken, hing hij elk aan een arm van het kruis.
‘Ziedaar twee dappere verdedigers van het kruis!’ lachte hij, terwijl hij naar zijn plaats terugkeerde. ‘Ze houden er nu ook al de wacht bij!’
De Saracenen kwamen niet meer bij van het lachen en de leeuw Oghris brulde klaaglijk – niet vanwege de vernedering die Wolf en Ganelon te beurt was gevallen, maar omdat de slanke vingers van de mooie Aude niet langer speelden met zijn lange leeuwenmanen.
En waarom zij dat niet langer deden, waarde lezer, dat vertel ik u graag in een volgende hoofdstuk van deze ware kronieken – het tiende, als ik het goed heb geteld.



X.
Waarin Angoulaffre een aanval van kiespijn krijgt,
en hoe dit hem noodlottig wordt.




Aude had haar hand teruggetrokken van de leeuw Oghris, die nog steeds aan haar voeten lag, omdat Roland bij het zien van de aan het kruis gehangen ridders was opgesprongen.
De onbeschaamdheid van Angoulaffre had Roland een van die zeldzame aanvallen van razernij bezorgd, waartegen – als zij gepaard gaan met een kracht en een moed zoals die van hem – niets of niemand bestand was. De vernedering die Wolf en Ganelon werd aangedaan, deed zijn bloed koken. Voor Roland waren zij niet langer schurken, maar christenen en ridders zoals hij, en hij voelde zich dan ook samen met hen beledigd.
Roland sprong op de rug van Veillantif en stormde naar voor, begeleid door een donderend handgeklap. Iedereen voelde dat het nu pas echt menens ging worden. Indien iemand als Roland het onderspit moest delven, zou er niemand meer zijn om zijn plaats in te nemen. De eer van het Frankenrijk stond op het spel!
Drie pages raapten de handschoen op, die Angoulaffre bij wijze van uitdaging op de grond had gegooid, en sleepten ze met enige moeite naar het midden van het krijt. Roland bukte zich, pakte ze op en gooide ze in het gezicht van de gouverneur van Jeruzalem.
Deze belediging deed de reus zijn zelfbeheersing verliezen, en hij vloekte zo… zo reusachtig, dat ik de bewuste vloeken hier niet zal herhalen.[6]
Angoulaffre met de Gele Tanden greep naar zijn lans en naar een enorm schild. Mijn collega-kroniekschrijvers zagen geen enkele toeschouwer die niet lijkbleek was geworden. De lucht zoemde van de gebeden die naar de hemel werden gezonden.
Het teken werd gegeven en de beide strijders stoven op elkaar af en troffen elkaar halverwege in de geweldige stofwolk die wij ondertussen zo goed hebben leren kennen.
Net voordat Angoulaffre in de wolk verdween, merkte een collega op dat hij zich nog snel had gebukt om Roland goed te kunnen raken, maar dat deze met een bijna bovenmenselijke snelheid de verschrikkelijke stoot had ontweken en zijn tegenstander in het gezicht had geraakt met zijn lans.
Toen de wolk was opgetrokken, zagen ook de andere aanwezige kroniekschrijvers dat de afgebroken speer tussen twee slagtanden van de reus terecht was gekomen.
Nu zult u het met mij eens zijn, waarde lezer van deze ware kronieken, dat zelfs de sterkste man zijn zwakke plek heeft. De held die op het slagveld zijn eigen leven in de waagschaal legt, kan bijvoorbeeld doodsbang zijn voor een spin. En zo was Angoulaffre met de Gele Tanden doodsbang voor de tandarts.
Een rottende slagtand had de gouverneur van Jeruzalem de jongste weken al aardig wat last bezorgd. Stelt u het zich dus maar eens voor hoe pijnlijk het moet geweest zijn, nu hij net op die zere kies een stoot van een lans te verwerken kreeg. Hij verloor er zowaar zijn tegenwoordigheid van geest bij, en zwaaiend met zijn armen, stortte hij zich blindelings op de vijand.
Roland, onberoerd als altijd, ontweek hem behendig en begon hem af te matten. Een snelle stoot deed de buikriem van het ros van Angoulaffre breken, en het zadel draaide van de rug af. De reus verloor zijn evenwicht en beet onder oorverdovend gelach van één deel van het publiek in het zand.
Roland stapte op hem toe, reikte hem de hand en hielp hem opstaan.
‘Wilt u misschien even rusten?’ informeerde hij.
‘Ik hou niet van afgebroken partijen,’ gromde de reus. ‘Maar ik wil wel wat drinken.’
Toen Karel dit hoorde, gebood hij zijn pages dadelijk een okshoofd Spaanse wijn naar het midden van het strijdperk te rollen. Angoulaffre pakte het vat met een hand op, ledigde het in een teug, gooide het over de afsluiting en kroop weer op zijn ros.
De beide kemphanen voorzagen zich van nieuwe lansen en hervatten de kamp. Deze keer reden zij pardoes op elkaar in. Een ongelooflijk harde knal was het gevolg. Angoulaffre kwam door de botsing ook helemaal achter op zijn paard te zitten, en hij klemde zich met zijn knieën zo hard vast, om niet voor een tweede keer in het zand te bijten, dat het arme dier alle adem uit het lijf werd geperst.
Roland was niet van zijn plaats geschoven, maar had zich achterover gebogen en lag nu op de rug van Veillantif. De lans van de reus was van zijn gordel tot zijn schouder langs zijn prima harnas geschampt. Er stroomde wat bloed uit zijn mond, maar voor de rest leek hij niet al te ernstig gekwetst.
Angoulaffre wierp zijn lans weg en greep naar zijn strijdbijl. Roland trok Durandal uit de schede.
Tijdens het daarop volgende treffen, leek het er sterk op dat Veillantif begiftigd was met een verstand dat bijna menselijk mocht genoemd worden. Het moedige dier raadde iedere bedoeling van zijn meester. Nu eens hield het in, dan weer ging het in volle vaart op de vijand af en steeds weer ontkwam het op een bijna wonderbaarlijke wijze aan een regen van slagen.
Het paard van Angoulaffre was niet half zoveel waard. Door zijn afmetingen en gewicht was het niet erg wendbaar en met een knappe wending lukte het Roland dan ook de reus in de flank aan te vallen. Een houw van zijn onovertroffen Durandal verdeelde het paard van zijn tegenstander in twee gelijke delen, en daar zat Angoulaffre al op de grond, tussen de beide helften van zijn ros, brullend van verbazing en woede.
De Saracenen was het lachen nu vergaan. Ze trokken hun baardharen uit, met wortel en al, en ze maakten ook geen muziek meer.
Onder luide toejuichingen sprong Roland van zijn paard en liep op de reus af, die nog steeds op de grond zat.
‘Waarom blijft u niet zitten, gouverneur, om te genieten van uw welverdiende rust? Laat ondertussen alleen een stuk of wat krijgers het van u overnemen. Dan verliezen we tenminste geen tijd.’
‘De duivel hale me, als ik u ook maar een ogenblik pauze zou gunnen! Klim op uw paard en verdedig u!’
‘Het is niet mijn gewoonte in een voordeliger positie te vechten. U hebt geen paard meer, dus zal ik ook te voet verder strijden.’
Terwijl een dozijn paarden de helft van de stoffelijke resten van het ros van Angoulaffre uit de arena sleepten, en daarna de andere helft, werd de strijd hervat.
Roland sloeg het rechterbeen van Angoulaffre af. Net onder de knie.
Opnieuw kwam de gouverneur van Jeruzalem op de grond te zitten. Daar rolde hij wat heen en weer, maar hij slaagde er niet in overeind te komen. En opnieuw liep Roland op hem toe.
‘U kunt zo niet verder vechten,’ zei hij. ‘Uw leven is nu in mijn hand. Laat u als christen dopen en ik zal u sparen.’
Angoulaffre rolde zich naar de plaats waar zijn bijl was blijven liggen en hakte zijn linkerbeen af. Ook net onder de knie.
Toen ging hij op de stompen staan, keek Roland aan en sprak: ‘Kunnen we nu voortmaken?’
Bij het zien van die koene daad, juichten zowel christenen als heidenen Angoulaffre luid toe. Zelfs koning Karel kon er niet onbewogen bij blijven.
‘Gouverneur van Jeruzalem!’ riep hij. ‘Zie toch af van dit nutteloze gevecht! U kunt van mij aannemen dat, als u zo toegetakeld voor uw koning verschijnt en hem vertelt dat Roland van u heeft gewonnen, hij u zeker niet zal uitlachen!’
‘Jullie christenen kunnen dus nog doorleven na eenmaal te zijn overwonnen?’ antwoordde Angoulaffre. ‘Kijk, Kareltje, net dàt, maar dan ook alléén dàt, kunnen wij niet!’
Het heeft weinig zin op deze bladzijden de rest van de strijd tot in de details te beschrijven, waarde lezer van deze ware kronieken. Uiteindelijk slaagde Roland erin, die zelf al met wonden overdekt was, zijn zwaard zodanig op zijn tegenstander te laten neerkomen, dat die zich niet meer oprichtte. Heel even werd het doodstil en toen, terwijl het tot alle christenen doordrong dat zij aan een groot gevaar waren ontsnapt, barstte het gejuich aan alle kanten los.
Koning Karel begaf zich hoogstpersoonlijk naar Roland, om hem aan zijn vorstelijke borst te drukken.
‘Ik zou je hier graag voor belonen,’ zei hij. ‘Wat wil je hebben? Mijn dankbaarheid kent geen grenzen. Vraag maar wat je wil, al is het de helft van mijn koninkrijk. Welke provincies zal ik je schenken?’
‘Als ik een provincie nodig heb, ga ik die wel veroveren,’ antwoordde Roland.
‘Goed, maar wat wil je dan?’
Aude was net bij Olivier weggegaan, omdat deze haar hulp niet meer nodig had en omdat ze begreep dat de triomf van haar geliefde niet volledig zou zijn als zij die niet met hem deelde. Roland keek haar nu zo veelbetekenend aan, dat Karel zich meteen tot haar oom wendde, Gerard van Wenen.
‘Deze dappere wenst zijn beloning uit jouw handen te ontvangen, Gerard. Wat denk je ervan? Zal je nicht gelukkig worden met mijn vriend en neef Roland? Dan vraag ik u namens hem haar hand.’
‘Sire,’ zei Gerard, terwijl hij voor de koning knielde, ‘dat is een veel te grote eer!’
‘Aude kan zich inderdaad geen edeler partij wensen dan Roland, die uit mijn koninklijk huis stamt,’ zei Karel. ‘Maar dat is wel in orde. Als we weer in Keulen zijn, zal Turpijn deze twee jongelui in de echt verbinden!’





