10.10.07

De aanslag op Franz Ferdinand, Serajewo, 1914



Jeugdroman: De automobiel van Franz Ferdinand


1. OLDTIMERS

Hallo! Mijn naam is Marc Mariën en ik moet je een verhaal vertellen. Hoewel je me waarschijnlijk niet zult geloven, zweer ik je dat het echt gebeurd is. Staat er in jouw buurt soms ook niet een of ander spookhuis?
Natuurlijk wel! Iedere buurt, ieder dorp en iedere stad heeft een spookhuis, waarin bij nacht en ontij vreemde dingen gebeuren.
Maar ik dwaal af. Tja, als er straks koude rillingen over je ruggegraat lopen, neem dan maar van me aan dat ik dit verhaal ook niet zonder kippevel vertel.
Het verhaal van de automobiel van Franz Ferdinand begint in feite bij mijn vader. In een sombere bui durft hij zich weleens een 'handelaar in oud ijzer' te noemen. Maar eigenlijk koopt hij oude auto's op. 'Oldtimers' noemen ze die karren. Blijkbaar is het een winstgevend zaakje, want we wonen in een prachtig huis met een enorme tuin en gaan ieder jaar tweemaal met vakantie. In de zomer naar de Azurenkust om te bruinen en in de winter naar Zwitserland om te skiën.


Vader en ik kunnen het uitstekend met elkaar vin­den. We hebben samen nogal wat geheimen en hij neemt me geregeld mee als hij een of andere oldtimer gaat bezichtigen. Ja, we zijn echt dikke vrienden. Mis­schien heeft dat iets te maken met het feit dat ik mijn ma nooit gekend heb. Ik heb enkel een paar foto's van haar, want ze stierf kort nadat ik geboren werd.
Dus hebben we altijd alleen elkaar gehad, vader en ik. En verder heb ik nog een tante, een zus van pa. Soms bekommert ze zich een beetje om ons huishou­den, wat zeker geen overbodige luxe is, aangezien va­der er vaak een troep van maakt. Ze valt best mee, die tante van me. Alleen verdenk, ik haar ervan dat ze het niet erg begrepen heeft op vaders zaakjes. Ik hoorde haar het opkopen van oldtimers eens vergelijken met modelbouw. Alsof het een soort spel is. Mijn pa was echter gelukkig met zijn bedrijfje en met mij. En ik had ook niet te klagen. Tot de automobiel van Franz Ferdinand roet in het eten kwam gooien, na­tuurlijk. Toen is alles veranderd.
Maar goed, zover zijn we nog niet. Ik mag niet op de zaken vooruitlopen.
«Is het niet fantastisch?» hoor ik mijn pa nog uitroe­pen. «Is het niet fantastisch? Van je hobby je beroep kunnen maken?»
En ja, hij heeft gelijk. Vroeger, vóór ik met de auto­mobiel van Franz Ferdinand te maken kreeg, prutste ik ook graag aan auto's, radio's,... Ik wist destijds niet be­ter of ik zou pa op zekere dag in de garage gaan helpen. Oldtimers opkopen, ze een beetje opkalefateren en rij­klaar maken, dan tentoonstellen en voor veel geld ver­kopen aan verzamelaars. Niet dat het mij in de eerste plaats om geld te doen zou zijn, hoor. Geld kon ook pa geen moer schelen. Tot Johnson hem kwam opzoeken, tenminste.
Maar je moet toch ergens van leven, hè? Nou, als je dan van je hobby je werk kunt maken, zit je goed. Nee, mij was het :vooral om de techniek te doen. Om het plezier iets te maken, iets van mij alleen. En ook om de geur van smeerolie en stof.
Bovendien leek pa's manier van werken me heel spannend toe. Je moet maar eens aan een paar onder­delen zien te komen die al jaren niet meer worden ge­maakt. Soms lijk je wel een detective die belast is met een uiterst ingewikkelde zaak!
En het gebeurt geregeld dat je die onderdelen ner­gens meer kunt vinden. In dat geval zit er niets anders op dan ze na te maken. Op dezelfde wijze als men destijds de originele stukken vervaardigde. Dan voel je je een beetje als die grote uitvinders van vroeger. Als kleine jongen droomde ik er reeds van uitvinder te worden. Alleen leek alles al uitgevonden. Toch kreeg ik diep in mij het gevoel dat vader in zijn werkkamer nog altijd dingen aan het uitvinden was, dat zijn werk nog het dichtst in de buurt kwam van wat die grote uit­vinders toentertijd deden. Toen Jim Johnson voor het eerst in ons leven ver­scheen, was ik samen met pa aan het werk in de gara­ge. Ik zat achter het stuur van een T-Ford uit 1916.
Intussen kon ik naar hartelust een Oldsmobile uit 1901 bewonderen, die links van me stond. En een Daimier Benz uit 1902 aan mijn rechterzijde. We werk­ten op dat ogenblik ook nog aan een Rolls Royce 'Silver Ghost' uit 1911. Volgens vader was die een fortuin waard. Een Rolls Royce is altijd een fortuin waard, maar deze het eerste exemplaar met de zogenaam­de 'Silver Lady' als kenteken op de radiatortop. Toen rinkelde de garagebel. Pa liet de spuit vallen, waarmee hij de Daimier Benz net in een fris kleurtje had gezet, en liep naar de poort. Het was een woensdagmiddag kort voor de paasva­kantie, ik herinner het me nog goed. Ik verheugde me op het vooruitzicht een lange namiddag tussen deze au­to's te kunnen doorbrengen. Dat het buiten een prach­tig weertje was en mijn vrienden waarschijnlijk zouden gaan voetballen, kon me geen barst schelen. Ik dook liever onder de motorkap van zo'n oude kar, samen met mijn pa. «Jim Johnson,» hoorde ik de man bij de garagepoort zich voorstellen.
Hij merkte me niet op toen hij de garage binnen­kwam. Ik dook weg achter het stuur van de T-Ford. Iets aan die man beviel me niet. Het had niet meteen met zijn uiterlijk te maken. Hij leek een beetje op een dog, zijn ogen staarden triest de wereld in en zijn stem klonk wat benepen, alsof hij dringend moest.
Nee, ik vond die man onmiddellijk weinig sympa­thiek omdat er een soort... gespannen sfeer om hem heen hing. Om de haverklap veegde hij zweetdruppel­tjes van zijn voorhoofd met een groezelige zakdoek. Hij hijgde veel.
«Betrouwbare kennissen hebben me uw naam ge­noemd,» zei Johnson tegen vader in het Engels. Of lie­ver, in het Amerikaans. «Zin in een klus?»
«Dat hangt ervan af,» hield pa zich op de vlakte. «U moet zich dan wel een paar weken kunnen vrij­maken.»
«Mmmmm...»
«Misschien kunnen we het zaakje verder bespreken in mijn wagen?»
«Waarom kan dat hier niet?»
Johnson loerde schichtig om zich heen, maar glim­lachte dan. Een beetje gemaakt, vond ik.
«Omdat ik met een juweeltje van een oldtimer hier­heen ben gekomen, mister Mariën.»
«Zo?»
«Een Ford V-8 sedan uit '32! En niet zo maar een ou­de Ford! Dé Ford V-8 sedan waarin de beruchte gangsters Bonnie en Clyde door de politie werden doodge­schoten! In mei '34... Eh... Om eerlijk te zijn, het is niet hún Ford, want die werd getroffen door niet minder dan 167 kogels... Bleef niet veel van over... Maar deze Is er in ieder geval een aardig duplicaat van, geloof me.. .» Ik zag vader in tweestrijd staan. Het verhaal van die twee gangsters zou hem wel gestolen kunnen worden, maar rijden in een Ford V-8 sedan... Een echte liefheb­ber van oldtimers liet zo'n kans niet onbenut. Pa keer­de zich dan ook schouderophalend om. Het leek geen ogenblik bij hem op te komen dat Johnson alleen maar een voorwendsel zocht om hem uit zijn garage te krij­gen. Daar zou Johnson geen luistervinken hoeven te vrezen. Daar bevonden zich geen muren die oren had­den. Die kerel was ziekelijk achterdochtig. Of anders voerde hij iets in zijn schild.
«Marc?» Ik kwam te voorschijn.
«Mijn partner,» grinnikte mijn pa. «Kunnen we dit niet onder vier ogen bespreken? Ik
bedoel, die knul...,» protesteerde Johnson. Hij nam me kritisch op en snoof luidruchtig. Nee, ik vond deze Johnson helemaal geen sympathieke kerel.
«Die knul is mijn zoon,» zei vader. «En mijn partner.» Daarmee was voor hem alles gezegd. Ik glunderde. Johnson haalde de schouders op en zuchtte diep. Dan beende hij naar buiten.

2. OP HET DIERENKERKHOF

Er stond inderdaad een prachtige grijsgroene Ford V-8 sedan voor onze garage geparkeerd. Vader en ik zou­den de wagen eerst uitgebreid bewonderd hebben, als tegen het portier geen eigenaardige kerel had geleund. Hij leek wel een uit een weekendfilm weggelopen gang­ster! Dadelijk opende hij het portier voor zijn meester en diens gasten. Pa en ik gingen op de achterbank zitten. Johnson nam voorin plaats, naast de gorilla. Even later zette de wagen zich in beweging. «U kent de Gräf & Stift, neem ik aan?» informeerde Johnson. «Natuurlijk,» antwoordde vader, die meer oog had voor het dashboard van de Ford dan voor Johnson. «Was de lievelingswagen van de Oostenrijkse adel uit de Belle Epoque, hè? Zelf heb ik er nooit één onder handen gehad. Maar ik heb er een paar gezien op ten­toonstellingen en zo. En het merk wordt uitgebreid be­handeld in het eerste het beste naslagwerk.»
Johnson knikte goedkeurend. «Hier rechtsaf, Char­ley!» beval hij de gorilla.
Charley sloeg rechtsaf. Er zat een purperachtig litte­ken op zijn linkerwang en een geweldige bobbel onder zijn linkeroksel. Een holster? «Ik wil zo'n wagen hebben,» zei Johnson. «Aha. En u wilt dat ik er één voor u opsnor?» vroeg pa.
Johnson glimlachte zijn gele paardetanden bloot. «Daar komt het in zekere zin op neer, ja. Maar zó sim­pel is het nu ook weer niet. Ziet u, mister Mariën, ik ben een échte liefhebber. Niet alleen van oldtimers, ook van de menselijke geschiedenis. Ik ben zelfs van mening dat die twee dingen bij elkaar horen. Vindt u ook niet?»
Charley koos een oprit naar de autosnelweg. Oude auto's en geschiedenis, dacht ik. Ja, die hoorden vast en zeker wel bij elkaar. Op school waren wetenschap­pen en geschiedenis de enige vakken die me interes­seerden. Uitvindingen hadden altijd al de loop van de geschiedenis bepaald. En misschien had de uitvinding van de auto de wereld zoals wij die nu kenden nog wel het meest van al bepaald.
Johnson stak een dure sigaar op en blies de blauw­achtige rook zelfgenoegzaam voor zich uit.
«Een auto is een kunstwerk. Right, mister Mariën?» «Right.»
«En een kunstwerk is uniek?»
«Right.»
«Een auto is een versmelting van kunst en geschiede­nis?»
«Zo kunt u het stellen, ja.»
«Daarom zoek ik een unieke oldtimer, mister Mariën. Een versmelting van kunst en geschiedenis.»