XI.
Waarin wij kennis maken met Miton en Mita,
de toekomstige ouders van Mitaine.




Het was negen uur, de volgende ochtend. In alle richtingen reden herauten uit, die riepen: ‘Helm op, vizier neer! Laat ons vechten voor de Heer!'
De strijders maakten zich klaar. Dit zou het definitieve gevecht worden tussen Karels ridders en de Saracenen.
De vorige avond had Mita, de zus van Aude, haar geliefde Miton van Rennes bezworen dat hij haar alleen waardig zou zijn als hij ten strijde trok in haar jasje van batist. Niet zwaarder gepantserd dan door dit kostbaar kleed, zou hij haar vandaag het bewijs van zijn moed en genegenheid leveren.
De paarden werden gezadeld, de riemen vastgesjord en men begaf zich naar de beide uiteinden van het strijdperk – de Saracenen naar het zuiden, de christenen naar het noorden.
Karel zocht de koninklijke loge op, met Himiltrude aan zijn zijde. Aude ging zitten op de plaats die gereserveerd was voor de mooiste vrouw uit zijn gevolg, en de leeuw Oghris legde zich aan haar voeten. Hij had de uitdrukking van stomme verbazing in zijn ogen, die ook de blikken van de mannen bezaten die al aan haar voeten hadden gelegen.
De herauten verzochten om stilte en lazen de reglementen voor, en de aanvoerders van de beide ploegen werden naar voor geroepen om het bevel over hun mensen op zich te nemen.
Miton, de graaf van Rennes, reed meteen door naar het midden van het krijt. Zijn nieuwe, nogal modieuze wapenrusting trok de nodige aandacht.
‘Wat krijgen we nu?’ riep Karel uit. ‘Is Miton soms gek geworden? Ze zullen hem afslachten als hij alleen maar dat jasje draagt! Jij daar! Schiet op en zeg hem dat hij het strijdperk verlaat!’
Ogier de Deen snelde al naar voor, maar Turpijn die door de geliefden in vertrouwen was genomen, hield hem tegen.
Hij wendde zich tot Karel en zei: ‘Neem me niet kwalijk, sire, dat ik de uitvoering van uw bevel even ophoud, maar Miton komt een gelofte na die hij gisteravond heeft gedaan. Het zal u helaas niet lukken hem de strijd te verbieden. Alleen de hemel kan hem nu nog beschermen.’
De ernstige blik van de bisschop zocht Mita’s smekende ogen, die evenwel deemoedig naar de grond keken.
Aude begreep het en kwam tussenbeide. ‘Sire! U kunt toch niet toestaan dat die dappere ridder zou sterven om…?’
Karel schudde meewarig zijn gekroonde hoofd. ‘Ik ken Miton. Als hij zich iets in het hoofd heeft gehaald, haal zelfs ik er dat niet meer uit.’
Vervolgens wendde hij zich naar de zetels van de hofdames en sprak: ‘Ik heb een wrede vijand onder u, dames, die een van mijn dapperste ridders blijkbaar graag de dood instuurt. Kom, laten we bidden voor de doden, en dan vooral voor het slachtoffer van deze meedogenloze schone.’
En allen verhieven zich van hun plaats en herhaalden mompelend wat hen door Turpijn werd voorgebeden.
Toen wreef Karel zich vergenoegd in de handen en gaf het teken om met de kamp te beginnen.

Er waren honderd ruiters in het veld, vijftig aan elke kant, en op een enkeling na waren zij allen tot de tanden bewapend en zeer zwaar gepantserd.
‘Val aan!’ riepen de herauten.
‘Allah Akhbar! Allah is groot!’ schreeuwden de Saracenen.
‘St. Denis! Montjoie! Montjoie!’ riepen de ridders, en daar stoven zij in een vliegende galop op elkaar af, om begeleid door schallende trompetten en Saraceense horens, door roffelende troms en dreunende gongs, te verdwijnen in een geweldige stofwolk.
Een kwartier later bevonden zich nog hooguit veertig min of meer levende krijgers in het strijdperk, waarvan iets meer dan de helft uit Saracenen bestond.
Miton had een vinnige tegenstander gevonden in Garlan, die een hoge functie bekleedde in Valencia. Zijn zwaard had de helm van Garlan al gespleten en zou ook zijn schedel gekliefd hebben, als zijn tulband dit niet verhinderd had. Garlan had dan weer het schild van Miton versplinterd en zijn jasje van batist raakte door steeds meer bloedvlekken ontsierd.
Miton zag het aantal van zijn medestrijders alsmaar kleiner worden en wilde zijn man tegen man gevecht zo kort mogelijk houden. Hij greep hem dan ook bij de kraag van zijn kuras en slingerde hem eenvoudig over de afrastering.
Dit bracht Cha’chaân el Da’djah, de emir van Toledo, op het idee zijn vriend Garlan te wreken. Hij bulderde een strijdkreet en reed in volle vaart op Miton af, slingerend met een enorme vleugel met zeven kettingen.
De emir van Toledo – het zou te veel eer zijn als ik de naam van die ongelovige hond hier nog eens herhaalde – miste Miton op een haar na. Miton van zijn kant pakte de emir wel bij een been, trok hem van zijn paard, zwaaide hem in het rond en legde op die wijze een aantal tegenstanders neer.
Na een tijdje was de wapenrusting van de emir herleid tot enige rammelende stoffelijke resten en kon hij niet langer dienst doen als wapen. Net op het moment dat Miton hem bij Garlan gooide, over de afrastering, werd hij aangevallen door de koning van Marokko. Het kostte hem een diepe wond in zijn linkerarm, van zijn pols tot zijn elleboog.
Mita slaakte een kreet alsof ze zelf gewond was en verborg haar gezicht in haar handen.
‘Kijk eens hoezeer die kleine Mita meeleeft met die arme Miton, sire,’ zei Himiltrude.
‘Als mannen het zwaard voeren, moeten vrouwen hun mond houden,’ antwoordde Karel geërgerd, want hij hield er niet van dat zijn aandacht werd afgeleid van een kamp, en hij draaide zijn gade demonstratief de rug toe.
De koning van Marokko wist van geen ophouden, maar Miton vond het nu stilaan welletjes geweest, want hij voelde zijn krachten afnemen. Gelukkig werd net op dat ogenblik het hoofd van de gouverneur van Carthago met zoveel kracht afgeslagen – in het gedrang kon niemand zien wie verantwoordelijk was voor de schitterende houw – dat het afketste op dat van de koning van Marokko, die door de knal prompt het bewustzijn verloor, voor de voeten van zijn paard terecht kwam en in zijn zwaard viel.
Dadelijk maakte de dood zich van hem meester. Hij zwaaide nog eens met zijn armen en slaakte toen een zo afschuwelijke kreet, dat zijn ros ervan schrok en zich tegen de omheining te pletter liep.
Met een gezicht dat straalde van vreugde en voldoening sprong Karel overeind.
‘Ogier!’ riep hij. ‘Ga kijken hoe het met Miton gesteld is en zeg hem vast hoezeer ik hem waardeer. En ik lijk hier lang niet de enige te zijn!’
Terwijl Ogier de Deen zich van zijn taak kweet, richtte Karel zich tot Mita en sprak: ‘Je hebt levensgevaarlijke grillen, kleintje. Deze keer is alles goed afgelopen, maar je moet me wel beloven de duivel niet een tweede keer uit te dagen.’
Mita wierp zich aan Karels voeten en kuste zwijgend zijn handen.
En Karel?
Hij glimlachte ondeugend. ‘Kom, staat u op, gravin van Rennes,’ zei hij.

De gewonden werden verpleegd, en de Saracenen onder hen werden daarna volgens de regels van de christelijke kunst gedoopt. De doden kregen allen een christelijke begrafenis, ook de Saracenen. Het waren er drieënzestig. Na het toernooi van Fronsac stonden er in het zuiden en in het oosten weer heel wat tronen te huur.
De overlevende Saracenen besloten na rijp beraad dat koning Marsillus onverwijld op de hoogte moest gesteld worden over hun noodlottige avonturen. Niemand voelde er echter veel voor als een onheilsbode voor de koning te verschijnen, en uiteindelijk meenden zij dat het beter was voor hun lichamelijk en geestelijk welzijn als zij afzagen van dit vermetel plan, en zich tot het christendom lieten bekeren.
En zo eindigt dan het prachtige ware verhaal van het toernooi van Fronsac, met een voor iedereen bevredigend slot.

[1] De orgels, niet de kathedralen.
[2] Hij had hem namelijk gekocht.
[3] De ridderorde van de Tempeliers werd pas een paar eeuwen later opgericht, maar dat kon Ganelon natuurlijk niet weten.
[4] Milton van Rennes verwijst hier naar de bloedige slag bij Poitiers, in het Jaar Onzes Heren 732, waar de Saracenen werden verslagen door de beroemde Karel Martel.
[5] Sommige van mijn collega-kroniekschrijvers hebben ook verteld dat Angoulaffre met de Gele Tanden ooit Italië heeft bezocht. Op een avond in Pisa, na overmatig drankgebruik, zou hij tegen de bekende toren aan geleund hebben, die niet in staat was zijn gewicht te dragen. Vanaf dat moment zou de toren uit het lood gaan hangen zijn. Maar dit alles berust op een vergissing, die ik hierbij kan rechtzetten. Met de bouw van de Scheve Toren werd pas in 1174 begonnen en hij werd pas tegen het midden van de veertiende eeuw voltooid.
[6] Zelfs niet in een voetnoot.

Karel de Grote & Co. - Deel 2: Het beleg van Saragossa (eerder verschenen als "Een lek in de hel")