Ik voelde me een beetje zenuwachtig worden. Ik be­greep nog altijd niet waar Johnson heen wilde. En ik had hekel aan sigaren.
De Gräf & Stift die ik wil hebben, mister Mariën,
staat op dit ogenblik in een Oostenrijks museum...» Charley hield halt op de pechstrook, maar liet de motor draaien. Aan mijn rechterzijde bevond zich een die­renkerkhof. «Mijn geliefkoosde plekje in uw land,» zuchtte John­son vertederd.
Hij stapte uit. Vader, Charley en ik volgden zijn voor­beeld.
Vrachtwagens denderden log voorbij. Het dierenkerkhof lag er verlaten bij. Verrassend snel liep Johnson de berm af met vader in zijn kielzog.Er zat een gat in de omheining van het dierenkerkhof. Ik vroeg me af of dat gat speciaal door Charley was aan­gebracht, met het oog op de bezoekjes van zijn meester. Eén voor één, ik als laatste, kropen we erdoor. Langzaam liepen we van graf tot graf. Het ene zag er al wat verwaarloosder uit dan het andere. Hoeveel dieren zouden door de auto's, waarvan wij zo hartstochte­lijk hielden, doodgereden zijn?
Hoeveel mensen? Jongens en meisjes zoals ik?
Hier en daar lag er nog een tuiltje bloemen op een
marmeren zerk. Met gebogen hoofd en de handen in de zakken van zijn jas bleef Johnson even staan.
Vaarwel Minouche. Scheefgezakte houten kruisjes, nog met een hals­balldje om, hoewel de hondjes in kwestie niet langer onder een auto zouden lopen.
Voor Pluto De Trouwe - 1973-1985.
Voorzichtig veegde Johnson met zijn dikke worstvin­gers een klad modder van de foto van een papegaai. Voor min erste pappega.
«Wat denkt u, mister Mariën?» informeerde hij. Blijkbaar wist mijn pa evenmin als ikzelf wat hij er­van denken moest. Hij antwoordde dan ook niet.
«Ik bedoel de auto waarin Franz Ferdinand van Oostenrijk in ' 14 te Serajewo werd vermoord. Door een zekere Gavrilo Princip, een Bosniër,» legde Johnson minzaam uit. «Dat... eh, bracht het kruitvat dat Europa in die tijd was tot ontploffing, om het mooi uit te druk­ken. Natuurlijk was de moord op Franz Ferdinand al­leen maar een excuus om de Eerste Wereldoorlog te be­ginnen.» Hij grijnsde onaangenaam. «Die, zoals u weet, miljoenen slachtoffers zou eisen...»
Ik keek naar de graven en hun opschriften. Wij gedenken jou, Blackie.
«Economische en strategische belangen, dáár ging het eigenlijk om,» vervolgde Johnson. «Dáárom vlogen ze elkaar in de haren, niet om de moord op de Oosten­rijkse troonopvolger te wreken. Maar de aanslag op Franz Ferdinand sprak natuurlijk tot de verbeelding van het volk. En, om eerlijk te zijn, ook tot de mijne. Net als de afschuwelijke gevolgen van de oorlog tot mijn verbeelding spreken. Ze hebben mij steeds in ho­ge mate gefascineerd... Mister Mariën, ik wil die Gräf & Stift hebben... Ik móét dat unieke stuk het koste wat het wil hebben... Het enige probleem is dus dat de wagen in Wenen in een museum staat...»
Mina, R./.P.
«U wilt toch niet dat ik de Gräf & Stift ga... stelen?» vroeg vader.
Johnson glimlachte raadselachtig.
«Natuurlijk niet.» Hij overhandigde pa een gekreukte envelop met kof­fievlekken op. Er zat een cheque in.
Hier rust Porky, de liefste poedel van de hele wereld.
«Nee,» zei vader aarzelend. «Dit... Dit kán niet.» Weer dat raadselachtige glimlachje. «De helft vooraf, de andere helft achteraf, mister Mariën.»
Ik struikelde bijna over de laatste rustplaats van Chippie de schildpad.
«Niet doen, pa!» hijgde ik ontsteld.
«Kop dicht!» snauwde Johnson me boos toe. Vader leek hem niet langer te horen. Ik zag dollartekens in zijn ogen verschijnen, zoals je soms in stripver­halen ziet.
«U hoeft niets te stelen, mister Mariën. Dacht u dat ik gek ben? U hoeft alleen maar een... ándere Gräf & Stift te maken die in de plaats van deze in het museum ge­zet kan worden.»
Het werd alsmaar waanzinniger.
«Ik bezit namelijk al een Gräf & Stift uit '14,» ging Johnson verder. «Jammer genoeg niet dé Gräf & Stift, als u begrijpt wat ik bedoel. Uw taak is de wagen zoda­nig te behandelen dat het verschil met die van Franz Ferdinand niet dadelijk opvalt. Laten we zeggen dat de 'vervalste' wagen een aantal routine-inspecties met glans moet kunnen doorstaan. Duidelijk genoeg?» Vader knikte sprakeloos. Was hij zijn verstand verlo­ren? «U rijdt met het duplicaat naar Wenen. Daar neemt u contact op met de chef van de bewakingsdienst van het museum dat bij het slot van Schönbrun hoort. Die kerel is van de zaak op de hoogte. Zijn naam en adres zitten in de envelop met de cheque. Hij zal ervoor zorgen dat het unieke stuk buiten het museum komt, waar u het kunt oppikken. En hij zet het duplicaat dan in het mu­seum. Alles is tot in de puntjes geregeld. Er kan niets verkeerd gaan.»
«Waarom laat u alles niet aan die man over? Waarom hebt u mij nodig?»