I.
Hoe de Croquemitaine aan zijn naam kwam.




In het begin van het Jaar Onzes Heren 770 was koning Karel in Worms, waar Miton van Rennes en zijn Mita in het huwelijk traden. Dit had het voor de hand liggende gevolg dat enkele maanden later een kindje geboren werd, een meisje dat zij Mitaine noemden. Mitaine was een zacht engeltje met zwarte ogen en lokken zo goud als het aureool om het hoofd van een heilige.
Op een goede dag zag Karel het kindje in de armen van haar moeder, en omdat hij haar niet herkende, meende hij een visioen te zien: Onze Lieve Vrouw met haar Goddelijke Kleuter.
Het was evenwel de gravin van Rennes maar, met Mitaine.
‘Vrouwe!’ sprak Karel haar toe. ‘De hemel is u voorwaar niet ongenegen! Dit engeltje kan, geloof me vrij, veel geluk brengen aan ieder die het ziet! En als het nog niet gedoopt is, zou ik maar wat graag haar peetvader zijn. Vindt u dat goed?’
Natuurlijk vond Mita dat goed.
Karel nam een handje van het kind in zijn handen en kuste het. Dat bood een tamelijk griezelige aanblik, want bijna het hele armpje verdween in zijn ruige baard en snor.
Opgetogen door het goede voorteken dat hij in deze ontmoeting meende te mogen zien, haastte Karel zich naar de vergadering die hij bijeen had geroepen. Hij voelde zich zo gelukkig en vrij van zorgen, dat hij eindelijk instemde met de bemiddelingspoging van zijn moeder – Berthrade met de Grote Voeten – die al jaren tevergeefs probeerde hem en zijn broer Karloman met elkaar te verzoenen.
In hetzelfde jaar schonk Karels gemalin Himiltrude het leven aan een zoon, die een allerliefste snoet had, maar helaas een misvormd lichaam. Karel noemde hem Pepijn, maar de mensen gaven hem de bijnaam ‘de Bochel’. De koning was niet erg enthousiast over zijn zoon en erfgenaam en hij besloot zich dan ook van Himiltrude te laten scheiden.
Aude en Roland daarentegen, waren nog altijd niet getrouwd. Door zijn eigen ervaringen was Karel niet meteen een groot voorstander van het huwelijk, en toen Roland er bij hem op aandrong eindelijk met Aude te mogen trouwen, antwoordde hij: ‘Waarom al die haast? Je hebt nog maar net een baard en je wil nu al aan het hoofd van een heel bedrijf staan? Bovendien vecht een man met vrouw en kinderen niet half zo goed als één zonder. Zanik er dus voorlopig niet meer over. Jullie zijn allebei nog jong, jong genoeg in ieder geval om te wachten.’
Berthrade met de Grote Voeten, die over haar schoondochter net zo dacht als Karel over zijn vrouw, reisde naar Lombardije om voor een nieuwe partij te zorgen. Ze keerde spoedig terug met Desiderade, de dochter van de koning van Lombardije.
Karel verzoende zich met Karloman, maar in december 771 overleed zijn broer. Gerberge, een zus van Desiderade, was ondertussen ook getrouwd met Karloman en mocht zich dus al weduwe noemen. Ze stelde alles in het werk om de troon van Karloman voor zichzelf en haar kinderen op te eisen, maar zo had Karel het niet begrepen en uiteindelijk nam ze met haar kroost en enkele bedienden de benen en keerde ze terug naar het hof van haar vader.
Karel was nu de enige vorst der Franken, en iedereen noemde hem voortaan Karel de Grote.
De keuze die Berthrade voor haar zoon gemaakt had, bleek inmiddels geen echt goede geweest te zijn. Desiderade was allerminst een sprankelende verschijning aan het Frankische hof en dus besloot Karel haar te verstoten.
In die omstandigheden kwam Roland opnieuw aanzetten met de vraag om te mogen trouwen met Aude.
‘Ergens in Saksen vereren ze een afgod die de naam Irminsul draagt,’ antwoordde Karel. ‘Ik heb me voorgenomen die goddeloze Saksen eens een lesje te leren, en ik heb daarbij je hulp nodig. Als we weer terug zijn, wil ik graag nog eens met je praten over die trouwerij.’
In het vroege voorjaar van 772 verzamelde Karel de Grote zijn edelen om zich heen te Worms. Hij plaatste zich aan het hoofd van de stoet en gezamenlijk trokken ze Saksen binnen. Ze verdreven de vreemde stammen die het land bezet hielden, dat ze vervolgens geheel verwoestten, en ze vernietigden daarbij ook de afgoden die ze op hun pad vonden.
Toen die campagne tot een goed einde was gebracht, nam Karel zich voor een derde keer in het huwelijk te treden. Voor Roland was dit een goede aanleiding om hem nogmaals te spreken over zijn plannen met Aude.
‘Sire, ik kom u herinneren aan de belofte die u mij gedaan hebt na mijn overwinning op Angoulaffre,’ begon hij.
Karel krabde zich in zijn baard. ‘En die was?’
‘Dat ik mocht trouwen met Aude.’
‘O ja.’
‘U wilde echter eerst dat ik met u mee ging naar Saksen. Niemand kan ontkennen dat ik daar niet mijn uiterste best heb gedaan.’
‘Zeker, zeker,’ knikte Karel.
‘Herhaaldelijk hebt u zich als een groot tegenstander van het huwelijk uitgesproken,’ ging Roland verder, ‘maar ik meen te mogen aannemen dat u daar nu anders over denkt, aangezien u er al voor de derde keer mee wil beginnen. Ik ben uw neef. Ik heb u steeds trouw gediend. Zou u dan nu mijn trouwdag willen bepalen?’
Karel had een goeie dag en barstte uit in een bulderende schaterlach.
‘Bij mijn baard en scepter!’ lachte hij. ‘Deze knaap denkt mij de les te moeten lezen! Zeg vechtersbaas, heb ik je niet graaf van Mans gemaakt en tot mijn paladijn verkozen? Heb ik je niet Bretagne gegeven? Moet ik je nu ook nog belonen voor de klappen die je hebt uitgedeeld om je eigen hachje te redden? Nee beste neef, mij kun je niet zomaar naar je hand zetten. Trouwens, ik moet straks, na mijn huwelijk, nog op reis naar Lombardije. En jij moet me vergezellen. Als we terug zijn, zullen we wel verder zien.’
Nog in het jaar 772 viel de koning van Lombardije, aan het hoofd van tienduizend lansknechten, de Heilige Stad Rome aan. De paus liet zich echter niet van zijn stuk brengen, sloot de poorten van de stad, onderzocht nauwkeurig de muren op zwakke plekken en bezette ze met troepen die liever tussen de ruïnes omkwamen dan zich over te geven. Daarna zond hij enkele bisschoppen naar Karel de Grote om hem eraan te herinneren dat het zijn plicht was de kerk te verdedigen.
Karel de Grote aanvaardde graag de kans die de Voorzienigheid hem schonk om af te rekenen met zijn vroegere schoonvader, de koning van Lombardije. Hij stuurde een leger naar de vlakte van de Po en zette zich zelf aan het hoofd van een ander leger dat naar de Mont Cenis trok.
De Lombarden deden vergeefse pogingen om de bergpassen te verdedigen en zochten ten slotte hun toevlucht binnen de muren van Pavia, een stad die ik hier zonder overdrijven een onneembare vesting zou noemen, indien niet alle onneembaar genoemde vestingen in die dagen voortdurend werden ingenomen.
Karel liet zijn leger achter voor Pavia en reisde door naar Rome, waar hij toegejuicht werd als de grote bevrijder die hij natuurlijk ook was. Bij wijze van dank kreeg hij van de paus de meest verstrekkende bevoegdheden en privileges.
Tijdens zijn verblijf in Rome hoorde de koning dat zowel de bezetters als de inwoners van Pavia geteisterd werden door een verschrikkelijke hongersnood. Iedere dag stierven er honderden mensen, maar de stad weigerde zich over te geven. Nu was Karel een kerel die vond dat een karwei niet te lang mocht duren, en dus keerde hij terug naar Pavia om zijn troepen daar in hoogsteigen persoon aan te voeren. Na een paar dagen had Karel de Grote de koning van Lombardije al zover dat hij voor zijn nieuwe heer knielde met as op zijn hoofd. Daarna verdween hij in het klooster en werd Lombardije het eigendom van de kroon van Frankrijk.
Aude en Mita hadden zich inmiddels naar Parijs begeven, waar zij in angstige spanning wachtten op de terugkeer van Roland en Miton. In Parijs schonk Mita – of was het Aude? - het leven aan een onvoorstelbaar mooi jongetje. Mitis – want zo werd dit jongetje genoemd – werd begroet als het zoontje van Miton en Mita, maar kwatongen beweerden dat het in werkelijkheid een spruit was van Roland en Aude.
Nooit heeft een baby zo veel aandacht heeft gekregen als deze Mitis. Niets was te goed voor hem. De beide vrouwen bleven maar plannen voor hem maken.
Op een kwade dag droegen huilende bedienden evenwel het lijkje van het kind de kamer van de vrouwen binnen. Ze vertelden dat een ridder met een neergeslagen vizier hen had overvallen, het kind uit hun armen had gerukt en toen in volle galop naar de dichtstbijzijnde rivier was gesneld, waar hij de jongen in het water had gegooid.
Geruime tijd leken de beide zusters een stel idiote vrouwen, zo buitensporig waren de uitingen van smart waaraan zij zich overleverden. En opnieuw vroeg men zich af wie van hun beiden nu eigenlijk de moeder van het vermoorde kind was.
Overigens mag ik hier ook niet verzwijgen dat Ganelon op de dag van de moord eveneens in Parijs verbleef…
Maar goed, genoeg geroddeld. In 775 sloeg Karel nog een opstand van de Saksen neer en beviel Hildegarde, zijn derde vrouw, van een dochter die men Rotrude noemde. Hij was zo met deze dochter in zijn schik, dat Roland een nieuwe poging waagde om de koning te spreken over zijn trouwplannen. Karel beloofde hem dat hij binnen de maand getrouwd zou zijn, maar vijf dagen later moesten ze weer vertrekken om een nieuwe aanval op Rome af te slaan.
Terug in Worms, bleken de Saksen alweer de oevers van de Rijn te bestoken.
Roland zuchtte diep, toen hij dit nieuws vernam. ‘Aude,’ zuchtte hij. ‘Mijn lieve Aude! Zullen wij dan pas in de hemel samen mogen zijn? Als dat zo was, dan zou ik mij haasten om in het volgende gevecht gedood te worden!’
Twee jaar lang deed Karel niets anders dan de Rijn oversteken, in beide richtingen, om Saksen onder de voet te lopen, hun onderwerping af te dwingen en gijzelaars mee te voeren.
In 777 liet hij een boel Saksen dopen in Paderborn. Hildegarde had hem net een zoon geschonken, Karloman. Aude was bekoorlijker dan ooit. Het dochtertje van Miton en Mita, Mitaine, was acht jaar oud. Oghris werd al helemaal grijs en slaagde er niet meer in binnen de tien minuten een halve os te verorberen. Zijn klauwen waren echter nog even scherp.
Zijn liefde voor Aude was niet bekoeld, maar werd nu gedeeld met zijn liefde voor Mitaine. Men had wel eens geprobeerd Mitaine van Oghris te scheiden, maar het dier was toen zo mager geworden en het kind zo verdrietig, dat men van dat voornemen had afgezien.
Karels petekind was al eerder het doelwit van moordenaars geweest, en men was bang dat haar hetzelfde lot beschoren zou zijn als haar kleine broertje. Oghris was echter altijd in de buurt en daagde er een moordenaar op, dan moest die de benen nemen, indien hij niet ter plekke zijn hoofd of een minder belangrijk lichaamsdeel wilde verliezen.
Karel de Grote werd woedend toen hij over de aanslagen op het leven van zijn petekind hoorde.
‘Wie een vinger naar Mitaine durft uitsteken, krijgt met mij te maken!’
Hij ondervroeg ook Mitaine zelf over de aanslagen op haar leven. Had zij dan geen enkele aanwijzing?
‘Nee,’ zei ze. ‘Het monster komt en gaat… Het verdwijnt als bij toverslag.’
‘Zal ik jou eens wat vertellen, Mitaine? Wat het ook is, een boze fee of een menseneter, ik zweer het je… ik zal het ophangen, radbraken, vierendelen en daarna levend villen!’
Karel de Grote brak zich vruchteloos het hoofd over een passende naam voor dit monster. Het was Mitaine zelf die hem een goed idee aan de hand deed: ‘Laten we hem de Croquemitaine[1] noemen!’
En zo geschiedde.




II.
Waarin Mitaine page wordt.



Er bestaat een ware kroniek die ik heb ontdekt en die bijgevolg alleen aan mij bekend is. In dat werk van mijn collega-kroniekschrijver staat onder meer te lezen dat Karel de Grote stapelgek was op kinderen.
Voor zijn pure genoegen verzamelde hij eens in Paderborn een paar honderd stuks en richtte zich tot hen met de volgende woorden: ‘Vanaf nu zijn jullie hier de baas. Al mijn personeel staat tot jullie dienst. Vertrap de bloemperken in de tuin en mijn tuinmannen zullen jullie helpen. Bedenk een banket, kolossaal genoeg dat zelfs mijn goede vriend Guy van Bourgondië zou sterven aan een indigestie, en mijn koks zullen jullie blind gehoorzamen. Snuffel in mijn boeken, trek ze maar aan stukken en sla gerust de zilveren snaren van de harp van de koningin. Geef bevelen, kaffer uit, roof en plunder naar hartelust… want er is slechts één ding dat ik jullie verbied: dat jullie ook maar heel even iemand niét voor de voeten zouden lopen! Is dat begrepen?’
Zijn toespraak ontketende enig wild enthousiasme. Dadelijk begon het jonge zootje ongeregeld het paleis te plunderen. Dronken van vrijheid fladderden de dreumesen als gek geworden vlinders van wandtapijten (die ze van de wand trokken) naar vogelkooien (die ze openbraken). Ze gooiden dure beelden op de stenen en haalden kasten overhoop, tot ze een uur later al niets meer konden vinden om zich mee te vermaken.
Moe en verveeld verspreidden ze zich over het hele paleis, om ten slotte – onder aanvoering van Mitaine – hun beklag te doen bij de koning.
‘Peetvader,’ sprak het kleine meisje, ‘we weten niet meer wat te spelen. We hebben ons nog nooit zo verveeld!’
‘Tsja,’ lachte Karel in zijn baard. ‘Niet alleen in een oorlog, maar ook in het spel loopt alles fout zonder goede aanvoerder. Hebben jullie al een generaal gekozen?’
‘Nee,’ zei Mitaine.
‘Dan zal ik jullie een generaal aanwijzen. Beloven jullie me hem onvoorwaardelijk te gehoorzamen?’
Iedereen beloofde het.
Karel pikte de grootste jongen uit de troep – een blond kind van een jaar of twaalf. Hij pakte hem vriendelijk bij zijn oor en stelde hem voor aan zijn onderdanen.
‘Dit is vanaf nu jullie generaal!’
Het voorstel van Karel de Grote werd begroet met opgewonden handgeklap.
‘Wil je een goeie raad van me aannemen, generaal?’
‘Dat weet ik nog niet, broer,’ sprak de kersverse generaal trots. ‘Maar laat maar eens horen.’
‘Wil je regeren zonder moeilijkheden en wil je slapen zonder bang te hoeven zijn voor nare dromen?’
‘Mmm… Dat lijkt me niet gek.’
‘Doe dan je best om je bij je mensen geliefd te maken!’ zei Karel de Grote.
‘Ik zal mijn best doen,’ antwoordde de jongen, en hij gaf één van zijn onderdanen die wel erg ongedwongen op zijn schouders rustte een oplawaai van jewelste.
Daarop trok Karel de Grote zich tevreden terug in zijn studeervertrek om verder te werken aan een of ander wetboek.
Die avond nam hij Miton even terzijde. ‘Ik heb die Mitaine van jou vandaag gezien en volgens mij is ze niet geboren om lang een rok te dragen,’ zei hij. ‘Ik denk dat het hanteren van het zwaard haar beter ligt dan het gebruik van de naald. Sta haar aan mij af als page en ik zorg ervoor dat ze wordt opgevoed als een heuse ridder. In dat geval hoeven we ook niet bang meer te zijn voor sluipmoordenaars.’
Miton vond dat een zeer wijs idee, en de volgende dag nam Mitaine, gekleed als een jongen, haar plaats in tussen de pages van Karel de Grote.




III.
Waarin Karel de Grote in Paderborn
bezocht wordt door een visioen.



Als Karel rust nam, dan deed hij dat alleen maar om anderen even de gelegenheid te geven uit te blazen. Uit de kronieken van mijn collega-kroniekschrijvers weten we dat hij soms wel vier of vijf keer zijn slaap onderbrak om op te staan, zich aan te kleden en enige zaakjes af te handelen. In Paderborn had hij een kamer op het gelijkvloers en vaak liep hij naar buiten om zich, helemaal in z’n eentje, over te geven aan het soort vorstelijke dromerijen dat alleen grote vorsten dromen.
Op een prachtige lentenacht zag hij aan de hemel iets dat op een geweldige heerbaan leek. De weg was met sterren geplaveid en liep van de Oostfriese kust over Duitsland, Aquitanië, Gascogne en Navarre om ten slotte te verdwijnen over de Galicische grens.
Geleidelijk begonnen er zich op de weg lichtgevende figuren af te tekenen, die steeds groter werden en van vorm leken te veranderen. Ze bewogen zich allemaal in dezelfde richting, van noordoost naar zuidwest, en weldra zag hij dat er zich langs de hemel een menigte krijgers voortspoedde.
Het schijnsel van de maan op hun wapenrusting had hij voor sterren gehouden, en de ene troep volgde op de andere, meer dan een uur lang. Paarden, zo vurig als hij nog nooit had gezien, galoppeerden langs de wolken. Hun hoeven lieten een regen van vonken achter.
Daarna werd alles weer even stil en donker als voordien. Karel richtte, in gedachten verzonken, zijn blik weer naar de aarde – maar wat hij toen zag, deed het bloed in zijn aderen stollen.
Een gedaante van een bovennatuurlijke macht en pracht naderde stralend door het donkere park. De lucht werd zwaar van de verrukkelijkste geuren en toen de gedaante begon te spreken, werden de nachtegalen tot zwijgen gebracht. In elkaar gedoken op hun takken, bleven ze eerbiedig luisteren.
‘Mijn zoon,’ zei de gedaante. ‘Waarom heb je mij vergeten?’
‘Best mogelijk dat ik u ben vergeten,’ sprak Karel. ‘Maar dan zult u mij toch eerst moeten vertellen wie u bent.’
‘Ik ben Sint Jacob, de apostel.’
‘Als het zo zit…’ mompelde Karel, en hij liet zich prompt op zijn knieën vallen.
‘Je hebt mij aangeroepen bij het toernooi te Fronsac, en je hebt mij toen een kapel beloofd in ruil voor het leven van Olivier de Dappere. Ik heb je smeekbede verhoord: Olivier leeft nog. Maar er zijn nu negen jaar voorbijgegaan en nog steeds rust mijn gebeente in het godvergeten Galicië, dat door de christenen werd prijsgegeven aan de Saracenen. Je hebt je legers naar de kusten van het Romeinse rijk doen trekken, naar de oceaan en naar Friesland. Maar één stuk van Europa heb je nog steeds niet bezocht: het land waar mijn beenderen rusten. Nochtans heb je gezworen daarheen te zullen trekken, te mijner ere! Als God jou tot de machtigste onder de groten der aarde heeft gemaakt, dan heeft Hij dat gedaan opdat je zijn plannen zou uitvoeren! Sta dus op en red mijn stoffelijke resten uit de handen der heidenen! Baan de weg voor de pelgrims naar mijn graf! Bewapen je dappere Franken, Lombarden en Saksen en trek naar het land van de Saracenen, naar Spanje! Ik zal met jou zijn in het gevaar, en als het God behaagt, kun je op mij rekenen om je recht naar de hemel te voeren!’
Als bij toverslag loste de gedaante op in het niets. Toen Roland hem twee uur later kwam zoeken, vond hij zijn koning nog steeds op zijn knieën in het park, biddend, en de ogen vol tranen.




IV.
Waarin koning Marsillus in Saragossa
eveneens bezocht wordt een een visioen.




Ongeveer in dezelfde periode kreeg koning Marsillus in Saragossa eveneens een visioen.
Mag ik u dus uitnodigen, waarde lezer van deze ware kronieken, even samen met mij mee te komen naar het lieflijke Spanje – het land van sandelhout, nardus, safraan, ebbenhout en kruidnagel, waar de uitzonderlijkste bloemen[2] en de verrukkelijkste vruchten[3] groeien, zomaar in het wild. Waar de koele beekjes vrolijker babbelen dan elders en, doorschijnend als glas, over kiezels springen die zo helder zijn als kristal of topaas. Waar de weelderigste bomen beschutting bieden aan de heerlijkste zangvogels[4] en de nachten zo prachtig zijn dat het zonde is om naar bed te gaan.
Ah, mocht u op reis gaan naar Spanje, u zou er tuinen vinden als in Perzië, minaretten als in Bagdad, en een hemel zo blauw als nergens ter wereld. U zou er rijkdom, schoonheid en vreugde in overvloed vinden!
Maar helaas, u kunt niet meer op reis naar Spanje, want dat is bezet door de Saracenen.