«Ten eerste, om het duplicaat te vervaardigen. Het moet een uiterst getrouwe kopie zijn. Ons mannetje in Wenen is niet gek. Als de verwisseling te snel aan het licht komt, hangt hij. Nu blijft hij tot zijn pensioen, vol­gend jaar. Geen overhaast ontslag en zo. Niets ver­dachts. Daarna kan hij gaan rentenieren. Ten tweede hebben we toch nog een tweede man nodig om het du­plicaat naar Wenen en het unieke stuk van Wenen naar Brussel te brengen. Een betrouwbare man die weet dat, als ook die opdracht lukt, nog eens vele dollars wach­ten. Een man ook die wat afweet van het vervoer van wagens, van douaneformaliteiten, noem maar op. Ons kereltje in Wenen kan er onmogelijk een week tussen­uit en bezit die kennis trouwens toch niet. Met andere woorden, u leek mij de meest geschikte persoon. Of vergis ik me?»
«Ik kan er niet bij dat iemand zoveel geld wil beste­den aan... aan een wagen,» mompelde vader.
«Ach, mister Mariën, u kent toch de passie van de échte verzamelaar? Geld wordt onbelangrijk als je een stuk kunt krijgen dat je verzameling vervolledigt en nog meer doet schitteren dan al het geval is. Kijk, ik heb de wagen al waarin John F. Kennedy werd ver­moord. Een poosje geleden kon ik de hand leggen op een rode Plymouth Fury uit '58. Die kreeg een troetel­naampje mee... 'Christine'... Dat zegt u iets, hè? Ik dacht het wel... Ja, het is de wagen die ze in de verfil­ming van Stephen Kings roman gebruikten. Een be­hekste wagen, haha... En dan mogen we ook de kar niet vergeten waarin ik u afhaalde. Jammer genoeg niet de enige echte, want die werd totaal aan flarden ge­schoten en dadelijk op de schroothoop gedumpt. Maar toch eentje van dezelfde serie, zelfde kleur, zelfde alles.. .»
Eigenaardige verzameling, vond ik.
«Dan zwijg ik nog over de minder kostbare en minder beruchte stukken,» vervolgde Johnsen, duidelijk in zijn nopjes. «Maar die Gräf & Stift zou de kroon op mijn levenswerk zetten... Zodoende...»
Pa schudde ongelovig het hoofd.
«Zien we elkaar over een paar weken in uw garage?
Of niet?»
«Nee,» mompelde ik. «Het is niet... niet juist, pa!» «We zien elkaar,» fluisterde vader echter, zonder me aan te kijken.
Hij klonk alsof hij net zijn doodvonnis getekend had. En ik voelde de grond wegzinken onder mijn voeten. Het wás niet juist. Mijn pa wás geen bedrieger. Waarom kon hij deze opdracht niet weigeren? Die Johnson beto­verde hem toch niet, zeker? Ik had vader altijd gekend als een eerlijk man. En nu dit... Het was niet juist! Het strookte niet met wat hij me geleerd had.
«Dan kunt u de evenlop houden,» zei Johnson vrien­delijk.
Vader stak het kostbare pakje in zijn binnenzak. «Veel succes, mister Mariën.»
Ze schudden elkaar de hand en liepen daarna terug
naar de Ford van Bonnie en Clyde. Het was alsof pa plotseling een vreemde voor me geworden was. Tranen sprongen mij in de ogen. Geld, dacht ik. Hoeveel nullen telde die cheque? Hoeveel geld heeft Johnson hem beloofd? Geld, verdomme. Tegenwoordig hoef je over geen magische krachten te beschikken om te kunnen toveren. Tegenwoordig hoef je geen tovenaar te zijn om te kunnen toveren. Je moet alleen maar een zakenman zijn met een dik­ke, zeer dikke portefeuille.

3. WENEN...
...was een stille stad. Vader en ik logeerden in een hotelletje aan de Ringstrasse. De eerste dag in die stad van vergane glorie brachten we door met ruziën en eindeloze wandelingen. Ik wist dat hij nog aarzelde. Ik kende hem door en door. Omdat mijn moeder er niet meer was, hadden we elkaar altijd in vertrouwen genomen. Hij was tegelijk een grote broer en een oudere vriend voor me. Hij had me geleerd wat je wel en niet mocht doen. Nu overtrad hij zijn eigen regels. Wat had Johnson in godsnaam met hem gedaan? Of had de Gräf & Stift hem toen reeds in zijn macht gekregen? Later heb ik daar veel over nagedacht. Wenen was dus een mooie, maar tegelijk een erg dode stad. De mensen leken allemaal zo ongeïnteresseerd. Volgens pa kwam dit doordat er hier al zoveel gebeurd was. De inwoners konden zich nergens meer over verbazen, beweerde hij. «Nou,» antwoordde ik daarop, «jij blijft me anders wél verbazen hoor.» Dan zweeg hij een poosje, tegelijk schuldbewust en boos op me omdat ik hem de waarheid had gezegd. Er waren veel nauwe steegjes in Wenen. De gebou wen rondom de kleine pleintjes waren in verhouding tot hun breedte veel te hoog. Als je op zo'n pleintje stond, was het alsof je je in een kerk bevond. De fonteintjes hadden uitstekend dienst kunnen doen als wijwaterbakken.
Het was overal bijzonder stoffig. De tuinen en stadsparken stonden vol verkleurde en door duiven be­vuilde standbeelden van beroemdheden uit het verleden. Wenen was toen nog de hoofdstad van een machtig rijk. Kunstenaars uit alle delen van de wereld kwa­men hier hun geluk beproeven. We waren in het weekend na de komst van Johnson vertrokken in een vrachtwagen met een overdekte laadbak, die speciaal was gemaakt voor het vervoeren van dure, delicate auto's. De paasvakantie was net aan­gebroken. Ik had vader voortdurend proberen te over­tuigen het toch maar niet te doen.
«Geef die envelop terug!» had ik hem bezworen. «Vergeet het hele geval.»