Koning Marsillus deed zijn middagdutje, op kussens gemaakt van de fijnste stoffen. Het paviljoen waarin hij zich te rusten had gelegd, was van gekleurd ivoor, ingelegd met goud. In het midden verspreidde een fontein een aangename koelte. Wierook, bereid uit de kostbaarste ingrediënten[5], brandde in marmeren schalen en vervulde de lucht met een zoete geur.
Maar opeens werd het schitterende daglicht vaal en gauw. Een tocht als uit een grafkamer verdreef de koelte en de lijkenlucht deed de bloemen verwelken. Een skelet, gekleed in kleurrijke gewaden, nam plaats naast de koning van Saragossa.
De koning deed, misselijk geworden door de stank, zijn ogen open en kneep ze vervolgens weer vol afgrijzen dicht.
‘Vader,’ zei het skelet. ‘Kent u mij niet meer?’
Marsillus trok voorzichtig één oog open, terwijl hij zich zo ver mogelijk achterover drukte in het kussen en het koude zweet hem uitbrak.
‘Verwelkomt u uw zoon op deze manier? Nadat u hem bijna tien jaar lang niet hebt gezien? Strek toch uw armen naar me uit, want ik snak naar uw omhelzing!’
Marsillus sprong overeind en deed een poging langs het spook naar buiten te vluchten. Tevergeefs… Murad had zijn armen al om hem heen geslagen en drukte hem aan zijn knokig karkas, dat akelig begon te kraken.
‘Laat mij met rust!’ schreeuwde de oude man. ‘Ga weg!’
Maar Murad overdekte het gezicht en de witte haren van zijn vader met kille, klamme kussen…
‘Wat heb ik je misdaan? Wat wil je van me?’
‘Ik wens gewroken te worden! Op Roland van Frankrijk!’
‘Ik zal je wreken, Murad. Dat is beloofd. Maar laat me alleen, als je niet wil dat ik het nu al besterf!’
Met de inzet van al zijn krachten, slaagde Marsillus erin zich uit de omarming van zijn spookachtige zoon te bevrijden. Hij holde naar de andere kant van het vertrek.
Het geraamte nam een peinzende houding aan. ‘Ik kan niet zeggen dat u veel veranderd bent,’ kraste de zo goed als stembandloze stem van Murad. ‘U bent nog dezelfde als die ik negen jaar geleden verliet. U hebt mij gevraagd wat ik van u wilde. Welnu, ik wens dat Roland en zijn vrienden gestraft worden op een wijze die de mensheid nooit meer vergeten zal. U vroeg mij ook wat u mij misdaan hebt. Welnu, ook dat zal ik u vertellen.’
Marsillus klauwde zijn nagels in de muur, als probeerde hij zo een uitweg te vinden.
‘Als kind nam ik, gelukkig voor mij, geen plaats in uw leven in. Maar van het ogenblik af dat u mij leerde kennen als de doder van de leeuwin en haar welpen, begon u mij in de gaten te houden. Onder uw persoonlijk toezicht werd ik opgevoed en als mijn moeder mij niet van tijd tot tijd aan haar borst had gedrukt, zou ik vast en zeker een wild beest geworden zijn in plaats van een man. Ik vergaarde roem en eer en dank zij mijn wonderbaarlijke moed en wijsheid veroverde ik vele koninkrijken voor u. Maar met mijn faam groeide uw afgunst, tot u besloot mij uit de weg te ruimen.’
Marsillus zou dit graag ontkend hebben, maar zijn stem begaf het in zijn droge keel.
‘Van dat ogenblik af moest ik mij tegen wel duizend samenzweringen verdedigen, waarvan ik de oorsprong nimmer vermoedde. Ik overleefde ze wonderlijk genoeg allemaal. Op een dag vonden uw slaven een geweldige slang, weet u nog? Een giftig monster, dat ze onmiddellijk doodden. Het was een wijfje en ze liet twintig jongen na om haar dood te betreuren. U vroeg zich af wat u daar zoal kon mee aanvangen, en toen moest u al gauw denken aan mij. U liet de twintig kleine slangetjes op regelmatige afstanden tussen het nest en mijn kamer deponeren. Zodra het donker geworden was, volgde de vader het spoor van kind tot kind, en buiten zichzelf van razernij bereikte hij het bed waarin ik lag te slapen. Gelukkig waakte Oghris toen nog aan mijn zijde…’
Marsillus zonk op zijn knieën.
‘Ik wil u ook nog herinneren aan het paard dat, met mij op de rug en dol geworden door een of andere giftige drank, bijna in een afgrond stortte,’ ging Murad ongenadig verder. ‘Aan Allah is het te danken dat ik niet mijn tegenwoordigheid van geest verloor, maar het dier zo een stomp achter zijn oor gaf dat het dood neerviel voordat het in de afgrond kon storten.’
Marsillus sloeg zijn handen voor zijn gezicht.
‘Ten slotte besloot u me naar dat Franse toernooi te sturen, waar ik de dood vond. Ik zou u kunnen laten boeten voor uw wandaden, maar ik schenk u vergiffenis. En ik vraag in ruil daarvoor slechts één ding, samen met Angoulaffre en al de andere helden die mijn lot deelden en nu spreken door mijn mond: wij eisen de dood van Roland en alle ridders van Karel van Frankrijk. Zweer dat u ons zult wreken!’
‘Ik zweer het,’ mompelde de oude man.
‘Uw hand erop!’ antwoordde het skelet van Murad, en met uitgestoken hand knarste en kraakte het op zijn vader toe.
Marsillus begon nu zo hard te schreeuwen, dat zijn lijfwachten het paviljoentje binnen kwamen hollen. Ze vonden de koning op de grond, de kleren verfomfaaid, onsamenhangende woorden prevelend.
Dadelijk werden de knapste dokters bij de koning geroepen. Ze waren het er allemaal over eens dat zijne majesteit leed aan hersenkoorts, maar omdat niemand de moed had hem dit te vertellen, werd er ook geen poging ondernomen hem te genezen. En ongetwijfeld was het precies daaraan, dat de vorst zijn herstel te danken had.
Langzaam maar zeker werd Marsillus beter, en een maand later was hij het voorval al zo goed als vergeten.
‘Nog oorlog voeren op mijn leeftijd?’ zei hij bij zichzelf. ‘Wat een onzin! Ik heb het mooiste koninkrijk dat een vorst zich maar kan inbeelden, wat zou ik dan nog oorlog voeren? Ik kijk wel uit! Ik heb een nare droom gehad en ik moet oppassen dat ik niet nog eens uit een nare droom wakker word, door me aan Karels koninkrijk te vergrijpen. Neenee, ga jij maar lekker weer slapen, prins Murad. En laat mij voortaan met rust!’
Maar vanaf dat ogenblik ging er geen nacht voorbij zonder dat Marsillus het bezoek kreeg van zijn zoon. Ten slotte vond de koning dat het genoeg was geweest. Op een nacht besloot hij het spook op te wachten, met het kromzwaard in de hand.
Murad verscheen, zoals gewoonlijk, stipt om middernacht. Met vijf vlugge houwen sloeg zijn vader hem het hoofd, de beide armen en de beide benen af. Maar het hoofd begon nog voor het de grond raakte al bulderend te lachen, terwijl de rechterarm beleefd het kromzwaard oppakte dat Marsillus had laten vallen en hem dit weer aanreikte.
‘Alstublieft, vader!’ bulderde het hoofd. ‘U krijgt dit kromzwaard van me terug. Ik heb het lange tijd niet meer gedragen – sinds ik nog maar zeven was en het wapen van u kreeg, herinnert u het zich nog?’
Nu helemaal ten einde raad nam de koning de resten van zijn zoon op, vouwde ze in een mat en holde er halsoverkop mee de tuin in. Het hoofd bleef ondertussen schaterlachen.
Aan het eind van de tuin groef Marsillus snel zes diepe gaten. In het eerste stopte hij het hoofd, in het tweede en derde gooide hij de armen, in het vierde en vijfde gooide hij de benen en de romp belandde in het zesde gat. Hij wierp er aarde overheen, stampte ze stevig aan en maakte dat hij weer in zijn paleis kwam.
Marsillus kreeg een maand respijt, maar toen – op een mooie lentedag – smeekte de koningin met haar mee te gaan naar het eind van de tuin, waar ze enkele onbekende planten had ontdekt die zo heerlijk geurden, dat het zonde zou zijn er weg te blijven. De koning weigerde zo beslist dat de koningin er nog sterker op aandrong en er voor Marsillus niets anders op zat dan zijn gade haar zin te geven.
Toen hij de plek naderde waar hij Murad had begraven, stolde het bloed in zijn aderen. Er trok een sluier voor zijn ogen en zijn tanden begonnen afschuwelijk te klapperen.
‘Heb je ooit zo een heerlijke geur geroken?’ vroeg de koningin.
De koning ving slechts een doordringende lijkengeur op, die hem weer misselijk maakte. En het ijle gekras dat de koningin niet hoorde, hoorde hij maar al te best…
‘Mijn dood moet gewroken worden!’
Marsillus liet zich op zijn knieën vallen en begon te bidden. Dikke tranen rolden in zijn witte baard.
De volgende morgen maakte hij zijn voornemen bekend Murads dood te zullen wreken.



V.
Waarin koning Karel een bezoek brengt
aan de Spanjaarden.



Twee emirs bezochten Karel in Paderborn.
‘Sire,’ zei de eerste vals. ‘De roep van uw ongeëvenaarde heldendaden heeft zelfs ons bereikt, en wij zijn tot de conclusie gekomen dat iemand die zoveel grote dingen tot stand heeft gebracht een lieveling van de hemel moet zijn. In het geheim hebben wij uw geloof bestudeerd, en we hebben daarin de oorsprong van alle deugd en waarheid gevonden. Nu willen wij christenen worden, en vervolgens nog meer volgelingen winnen, om ten slotte de halve maan uit te roeien, zodat het kruis als een lichtend baken in de wereld zal staan. Bovendien kunnen we u vertellen dat het martelaarschap ons nu al, bij leven en welzijn, niet bespaard is gebleven. Marsillus achtervolgt ons en als wij gevangen worden, zullen wij de vreselijkste folteringen ondergaan. Maar we zijn aan onze beulen kunnen ontkomen, zodat wij ons nu aan de voeten kunnen werpen van de machtigste vorst van de christelijke wereld, om hem te vragen ons te dopen!’
‘Goed gesproken,’ knikte Karel verheugd, waarna hij zich tot de tweede emir wendde. ‘En wat heb jij daaraan toe te voegen, beste kerel?’
‘Majesteit,’ loog de tweede. ‘Marsillus is druk bezig met geheime voorbereidingen voor een Heilige Oorlog. Hij staat klaar om uw rijk binnen te vallen. Het is waar, wij kunnen u niet de gebruikelijke geschenken aanbieden,[6] maar wij hebben iets dat veel kostbaarder is. Wij schenken u… Spanje!’
‘Nou, bedankt hoor,’ zei Karel, diep onder de indruk.
‘Het volk van Hiesca, Valencia en Saragossa geeft zich aan u over. Deze steden zijn ons trouw en ze wachten slechts op ons teken om de halve maan neer te halen en het kruis op te richten. Wij verklaren vanaf nu vazallen te zijn van de Franse kroon en zijn bereid u de enige vier begaanbare passen in de Pyreneeën aan te wijzen: die van Barcelona, Puycerda, Pampeluna en Toulouse. De christenen in Aragon, Castilië en Leonië zijn klaar om in opstand te komen. Een teken van u en ze voegen zich bij uw onoverwinnelijke manschappen!’
Karel drukte de beide emirs aan zijn borst en kuste ze op de wangen. Daarna stelde hij ze voor aan zijn paladijnen en verzocht hen nogmaals hun verhaal te doen voor deze andere groten der aarde.
‘Sint Jacob heeft hen gezonden,’ zei hij tot slot.’Bij de Heilige Maagd, ik zweer dat hij nu niet lang meer zal hoeven te wachten!’
Al gauw konden de emirs uit alle windstreken de troepen zien arriveren, die Karel reeds had opgetrommeld. De emirs hadden een dergelijk groot leger niet verwacht, maar Karel had dan ook nooit zulke gigantische voorbereidingen getroffen als voor deze Spaanse veldtocht.
Tegen het eind van de lente rukte koning Karel op richting Spanje, aan het hoofd van tweehonderdduizend soldaten die op wel honderd verschillende manieren waren uitgerust, omdat ze uit alle hoeken en gaten van Europa waren gekomen met de wapens die ze daar gewend waren te hanteren.
Na de soldaten kwamen de oorlogsmachines – torens, steenwerpers en katapulten. Daarachter reden de paladijnen, de edelen en de ridders, gevolgd door de bisschoppen en de priesters. Toen Karel ten slotte verscheen, in de volle pracht van zijn wapenrusting, begonnen de twee verraderlijke Saracenen te sidderen en te beven.
‘Spanje zal van de kaart geveegd worden,’ zeiden ze met betraande ogen tot elkaar. ‘Welk volk, welke steden, welke burchten kunnen weerstand bieden tegen zo een leger? Een tyfoon van verderf zal de kinderen van de profeet verrassen. Wat zal er nog overeind staan als de storm is gaan liggen? Laten we snel terugkeren naar het land waarin we zijn geboren, om er waardig te sterven!’
De emirs keerden in volle galop terug naar het land waarin ze werden geboren, en stierven waardig, een tijdje later, tijdens het beleg van Saragossa. Maar zo ver zijn we nog niet.
Eerst sloeg Karel het beleg voor Pampeluna. Dat duurde drie maanden en kostte grote verliezen aan beide zijden. Toen gaf de stad zich over en werden honderdduizend Saracenen gedoopt. Zij die bleven volharden in hun dwaling werden gedood.
Nadien trokken de Franken langs de Ebro verder op en belegerden Saragossa. Ook deze stad verzette zich heldhaftig, maar moest zich uiteindelijk gewonnen geven.
Het hele noorden van Spanje werd door Karels legers onder de voet gelopen. Van Catalonië tot Galicië en verder tot de Ebro werd hij door de steden en de bruchten echter veeleer verwelkomd, dan dat hij ze moest veroveren. In Compostela bracht Karel, zoals beloofd, een vroom bezoek aan het graf van Sint Jacob.
Vervolgens begaf de koning zich naar het westen van Spanje, tot Kaap Finisterre, waar hij ontdekte dat het land plots ophield. Hij gooide er zijn speer in zee en keerde terug naar het noorden.
Met het goud dat hij uit Spanje meebracht, herstelde en bouwde koning Karel vele kerken: één ter ere van Onze Lieve Vrouw en Sint Jacob in Aken, een tweede in Béziers, een derde in Toulouse, en een vierde in Parijs, tussen de Seine en Montmartre.