Maar er was geen houden meer aan. Charley had de dag na onze ontmoeting de Gräf & Stift afgeleverd, die als duplicaat dienst moest doen. Hij
had ook een heleboel documentatie meegebracht en alle materialen die we nodig hadden om de wagen van de gevraagde vermomming te voorzien. Een paar da­gen werkte vader koortsachtig aan de vervalsing. Al­leen. Hij maakte overuren, maar ik was niet te vermur­wen. Halsstarrig weigerde ik hem te helpen. Daarna waren we vertrokken. «Ga je mee?» had hij gevraagd.
Ik had stuurs geknikt. Wat had ik thuis in mijn eentje kunnen doen, hè? Bovendien had ik (tevergeefs) gehoopt hem onderweg nog tot betere gedachten te kunnen brengen. Op die manier waren we in Wenen beland. Al bij al had het vrij prettige vakantie kunnen worden, als ik niet voortdurend met de gedachte aan wat we hier kwamen doen in mijn hoofd had gezeten. Vanuit de verte keken we naar het paleis van Schönbrun dat in 1750 onder de regering van Maria Theresia voltooid was. Daarbij keurde mijn pa het pavilioentje geen blik waardig. «Je moet niet doen alsof,» zei ik. «Dáárvoor zijn we nu helemaal van Brussel naar Wenen komen rijden.»
«We zien wel,» mompelde hij. We gingen naar het Prater, een enorm groengebied
aan de oostzijde van Wenen, tussen de beide armen van de Donau. Eens had dit park dienst gedaan als jachtgebied, maar dan uitsluitend voor de Weense aristocratie. Jozef II opende het in 1766 voor het publiek. De grootste roem verwierf het Prater echter tij­dens de Belle Epoque, aan het eind van de vorige eeuw, toen men de café-chantants daar druk bezocht. We zagen het Reuzenrad dat bijna even oud was als de Eiffeltoren. Als je het mij vraagt, zijn zowel het Reuzenrad als de Eiffeltoren arrtslelijke bouwwerken. ik begrijp niet hoe dergelijke monsterlijke dingen voor teristen kunnen uitgroeien tot het symbool van een land. Maar ja, wie ben ik, hè? Later liepen we dan toch maar naar het paleis van Schönbrun. De hemel was grijs en er woei een kille wind. Binnen kuierden we samen met een groep Japanners door de appartementen die Napoleon Bonaparte er in 1805 en 1809 had betrokken. Ik luisterde welopgevoed naar de gids die afwisselend in het Frans, het Engels en Duits zijn werk deed. Van het Duits snapte ik niet veel, maar de rest kon ik vrij goed volgen. Ik bewonderde mezelf in de twee spiegelzalen, liep door de Chinese zaal die vrolijk schitterde van de oosterse miniaturen, door de Blauwe Salon waar Keizer Karel- de laatste Habsburger - in 1918 afstand had gedaan van de troon, de Lakkamer en de Porseleinka­mer. Maar we waren vooral gekomen voor het bescheiden paviljoentje bij het paleis. Daar bevond zich de verza­meling rijtuigen.
«Een hoogst merkwaardige verzameling!» zei de gids niet zonder reden.
Er stonden rijtuigen die men voor godsdienstige plechtigheden gebruikt had, het rijtuig waarin keizerin Maria Louise op reis was gegaan,... En natuurlijk ook de Gräf & Stift waarin Franz Ferdi­nand van Oostenrijk zijn laatste ritje had gemaakt. Het gebouwtje werd onopvallend bewaakt. Daarna liepen we hongerig naar een ander gebouw in rococostijl. Vroeger was het een kantine voor de sol­daten van de keizerlijke wacht geweest. Nu deed het dienst als restaurant. We aten iets met noedels. Ik merkte dat vader hoogst zenuwachtig was. Nauwelijks had hij zijn bord leeg, of hij stond op.
«Ik ga telefoneren,» mompelde hij. Ik wist met wie. Grün was de naam. Peter Grün.
« Alles is in orde,» fluisterde hij toen hij een vijftal mi­nuten later aan tafel terugkeerde. «We doen het van­nacht.» Hij stak een sigaret op. Zijn bruine nicotine-vingers trilden lichtjes.
«Ik rook te veel,» glimlachte hij. Drinken deed hij anders ook niet matig, stelde ik vast. Hij wenkte namelijk een dienster naderbij om zijn vierde of vijfde glas wijn te bestellen. «Als dit zaakje slaagt,» mompelde hij, «hoeven we ons voor de rest van ons leven geen zorgen meer te ma­ken.» «Dat denk je maar,» knorde ik. «Al eens gehoord van schuldgevoelens? En van een geweten? Wees maar ge­rust dat je er de rest van je leven mee in je maag zult zitten.»
«Stel je niet aan, Marc!»
Ik zei al niets meer. Het had toch geen zin. Maakten wij ons vroeger dan zoveel zorgen? We hadden het toch goed? Die Johnson leek hem wel gehypnotiseerd te hebben. Pa kon aan niets anders meer denken dan aan de Gräf & Stift die hem zoveel dollars zou opleveren. «Geregeld brengen ze de wagens naar een specialist om opgeknapt te worden,» begon hij weer. «Rust roest, zie je. Er moeten al eens banden opgepompt worden en zo. Af en toe gebert het ook eens dat een toerist zijn handen iet kan thuishouden, als je begrijpt wat ik bedoel.» «Hou op, pa! Ik wil het niet horen. Zo word ik nog medeplichtig, verdorie. En ik voel er niets voor om in
een verbeteringsgesticht te belanden! 0 ja, nog iets: denk maar niet dat ik je in de gevangenis kom bezoeken, hè!» Hij sloeg geen acht op me, ging gewoon verder: «Ze
vervoeren de wagens meestal na de openingsuren van het museum. De volgende morgen staan die er al terug, zodat niemand iets hoeft te missen. Net zoals Grün gaat
de conservator volgend jaar met pensioen. Hij trekt zich naar het schijnt niet veel meer aan van zijn werken laat zulke dingen volledig over aan onze vriend... Het is hier trouwens ook crisis, zodat ze met te weinig personeel moeten werken. Dat vormt dus allemaal geen probleem.»
«Bah,»zei ik.
Er viel een gespannen stilte.
«Waar zien jullie elkaar?» vroeg ik toen.
Tja, ik ben nu eenmaal een nieuwsgierig kereltje.
Over de tafel schoof hij een papiertje naar me toe. «Biergasse 27,» las ik.
«Eet op, Marc!»
Ik keek hem ongelovig aan. «Zeg, is dit soms een spionagefilm?»
«Je noedels, bedoel ik. We gaan.»

4. DE RUIL

Die nacht lag Wenen onder een sneeuwlaagje. Kort na ons vertrek uit het museum was het beginnen sneeuwen. Nou ja, dat verwonderde me eigenlijk niet, zelfs niet in deze tijd van het jaar. Als het vakantie was, kon je nu eenmaal het ergste verwachten.
De Biergasse was een donker, armoedig straatje. De kleine, vuile huisjes leunden tegen elkaar om niet om te vallen van ouderdom. We kwamen stipt op tijd. Vader was áltijd een erg stipt man geweest, zoals hij ook altijd een eerlijk man was geweest. Het eerste was hij nog steeds, het tweede blijkbaar niet meer. Maar hij bleef hoe dan ook mijn va­der. Ik kon hem niet zo maar aan zijn lot overlaten. En bovendien - ik schaam me om het te bekennen - be­gon ik het nu spannend te vinden. Grün en hij hadden om half twaalf afgesproken. Wij waren al op post van even over elven. Het was nu kwart voor twaalf en Grün was nog steeds niet komen opdagen. Pa rookte te veel.Véél te veel.
We wachtten. Ik telde de stenen van de huisgevel waarvoor vader onze vrachtwagen geparkeerd had. Ik had er al tweehonderddrieënzestig toen Grün ein­delijk verscheen. Het was een schriel ventje. Hij strui­kelde haast over zijn eigen voeten toen hij nerveus uit zijn vrachtwagen wilde springen.
«Er is toch niets misgegaan?» «De vrachtwagen weigerde te starten! Ben vergeten er een anti-vriesmiddel in te doen!»
Vader uitte een verwensing.
«Snel!» gebaarde Grün. Ze liepen naar de achterkant van Grün vrachtwa­gen. De Oostenrijker sloeg het zeildoek weg, nam een
zaklamp uit zijn jaszak en scheen in de laadruimte. Even hield ik mijn adem in.
Opeens begreep ik waarom Johnson dit unieke exemplaar verkoos boven een duplicaat. Ik kon het niet dadelijk onder woorden brengen, maar ik begréép
het. Je had het ook met mensen: de ene vond je op het eerste gezicht sympathiek, de andere niet. En het had niet eens met uiterlijk of karakter te maken. Ze straal­den gewoon iets uit. Zo was het ook met deze wagen. De Gräf & Stift straalde iets uit. Alleen was het me niet meteen duide­lijk wát.
«Snel!» siste Grün opnieuw.
«Rijdt hij?»
«Als je er benzine in doet, zou dat wel moeten.» Vader haalde een jerrycan uit onze vrachtwagen en liep daarmee naar die van Grün. Het kereltje maakte een paar kabels los. Dan beval hij pa achteruit te gaan en op zijn teken de lampen los te maken. Vader schoof de loopbrug uit, terwijl Grün achter het stuur van de Gräf & Stift kroop.
Grün gaf een korte ciaxonstoot. Ik schrok er niet wei­nig van. Maar onmiddellijk begreep ik dat dit het teken was om de klampen los te maken. Dadelijk rolde de wagen achteruit over de loopbrug tot hij op straat stond. Vader opende de tank en goot er wat benzine in.
«Start jij hem?» vroeg Grün.
Pa knikte. «Op hoop van zege!»
Na een paar maal vruchteloos geprobeerd te hebben,
hikte de motor eens en begon, eerst met tegenzin, dan regelmatiger, te draaien.
«Ongelooflijk! Een wonder!» juichte pa.
«Goed, hè?» glunderde Grün.
Ik wilde er niet aan denken hoeveel inspanningen het ons gekost zou hebben om de wagen in onze laadruimte te krijgen. Nu gaf vader gewoon gas en zette de Gräf & Stift een eindje uit de weg. Vervolgens kroop hij achter het stuur van het duplicaat in de laadruimte van onze vrachtwagen, haalde de automobiel eruit en borg hem op in die van Grün. Ondertussen reed Grün het unieke stuk onze laadruimte in. Zodra beide vrachtwagens weer afgesloten waren, begon Grün op en neer te springen. Om het warm te krijgen? Van de zenuwen? Of gewoon omdat hij blij was dat voor hem alles achter de rug was? Wie zal het zeg­gen? «Spotgemakkelijk!» riep hij uit. «Kinderspel!» En hij schudde vader langdurig de hand.
Toen vatten pa en ik de lange terugweg aan. Nog vol goede moed...

5. SERAJEWO

We waren de Duits-Oostenrijkse grens al zonder pro­blemen overgestoken. Echt, ik voelde me alleen maar een beetje slaperig. En toch... Waar kwam die stem dan plots vandaan? In het begin was het nauwelijks meer dan een inner­lijke stem. De stem die onafgebroken in ieders hoofd praat, die voortdurend vorm geeft aan onze gedachten, die we wel het zwijgen willen opleggen, maar nooit kwijtraken.