VI.
Waarin Mitaine bij nacht en ontij
nogmaals wordt overvallen
door de Croquemitaine.




Mitaine ging met Karel mee naar Spanje. Ze was nu zo vaardig geworden in het gebruik van het zwaard, dat haar gebrek aan lichaamskracht niet meer opviel. Ze kon uitstekend paardrijden en droeg met gemak het gewicht van maliënkolder, helm en beenplaten. Had ze ook vleugeltjes gehad, men zou haar voorwaar voor één van die gewapende cherubijnen hebben gehouden, die altijd te vinden zijn in de buurt van de aartsengel Michael.
Omdat Karel de aanslagen op haar leven nog niet was vergeten, gaf hij Mitaine het bevel over twintig mannen, onder het voorwendsel dat dit een beloning was voor haar goede diensten. In werkelijkheid omgaf hij haar op deze manier met een heuse lijfwacht.
Deze voorzorgsmaatregel was bepaald niet overstandig, want op een keer maakte Mitaine helemaal alleen een ritje buiten de legerplaats, en verdwaalde ze in een groot bos, waar ze door de nacht werd overvallen. Ze steeg af op een open plek tussen de bomen en besloot daar te wachten tot de volgende morgen. Het was er zo donker dat ze geen hand meer voor de ogen zag.
Mitaine zocht een zacht plekje op het mos en legde zich te rusten. Maar ze sliep slechts met één oog, het andere bleef open.
Het duurde niet lang of de maan rees boven de horizon. Haar licht slaagde er echter nauwelijks in door het dichte gebladerte heen te dringen.
Opeens hoorde Mitaine voetstappen naderen. Onmiddellijk was ze op haar hoede.
Na een poosje stil te hebben liggen luisteren, dacht ze dat het wel haar paard geweest zou zijn, dat op wat dorre takken had getrapt. Maar toen hoorde ze weer een krakend geluid.
Mitaine kon de slaap niet meer vatten. Het was opnieuw doodstil geworden in het woud, en die stilte benauwde haar nu nog meer dan het gekraak voordien.
Ze riep op haar paard: ‘Vaillant!’ riep ze. ‘Vaillant!’
Een ver gehinnik was het antwoord.
Mitaine kwam overeind en liep op haar tenen naar de plek waar ze Vaillant aan een boom had gebonden. Maar het paard was verdwenen.
Onder een andere boom meende ze een menselijke gestalte te ontwaren. Een beetje verder nog één. En nog één. Ze telde er ten slotte acht, die allemaal – in een halve cirkel – op haar toekwamen.
Mitaine trok haar zwaard en vloog op hen af, maar sterke handen grepen haar vast en gooiden haar op de grond. Ze begon te worstelen, te bijten en te slaan.
‘Gebruik jullie wapens!’ hoorde ze een sinistere stem zeggen.
De man bij wie de stem hoorde, scheen slechts een toeschouwer van het gevecht te zijn.
‘Makkelijker gezegd dan gedaan,’ antwoordde een van de schurken. ‘Je kunt hier geen bliksem zien en…’
Mitaine hakte er onvervaard op los.
‘Au!’ gilde iemand. ‘Die meid heeft me ’n oog uitgestoken!’
Door het dolle heen begon de gewonde man in het wilde weg te slaan. Hij raakte daarbij een van zijn kameraden en toen vloog de hele troep elkaar in de haren.
En Mitaine? Zij maakte van de gelegenheid dankbaar gebruik om de benen te nemen.
‘De groeten, Croquemitaine!’ riep ze. ‘Je zult vlug moeten zijn om me nog in te halen!’
Maar in plaats van verder weg te vluchten, klom ze in een boom en verborg zich tussen de takken.
‘Volg haar! Als jullie haar laten lopen, knoop ik jullie op!’
Mitaine hoorde haar vijanden door het kreupelhout kruipen en met de punt van hun zwaard in de hulst prikken. Maar ze verwijderden zich steeds verder van haar, en uiteindelijk was ze alleen achtergebleven. Toch leek het haar het veiligste als ze bleef zitten waar ze zat en zich niet verroerde.
Pas toen de zon opging, klom ze weer naar beneden.
‘Deze keer zal ik je weten te herkennen, meneer Croquemitaine!’ zei het dappere meisje hardop, omdat dappere meisjes in dergelijke omstandigheden nu eenmaal dergelijke dingen plegen te zeggen. ‘Een van je mannetjes is een oog kwijt en ik heb gehoord dat jullie een Westfaals accent hebben! Als Onze Lieve Heer me weer veilig in het kamp terugbrengt, reken er dan maar op dat we je zullen ontmaskeren!’
Daarop knielde Mitaine op het bedauwde mos en deed haar ochtendgebed. Toen ging ze weer op pad, vertrouwend dat de Voorzienigheid haar ditmaal de juiste weg zou wijzen.
Nadat ze ongeveer een uur gelopen had, hoorde ze in de verte geschreeuw en het schallen van een hoorn. Weer klom Mitaine in een boom. Al spoedig zag ze een groepje soldaten naderen. Ze doorzochten de struiken en riepen luid haar naam. Toen herkende ze haar vader, die de speurders aanvoerde. Ze liet zich uit de boom vallen en wierp zich in zijn armen.
Zo ongeveer een minuut hadden Miton en Mitaine alleen maar tijd voor omhelzingen, halve zinnen en uitroepen. Toen slaagde de graaf van Rennes er eindelijk in zijn dochter te vertellen dat Vaillant die nacht alleen was thuisgekomen. Ze waren allemaal heel erg ongerust geweest.
Op weg naar huis vertelde Mitaine aan welke gevaren zij het hoofd had geboden. Ook Karel kreeg haar hele verhaal te horen. Hij luisterde aandachtig, en toen ze uitgesproken was, zei hij tot Miton: ‘Stuur mannen naar alle windstreken en laat ze alle eenogige kerels binnen een straal van tien mijl hier voor mij brengen. Levend of dood, ik wil ze allemaal!’
De volgende ochtend waren er wel veertig eenogige mannen verzameld, die allen geduldig en gelaten wachtten op een inspectie door de koning in eigen persoon. Karel bekeek ze stuk voor stuk heel zorgvuldig. Zij van wie hij dacht dat ze al geruime tijd blind waren en zij die voor de laatste paar dagen een onomstotelijk alibi hadden, zette hij apart. Uiteindelijk bleven er nog een tiental kerels over die stuk voor stuk deel uitmaakten van het gevolg van Ganelon, de graaf van Mainz. Het vreemdste was nog wel dat ze ook allemaal kort geleden aan het rechteroog gewond waren geraakt.
De koning fronste zijn wenkbrauwen en liet Ganelon ontbieden.
‘Zeg eens, vriend,’ sprak hij, ‘kun jij misschien verklaren hoe al je mannen hier gisteren aan een oog blind zijn geworden, en nog wel allemaal aan het rechteroog?’
‘Lijkt me niet zo moeilijk, nee,’ antwoordde Ganelon. ‘Dat komt omdat ik bijziende ben.’
‘Als je met mij een loopje wilt nemen, zul je vroeger moeten opstaan, graaf van Mainz!’ riep Karel woedend uit.
‘Ik zou niet durven,’ zei de graaf. ‘Maar uwe majesteit zal toch zelf moeten toegeven dat hieraan niets onnatuurlijks is. Omdat mijn gezicht maar matig is, ben ik voortdurend op zoek naar middelen om daar verbetering in aan te brengen. Ik heb alle mogelijke geneesmiddelen beproefd, maar hier in dit Frankenrijk vind je blijkbaar alleen kwakzalvers. De ene gaf me een medicijn, een ander sneed mijn aders open, een derde haalde er de duivel bij. Er was er zelfs één die me naar Aken stuurde, naar de geneeskrachtige bronnen…’
‘Over dat water wens ik geen kwaad woord te horen!’ zei Karel, die er herhaaldelijk zijn toevlucht nam om te genezen van allerlei kwaaltjes.
‘Er waren er die de beenderen van Sint Ursula op mijn ogen legden en weer anderen meenden dat ik maar een jaar of vijf in het donker moest zitten. Ik had alle hoop opgegeven, toen ik een Saraceen ontmoette die mij duidelijk maakte dat je je vermogens altijd tot het uiterste moet benutten. Omdat ik slechts een beperkt gezichtsvermogen bezat, dat ik bovendien nog over twee ogen verdeelde, had ik er geen enkel profijt van. Het zou beter zijn als ik één oog had dat evenveel zag als twee, in plaats van twee ogen die niet meer zagen dan één. Hij raadde me dus aan een oog weg te laten nemen. Ik vond dat zijn verklaring getuigde van veel gezond verstand en…’
‘Maar dat zegt toch nog niets over…?’ viel koning Karel hem in de rede.
Ganelon hief zijn hand op. ‘Een ogenblikje, sire! Het mocht dan wel aannemelijk klinken, maar anderzijds was de ingreep toch ook heel ingrijpend. Ik geef graag toe dat ik aarzelde. Hoe gauw doet iemand niet iets dat onherstelbaar is? En toen heb ik dus deze mensen laten komen, die ook allemaal over bijziendheid kloegen. Ik ontdeed hen van hun rechteroog…’
‘En…?’
‘Ze zien nu even goed als u en ik. Of even slecht… In ieder geval, béter zien ze niet.’
‘Bij Sint Jacob!’ snoof Karel de Grote. ‘Weet je wat jij verdient? Dat ik je de beide ogen laat uitsteken, omdat je bij mij durft aankomen met dat soort kolder! Ga onmiddellijk met deze brief naar Aquitanië, waar de lucht geneeskracht bezit voor de ogen! En neem je eenogige soldaten mee, hoor je? Je levert deze brief af bij je vriendje Wolf, en ik verwacht het antwoord per kerende post!’
En met deze woorden draaide Karel de graaf van Mainz de rug toe. Hij vertrok nog dezelfde nacht naar Toulouse.



VII.
Waarin Roland helemaal in zijn eentje
Een bres slaat in de muren van Saragossa.




Je zou haast denken, waarde lezer van deze ware kronieken, dat Roland gedurende die hele Spaanse veldtocht geen klap uitrichtte. Maar niets is minder waar. Zijn aandeel in het beleg van Saragossa bijvoorbeeld, was zonder meer het belangrijkste. Vandaar dat ik hier dan ook een volledig hoofdstuk wens te wijden aan de avonturen die Roland ten deel vielen tijdens het beleg van Saragossa.
Na drie maanden onafgebroken te zijn aangevallen, stond Saragossa nog even stevig op zijn grondvesten als op de eerste dag van het beleg. Nog voor er een bres in de muur was geslagen, waren de katapulten en de steenslingers al onklaar geraakt. De mannen die op ladders de muren beklommen, werden teruggeslagen. Zij die de vesting bestormden, werden met dolken en lansen afgemaakt en in de gracht gegooid. Heel wat soldaten vielen ook in de vlammen, want men had zo lang brandend pek van de muren gegoten, tot zij overdekt waren met een dikke laag asfalt die in hardheid niet voor ijzer moest onderdoen.
Toen raakte het geduld van Roland op. ‘Maak alles klaar voor de bestorming van morgen,’ zei hij tegen Karel. ‘Binnen het uur hebben we een bres.’
En met geen andere wapens dan Durandal en zijn schild, liep hij de drooggelegde gracht in.
‘Waar gaat uw neef heen, sire?’ vroeg Turpijn aan Karel. ‘Heeft hij een slag van de molen gekregen of is hij het leven gewoon moe?’
‘Ik heb er geen flauw idee van, maar binnen het uur zal hij een bres geslagen hebben, beweerde hij.’
‘Als hij dat zegt, zal het wel zo zijn, sire. En ik ben blij toe, want we beginnen hier nu langzamerhand wel een beetje te beschimmelen.’