Waarom zou je niet even met hem gaan rijden? «Kan niet. Niet nu. Mag niet van pa. Trouwens, we hebben nog een lange rit voor de boeg.»
Het léék zo goed op een droom.
Kom op vriend! Een flinke tocht maken! «Onmogelijk!»
Geef toe dat je het maar wat graag zou doen! Je hebt
nog nooit met een Gräf & Stift gereden, hè?
«Nee... Nou, .goed... Straks, als we thuis zijn...» Het heeft natuurlijk wel iets ijdels...
«Buitenkomen met zo'n oldtimer?»
Rijden met een Gröf & Stift...
«Mmmm...»
Iedereen staart je bewonderend aan.
En daar zit je.
Daar zit je in die schitterende kar.
Je bent je bewust van al die blikken, uitsluitend voor jou.
Je pronkt en je praalt en je geniet met volle teugen,
vooral als de nog prille zonnestralen van juni de wereld
in een gouden licht zetten.
«De zonnestralen van juni?! Het is nog maar april! En het sneeuwt, verdorie!
Aah, geslaagd zijn in het leven. Geld hebben. Be­roemd zijn... Af en toe zelfs gelukkig zijn... Dan is er niets dat nog mis kan gaan.
Voor jou geen ongelukken waarbij je een arm of een been verliest. Geen ziekten... Zelfs geen sterven meer.
Geen dood.
Je bent eeuwig. Onaantastbaar. Eindeloos ver verhe­ven boven al die kleine stervelingen. Een jonge god die zwemt in de Middellandse Zee.
Een jonge god aan de roulette in het casino van Mon­te Carlo, vriend. Je speelt met het lot. Je hebt miljoenen in de hand. En alles gaat zoals jij het wilt. Je hebt alles onder controle. In je Gröf & Stift... «0 ja? Iedere snelheidsmaniak denkt dat hij alles on­der controle heeft. Maar hoevelen hebben zich al niet te pletter gereden tegen een boom? Bomen wijken niet, ook niet voor snelheidsmaniakken!»
Ach... Een Gröf & Stift gaat niet snel. Waarom zou je ook zo snel willen gaan? De mensen moeten de tijd hebben om ons te zien, om ons beeld van welstand en geluk onuitwisbaar in zich op te nemen. Goden die zich onder de stervelingen begeven in hun schitterende Gröf & Stift, bouwjaar 1914.
Macht, vriend. Daar komt het op aan: mácht! De macht om zo lang mogelijk te genieten van deze ogenblikken, van de zon op onze huid en de wind in onze haren. De macht om het gevaar te trotseren, het hoofd te bie­den. Léf, vriend. Daar komt het op aan. Neem nu mijn ge­val, bijvoorbeeld. Een routinebezoek. Ja, dat was het, een routinebezoek. Keuring hier, schouwing daar. En ginder nog een bezoek aan een of andere hoogge­plaatste, aan een kerk, weet ik veel. En toch hadden ze mij bezworen niet te gaan. Gene­raal Potiorek, mijn adjudant en vriend, en al die ande­ren. «Ga niet,» zeiden ze. «Die Servische patriotten bera­men een aanslag.»
Ik lachte alle bezwaren weg. «Serajewo is maar een onbetekenend stadje in Bosnië. Wat zou dáár kunnen gebeuren ?»
En we gingen. Onze weg was bezaaid met duistere voortekens. Maar ik was de troonopvolger van Oosten­rijk en Hongarije. Ik was machtig, zó machtig... De ontvangst was koel. De gemoederen waren verhit. De zenuwen gespannen. Het geheime genootschap, De Zwarte Hand, kende onze reisroute en had een plan uitgestippeld. Verschei­dene moordenaars, gewapend met messen en revol­vers, wachtten me op. Lukte het de eerste keer niet, dan de tweede. Of de derde, de vierde... Ze kenden me, wisten dat ik niet zou opgeven.
Ik was immers de Aartshertog. Mij kon niets overko­men. Een eerste aanslag mislukte. Was het bij een brug? Ik weet het niet meer. Mijn geheugen laat me soms in de steek! Mijn vrouw smeekte me om rechtsomkeer te maken.
Het volk was ons vijandig gezind. Maar ik zette door en reed naar mijn dood. Achten­twintig juni 1914. Het was een komplot. De mensen van mijn veilig­heidsdienst moesten bekennen dat ze er niet op de hoogte van waren. Maar ze kenden de risico's en had­den niet eens de moeite gedaan om de allernoodzake­lijkste veiligheidsmaatregelen te treffen. Wraak, vriend.
Haat en wraak reiken verder dan de dood. In Berlijn hadden ze allang op een dergelijke gebeur­tenis gehoopt. Dadelijk zonden ze een telegram naar Wenen, waarin stond dat Oostenrij'k-Hongarije na deze laffe aanslag op de onvoorwaardelzjke trouw van de Duitse bondgenoot kon rekenen. Servië werd voor een ultimatum gesteld. Een zodanig radicaal ultimatum dat ze het wel moesten afwijzen. Waardoor een militair in­grijpen niet kon uitblijven. De Russen mobiliseerden onmiddellijk na onze oorlogsverklaring. Enzovoort. Enzovoort.
En de Eerste Wereldoorlog was een feit...
Laten we dus een ritje maken, vriend. Ik zal je vertel­len over de dood en het leven. Niemand heeft het leven beter gekend dan ik.
En niemand weet meer van de dood.
Laten we dus een ritje maken...