De Saraceense wachtposten op de muren schonken nauwelijks aandacht aan de eenzame krijger die op de stad afkwam. Maar toen ze plotseling een zwaar gedreun hoorden, keken ze toch even over de rand.
Ver beneden zich zagen ze Roland staan, die met de knop van zijn zwaard onophoudelijk op de muur hamerde.
De Saracenen begonnen te lachen. ‘Zullen we hem een paar keien naar zijn kop gooien?’ stelde er een voor.
‘Wat heeft dat voor zin?’ lachte een andere. ‘Er is toch geen enkele reden om bang voor hem te zijn? Laten we eerst eens kijken wat hij van ons wil.’
Nieuwsgierigheid is evenwel een slechte raadgever, want toen de vier wachtposten zich helemaal blootgaven om Roland beter te kunnen zien, werden zij – en nog wel pal tussen de ogen! – door een pijl getroffen.
Niet allemaal door dezelfde pijl natuurlijk, maar door vier verschillende pijlen, afgeschoten door de pages van Karel de Grote. Het was namelijk toevallig het oefenuurtje van de pages, die zich iedere dag in het boogschieten bekwaamden.
‘Zo, die zullen nu ook wel scheel kijken,’ zei Mitaine tevreden, terwijl ze een nieuwe pijl uit haar koker trok.
Roland had niet in de gaten wat er boven zijn hoofd gebeurd was en ging rustig door met het slopen van de muur. Eindelijk vertoonde zich daar een barstje, en toen dat barstje een heuse scheur werd, kwam er een voldane glimlach om de lippen van de beroemdste paladijn van Karel de Grote.
Het niet aflatende gehamer op de muur begon echter steeds meer de aandacht van de belegerden te trekken. Sommige soldaten, die de schildwachten onbeweeglijk over de muur zagen hangen, waren ook nieuwsgierig geworden naar het schouwspel dat hen zo leek te boeien, daar beneden. Zij gingen eveneens over de muur hangen en werden getroffen door een pijl in het oor – sommigen in het linker-, anderen in het rechteroor.
‘Wat een mooie oorhangers!’ lachte Mitaine.
Ondertussen verdubbelde Roland zijn inspanningen. Een geweldige scheur zorgde nu, wat de muur betrof, al voor enig instortingsgevaar.
Iedere slag met de knop van Durandal deed een hele wijk van Saragossa op zijn grondvesten daveren en koning Marsillus, die in de buurt was, voelde de aarde onder zijn voeten beven.
‘De ellendelingen hebben nieuw oorlogstuig laten aanrukken,’ gromde hij. ‘Waarom heeft niemand mij daarover ingelicht?’
Hier en daar stortte al een huis in, en nog steeds bleef de aarde schudden en beven dat horen en zien verging.
‘Het lijkt me toch geen gewone steenwerper te zijn,’ oordeelde een raadgever van Marsillus.
Een moskee die nog geen honderd passen van Marsillus vandaan stond, zakte met een verschrikkelijk geraas in elkaar. Dit verschrikkelijk geraas werd gevolgd door een zo mogelijk nog verschrikkelijker geraas, dat het bloed in de aderen van Marsillus deed stollen.
Roland had woord gehouden. Hij had, helemaal in zijn eentje, een bres in de muren van Saragossa geslagen.




VIII.
Waarin Roland door de profeet Mohammed
wordt uitgenodigd in het Paradijs
van de Saracenen.




Toen Roland de gracht rond Saragossa inliep om zijn slopingswerk aan te vatten, deed de profeet Mohammed in het Paradijs van de Saracenen net zijn middagdutje.
De eerste klop van Durandal tegen de muur van Saragossa deed hem wakker schrikken.
‘Binnen!’ riep hij ontstemd.
Niemand kon het ongestraft wagen de profeet te storen bij zijn middagdutje!
Toen het kloppen bleef duren, werd Mohammed pas goed boos. Hij riep de engel Namoes bij zich en vroeg wie daar beneden zo een lawaai maakte.
‘O grote profeet!’ zei de hemelse boodschapper. ‘Roland is weer aan de gang! Nu wil hij de muren van Saragossa slopen! Ik maak me werkelijk bezorgd om al uw gelovigen daar.’
‘Bij Allah en bij mezelf!’ donderde Mohammed. ‘Dat moet ik zien!’
De profeet begaf zich naar zijn sterrenwacht en richtte de telescoop op Saragossa.
‘Bij de halve maan en bij mezelf!’ bulderde hij. ‘Dat heb ik nog nooit gezien! Die ongelovige hond heeft het uiterlijk van een halfgod! Ik zou die Roland wel eens van dichterbij willen bekijken!’
De engel Namoes schraapte de keel. ‘Het betaamt een grote profeet niet naar hem toe te gaan, o grote profeet. Maar als ik uw hemelse paard Borak even mag lenen…’
‘Wel ja, doe dat. En vertel die Roland dat het de grote profeet een groot genoegen zou doen hem eens van wat dichterbij te kunnen bekijken.’
Namoes knikte er ging er vandoor, op zoek naar het paard van de profeet, dat weer ergens op de Melkweg liep te grazen.
‘Je hebt nu wel genoeg gevreten, Borak,’ sprak de engel Namoes tot het hemelse paard. ‘Je stopt jezelf maar vol, straks barst je nog. Twintig pond sterren zijn ruim voldoende. Kom, schiet op. We moeten naar de aarde.’
En de engel sprong in het zadel en drukte zijn sporen in de flanken van Borak. Het paard van de profeet zat zo vol, dat het ruim een kwartier duurde voor zij de planeten achter zich gelaten hadden en Namoes afsteeg in de buurt van Saragossa.
De stad was ondertussen al gevallen en geplunderd, en Roland liep zich net af te vragen hoe hij de rest van de avond op een aangename manier kon doorkomen. Misschien moest hij maar eens op bezoek gaan bij zijn verloofde.
De engel naderde hem eerbiedig en sprak: ‘Mijn naam is Namoes. Ik ben de vertrouweling en de afgezant van de profeet Mohammed. Het alziend oog van mijn heer heeft u onder al die christenen hier beneden opgemerkt, en hij zou het zeer op prijs stellen indien u hem met een bezoek wilde vereren. Doe mijn heer, uzelf en mij dus een plezier en volg me.’
‘Ongetwijfeld bewijst uw heer mij een grote eer,’ antwoordde Roland, ‘die vele van mijn strijdmakkers meer verdienen dan ik, maar u moet hem toch mijn verontschuldigingen aanbieden. Zeg hem dat ik heel teruggetrokken leef en dat ik mijn godsdienstige plichten nog moet nakomen. Ik ben nu eenmaal niet zo een gezelschapsmens.’
‘De profeet zal verrast en gekwetst zijn door dit antwoord, heer Roland. En terecht! Waarom vertelt u mij de ware reden van uw weigering niet? Bent u soms bang dat de lieftallige maagden die in zijn Paradijs vertoeven u op het verkeerde pad zouden brengen?’
Roland lachte schamper. ‘Als u Aude had ontmoet, zou dergelijke onzin niet eens bij u opkomen,’ zei hij.
‘Bent u dan bang voor de tocht door de ruimte?’
Roland haalde de schouders op. ‘Vrees is mij volslagen onbekend. Maar ik heb er al zo vaak over horen praten, dat ik er wel eens kennis mee wil maken.’
‘U bent misschien moe, na zo een hele dag beuken?’
Roland verwaardigde zich niet eens op die vraag te antwoorden. Hij knipperde alleen even verstoord met de ogen.
De engel had het eindelijk begrepen. Hij maakte een buiging en liep naar Borak, die een eindje verder stond te schuimbekken en te steigeren, te kauwen op zijn bit en met zijn hoef over de grond te schrapen – het zo goed als goddelijke dier was nogal ongeduldig van aard en het verlangde naar zijn hemelse stal.
Roland kreeg het paard in het oog en zie goedkeurend: ‘Mooi paard.’
Dat was allerminst gelogen. Borak had prachtige benen, was fier en krachtig gebouwd en zijn huid was even glanzend als marmer dat men dagelijks een oliebad geeft. Zijn rusteloze oren bewogen voortdurend, zijn ogen waren groot en vurig, zijn wijdopen gesperde neusgaten bliezen stoom uit.
‘Borak is het lievelingspaard van de profeet,’ zei Namoes trots. ‘Als een eerbewijs aan u heeft hij het mij even in leen gegeven.’
Voor een hoffelijke daad van dat gehalte was Roland niet ongevoelig.
‘Ik zou op een rustiger dier gekomen zijn,’ ging de engel verder, ‘maar de profeet zei dat u de beste ruiter was die hij kende, en dat hij er zeker van was dat u het dier wel in toom zou kunnen houden. Als u er niettemin aan twijfelt, kan ik natuurlijk nog altijd voor een ander transportmiddel zorgen.’
‘Ha!’ antwoordde Roland schamper, en hij sprong in het zadel.
Een ogenblik deinsde Borak terug, maar toen schoot hij als een pijl uit een boog de ruimte in. De engel sloeg zijn vleugels uit en volgde.
Toen Roland over zijn eerste verbazing heen was, bevond hij zich al ter hoogte van het sterrenbeeld Schorpioen.
Tien minuten later hield het paard in en klopte de engel op de grootste van de acht poorten van het Paradijs. De poort ging open en Roland slaakte een kreet van verwondering.
Hij zag bossen voor zich, waarbij de grootste oerwouden die in later tijden ontdekt zouden worden nietige struikgewasjes leken. Hij zag leeuwen, tijgers, slangen en panters die geen andere taak hadden dan tot sieraden van die wouden te dienen. Ze aten dan ook gras in plaats van mensen.
Overal zag Roland steden, opgetrokken uit marmer van het zuiverste wit. Duizenden torenspitsen van zilver zag hij, en even veel of nog meer koepels van goud. Aan de voet van hun muren stroomden rivieren, die de Rijn of de Nijl in het niets deden verzinken.
Een gevleugeld muziekkorps speelde een welkomsthymne.
‘De profeet laat u weten dat hij u tegemoet komt,’ zei de dirigent. ‘Wilt u ons volgen of wacht u liever hier op hem?’
‘Ik volg,’ zei Roland.
Waar hij ook kwam, weken de bossen uiteen om hem doorgang te verlenen. Om zichzelf ervan te overtuigen dat deze waarneming niet op gezichtsbedrog berustte, deed Roland zijn hemelse paard naar een meer in de buurt galopperen. Borak weigerde de sprong over het meer niet, maar het water week eerbiedig terug en zowel man als paard belandden op een grasmat van fluweel.
‘De profeet heeft ervoor gezorgd dat alles hier u eer bewijst,’ verklaarde de engel Namoes. ‘Hij is er zich volkomen van bewust dat u voor niets of niemand uit de weg gaat - niet in het dagelijkse leven, niet op het slagveld en dus evenmin in het Paradijs.’
‘Goed gezien,’ knikte Roland goedkeurend.
Toen zag hij de stoet van de profeet naderen, en hij ging aan de kant van de weg staan om die te laten passeren. Maar voor hij het goed en wel in de gaten had, rees de grond al onder de benen van zijn paard omhoog en weldra bevond hij zich op een heuvel, die een prachtig uitzicht bood op de stoet die voorbij trok. Twee fraaie bomen ontsprongen achter hem, om hem de nodige verkwikkende schaduw te geven.
Ademloos keek Roland toe. Voorop reden duizend ruiters, ieder met een witrode banier en gezeten op een witte hengst. Daarachter kwamen er nog duizend op vossen, en gestoken in een maliënkolder. Vervolgens zag hij tweeduizend Berbers uit de streek van Timboektoe, rijdend op hengsten die even zwart waren als zijzelf. Nadat nog eens drieduizend ruiters, gekleed in slangenvellen en gewapend met pijl en boog voorbij getrokken waren, verloor hij de tel.
Hij zag een heel leger soldaten met speren en knotsen, en duizenden olifanten in rijen van vijfentwintig naast elkaar – de eerste rij wit, de tweede zwart, enzovoort. Elk dier droeg een toren op de rug, waarin twintig gewapende mannen zaten.
Daarop volgden dertig witte olifanten, prachtig uitgedost, die de lievelingsvrouwen van de profeet droegen: een twintigtal stuks op iedere olifant.
Een eindeloze stoet kamelen trok aan Roland voorbij, en iedere kameel was voorzien van een draagstoel waarvan de gordijnen wapperden in de wind. In iedere draagstoel zaten tien wondermooie meisjes, die zich met waaiers vervaardigd uit struisvogelveren koelte toewuifden.
Na de meisjes kwamen wel twintigduizend danseressen in ragfijne sluiers en met blote armen en benen. Hun pols- en enkelbanden schitterden in het zonlicht en lieten een oorstrelend getinkel horen. Die muziek werd begeleid door talloze gitaar-, mandoline- en tamboerijnspelers.
Toen was het eindelijk de beurt aan de profeet zelf. Hij droeg een groene mantel en zat op een verblindend witte schimmel. In feite viel zijn kleding eenvoudig te noemen. Zijn verschijning was dan ook indrukwekkend genoeg.
Aan zijn rechterhand reed zijn grootmeester, aan zijn linkerhand zijn vader Abdallah. Ook zijn neef en trouwste aanhanger Ali was van de partij, en Saïd, zijn aangenomen zoon. Ten slotte wees de engel Roland nog op de vier wijzen van Mekka en een paar honderd andere beroemde lui.
De optocht werd besloten door een slordige honderdduizend gewone ruiters en iedereen stelde zich theatergewijs recht tegenover Roland op.
De profeet Mohammed kwam op de neef van Karel de Grote toe en onmiddellijk liet Roland zich van zijn paard glijden – een gebaar van respect dat hij tegenover oudere heren altijd in acht nam.
‘Moge Allah, die de hemel en de aarde gemaakt heeft en alle dingen die daarop zijn, u zegenen!’ zei de profeet. ‘Ik moet u mijn verontschuldigingen aanbieden voor deze povere ontvangst, maar onze ontmoeting moest op zo een korte termijn voorbereid worden, dat ik slechts de tijd heb gehad een aantal van mijn naaste volgelingen mee te brengen, en de troepen die toevallig net dienst hadden als erewacht. Bovendien leek het me niet verstandig u met te veel pracht en praal tegemoet te treden. Mijn vurigste wens is namelijk vriendschap met u te sluiten.’
Roland trok een bedenkelijk gezicht. De profeet meende dit te moeten toeschrijven aan de hinder die hij van het zonlicht ondervond, en onmiddellijk gebood hij vier engelen een roze sluier voor de zon te hangen, die ook spoedig en in de vorm van een dunne wolk verscheen.
‘Ik aanvaard uw verontschulding,’ antwoordde Roland toen koeltjes. ‘Ook ik dien mij te verontschuldigen. Indien ik hier niet in de passende kledij verschijn, is dat te verklaren door mijn verlangen onmiddellijk gevolg te geven aan uw invitatie. Maar laten we nu ter zake komen: graag zou ik van u horen wat mij de eer van dit onderhoud verschaft. Ik heb namelijk grote haast, ik moet op tijd terug zijn op aarde, want ik heb vannacht nog wacht aan de tent van mijn koning.’
Dat laatste was een leugentje om bestwil. Roland wilde uiteraard zo snel mogelijk naar de tent van Aude.
‘Wees maar niet bang dat u te laat zou komen,’ zei Mohammed echter. ‘Ik heb de zon stilgezet en we hebben dus alle tijd van de wereld. Maar ik zal uw geduld niet langer op de proef stellen. De reden van mijn uitnodiging is deze: wij weten dat de uiteindelijke overwinning in Spanje en de rest van Europa voor ons is. Alleen u staat tussen ons en onze dag van glorie. Wij zullen zegevieren, maar zo lang u leeft, zal dat slechts gebeuren ten koste van verschrikkelijke offers. Nu vraag ik u: waarom zou u nog naar de aarde terugkeren, waar een gewisse dood u wacht? Waarom blijft u niet hier? Ik geef u de heerschappij over het hele rijk dat u hebt gezien, met al zijn schatten, al zijn vrouwen, al zijn krijgers. Alle bewoners van lucht, aarde en water, en ook de sterren die langs de hemel trekken, en al dat is begiftigd met rede en instinct, met geest en stof… het zal u toebehoren en aan u onderworpen zijn. Als de zon u verveelt, laat de maan het dan van haar overnemen. Geef een teken en de rivieren drogen op, zodat u kunt oversteken…’
‘Wat zou ik met dat alles moeten aanvangen,’ vroeg Roland, ‘als er geen vijanden zijn om mijn dapperheid te tonen?’
‘U zult paarden bezitten, sneller dan de wind!’
‘Maar wat heb ik eraan, als ik er nergens mee heen wil gaan?’
‘Kijk eens naar deze meisjes! Mooiere meisjes zult u nergens anders vinden! Kijk eens hoe deze lieve wezentjes smachtend hun armen naar u uitstrekken!’
‘Zij overtuigen mij alleen maar nog meer van de liefde en de schoonheid van Aude,’ sprak Roland.
‘Uw zwaard Durandal, dat op aarde terecht vermaard is, zou met de botte kant van een dolk door de kleinste van onze soldaten in tweeën kunnen geslagen worden!’
‘Jaja, zo is het wel goed,’ viel Roland de profeet in de rede. ‘U moet nu ook niet overdrijven en ik heb u al gezegd dat ik haast heb.’
‘Maar al het land dan, dat ik u aanbied?’
‘Och, wat is een droomwereld vergeleken met het land waar je geboren bent?’
De profeet zuchtte diep. ‘Roland toch… Besef je dan niet dat je Frankrijk nooit meer terug zult zien?’
‘Ik ben een christen, en dan pas een Frank,’ zei Roland. ‘Het vaderland waar ik naar verlang, is de Hemel van de christenen. Die kunt u mij niet afnemen.’
‘Ongelovige hond!’ schreeuwde de profeet nu, en hij trok gefrustreerd aan zijn baard. ‘Ik zal…’
Toen was het geduld van Roland echt wel op. Hij liet Mohammed zijn zin niet meer afmaken, maar wierp hem zijn ijzeren handschoen in het gezicht.
Het ligt niet in mijn vermogen u te vertellen wat er toen precies gebeurde[7]. Het enige wat Roland zich achteraf herinnerde, was dat hij achtervolgd door een stuk of wat djinns en andere boze geesten door de ruimte viel en dat hij voortdurend ijle stemmen hoorde in zijn hoofd: ‘Roland, Roland… Er is nog tijd… Kom tot inkeer, Roland… De grote profeet Mohammed is bereid u alles te vergeven als u tot inkeer komt… Er is nog tijd…’
Roland stoorde zich niet aan de stemmen en viel rustig verder. Hij voelde wel dat zijn wapenrusting steeds warmer begon te worden, en dat baarde hem toch wel enige zorgen. Hij dacht ook aan vallende sterren en vroeg zich af of hij nu in die vorm te zien was in het uitspansel. Misschien waren alle vallende sterren wel vallende ridders?
Even overwoog hij zijn harnas uit te trekken om er niet levend in geroosterd te worden, maar toen bedacht hij zich. Het zou daarbuiten wellicht vrij koud zijn en reumatiek was geen onbekende kwaal in zijn familie. Nee, dan verdiende het toch aanbeveling binnen te blijven en de helse hitte te verduren.
Maar wat was dat nu? Het leek wel of hij niet meer viel, maar heel voorzichtig werd gedragen. Het koor van djinns en boze geesten in zijn oren had hij ook al achter zich gelaten. Het had plaats gemaakt voor de wiekslag van vleugels, vlak bij.
‘We zullen het vanaf nu wat kalmer aan doen,’ zei een stem, eveneens vlak bij, die zo welluidend klonk dat Roland er op slag de brandblaren door vergat die zich op zijn lichaam hadden gevormd, overal waar dat zijn harnas raakte. ‘Het is de aartsengel Michael die nu tot je spreekt, in je hoofd. Onze Lieve Vrouw heeft me gestuurd om je te redden en straks enige balsem te leggen op je brandwonden. Wees maar niet bang…’
‘Ik ben niet bang!’ zei Roland.
‘Je ligt nu al veilig en wel tussen mijn vleugels en je bent zo weer thuis.’
En inderdaad, een paar minuten later lag Roland plotseling weer in zijn tent. Zijn brandwonden waren reeds zo goed als verdwenen.
De ongeruste stem van Miton van Rennes riep zijn naam: ‘Roland! Roland, waar zit je toch?’
‘Hier!’ zei de ridder, en hij stond op. ‘Ik ben hier!’
‘Hoezo? Je bent hier?’ vroeg Miton verbaasd, terwijl hij de tent binnen kwam. ‘Ik heb net je tent verlaten omdat je er niet was, en nu… Waar heb je gezeten? Aude, die weet hoe stipt je bent, merkte op dat je al tien minuten te laat was en toen heeft zij de koning verwittigd en hij heeft overal mannen heen gestuurd om je te zoeken. Maar je ziet zo bleek? Wat is er gebeurd?’
‘Dat vertel ik je later nog wel eens,’ zei Roland, en hij begaf zich op weg naar zijn koning en zijn verloofde, om hen – in die volgorde - te vertellen dat alles in orde was met hem.

[1] Croquemitaine is een onvertaalbare woordspeling. Het betekent zoveel als ‘degene die Mitaine op wil eten’. In het Frankenrijk werd de Croquemitaine al gauw een synoniem voor de Boeman.
[2] Onder meer de roos, de lelie, de chrysant, het margrietje, het weideviooltje, de narcis, de balsemien.
[3] Als daar zijn: de vijg, de druif, de granaatappel, de citroen, de ananas, de olijf, de sinaasappel. [4] Bijvoorbeeld: de pimpelmees, de nachtegaal, de feniks, de tortelduif.
[5] Muskaat, kamfer en rozenolie.
[6] Goud, edelstenen of fraaie koopwaar en goederen, om maar iets te zeggen.
[7] Tot zijn grote spijt kon schrijver dezes niet bij het hier beschrevene aanwezig zijn, en ook geen van zijn collega-kroniekschrijvers was van de partij, zodat wij deze passage ook maar hebben van horen zeggen.