6. RIJDEN, RIJDEN, RIJDEN ...

Ergens tussen München en Stuttgart moet vader zijn concentratie verloren hebben. Zoiets was hem nog nooit overkomen. Had hij die dag misschien ook onbe­grijpelijke verhalen gehoord in zijn hoofd? Ik geloof het wel. Nou, in ieder geval vielen zijn ogen op zeker ogen­blik dicht. Net zoals de mijne. Terwijl die vreemde, angstwekkende stem maar rus­tig door bleef praten, hoorde ik opeens vanuit de verte een misthoorn loeien. Of liever, het geluid léék op het loeien van een mist­hoorn. Met een uiterste krachtsinspanning slaagde ik erin mijn ogen te openen. De vreemde stem in mijn hoofd verdween abrupt. Ik zag de zilverkleurige Mercedes voor ons snel gro­ter worden. Hij reed hooguit honderd, terwijl wij minstens honderdtwintig deden en nog versnelden. «Pa! Pas op!» gilde ik. En ik gaf hem een por in zijn zij.
Zijn ogen flitsten open. Gelukkig reageerde hij on­middellijk. Ongetwijfeld was het niet meer dan een re­flex. In ieder geval zwenkte hij bruusk naar rechts en reed de pechstrook op. Daar bracht hij onze vrachtwa­gen tot stilstand.
Verbijsterd keek ik hem aan. Mijn hart klopte wild. «Verdomme!» vloekte hij ongelovig. Hij probeerde de slaap (of wat het dan ook was) uit
zijn ogen te wrijven. Ze waren bloeddoorlopen.
Van de drank?
Onmogelijk!
Vermoeidheid?
Misschien...
Of van dat andere? Van de stem die ook hij wellicht had gehoord? Ik durfde er niet aan te denken. In slaap gesust door verhaaltjes die enkel in ons hoofd werden verteld! Ge­hypnotiseerd door een of andere geheimzinnige aarts­hertog! God, het klonk belachelijk! Franz Ferdinand van Oostenrijk! Iets voor een goedkope griezelfilm.
Maar het was allemaal zo écht geweest! Ik huiverde.
In slaap gesust achter het stuur van een vrachtwagen op een drukke autosnelweg.
Het was moorddadig!
«Wat is er gebeurd?» mompelde vader.
«Je bent in slaap gesukkeld,» zei ik bestraffend.
Ik keek naar de voorbij razende auto's en werd me bewust van de pijn in mijn elleboog. Waarschijnlijk te lang in dezelfde positie gezeten, dacht ik.
«Mijn elleboog doet pijn,» zei pa op dat ogenblik. Het was net een echo.
«Waarschijnlijk te lang in dezelfde houding achter het stuur gezeten.»
Opnieuw huiverde ik.
«Bijna in slaap gevallen! Dat is me nog nooit overko­men!»
En hij begon weer te vloeken.
«Dit is toch geen rit tegen de tijd, zeker? We hoeven ons toch niet te haasten? We hebben zeeën van tijd!»
«Dat komt ervan als je een slecht geweten hebt,» bromde ik.
Hij ging er niet op in. «Johnson komt pas volgende week met zijn tweede envelop. Er zijn geen moeilijkheden geweest. Niet on­derweg, niet aan de grens, zelfs niet met het verwisse­len van de wagens. Waarom dan die haast?»
«Ja,» knikte ik. «Waarom?»
Ik kreeg er hoofdpijn van en voelde me ook een beet­je ijl in het hoofd. En dan dat jeuken aan mijn elle­boog... Net een wonde die toegroeide. Vader stroopte zijn mouw op om te kijken of hij soms niet gebeten was door een mug (in april?) of een ander insect. Maar er was niets speciaals te zien aan zijn arm. Er zaten alleen een paar rode strepen op van het krab­ben. Hij zuchtte diep en maakte toen aanstalten om onze vrachtwagen opnieuw in het verkeer te voegen. We wa­ren vlak voor een bord gestopt, waarop stond dat er zich vijf kilometer verderop een wegrestaurant bevond.
«We kunnen ons daar wat opfrissen,» zei vader. «Ja, en een hapje eten,» knikte ik.
«En iets drinken.»
In het cafetaria bestelden we twee koffies. Stilzwij­gend zaten we een hele tijd tegenover elkaar. Ten slotte begon vader de vreemde gebeurtenis weg te redeneren.
Zo was hij nu eenmaal. «Kijk,» zei hij. «Ik ben met een belangrijke vracht on­derweg. En ik heb al een veel te groot aantal uren niet geslapen... Ik begin in mezelf te praten en dat is onge­zond... Maar als ik het niet doe, dommel ik in. Op een
snelweg kan dat ook uiterst ongezond zijn. Dus moet jij straks maar met me praten. Geeft niet waarover, als je maar praat!»
«Oké, pa!» Maar of het ook zou helpen? Tja, daar had ik zo mijn
twijfels over. Het beviel me niets. Om helemaal eerlijk te zijn: vooral die gestolen Gräf & Stift - want deze 'ruil' was en bleef een diefstal - in de laadbak van on­ze vrachtwagen maakte me onrustig. Die stem en die Gräf & Stift... Ze hoorden bij elkaar. Daar was ik van overtuigd. Ik vóélde het gewoon. Va­der voelde het overigens ook, maar hij was al te volwas­sen om zijn angsten hardop uit te spreken.
Peinzend zat ik naar buiten te turen. Ik beet in mijn broodje, dronk van mijn koffie, kuchte af en toe. Het zou heel gezellig geweest zijn als ik niet met die vreem­de gebeurtenissen in mijn hoofd had gezeten.
Pa stak een sigaret op, inhaleerde diep en bestudeer­de de rookkringetjes die hij traag uitblies. We bestelden nog een broodje. Daarna zei vader: «Zullen we dan maar?»
Ik knikte en we vertrokken. We vraten kilometers. Witte strepen schemerden
voor mijn ogen, auto's en vrachtwagens tolden voorbij als de glimmende wagentjes van een kermismolen. Ik babbelde maar raak.
Stuttgart. Mannheim. Mainz. Koblenz.
Namen zonder inhoud of betekenis.
Om de haverklap ging pa verzitten. Hij zette de auto­radio keihard, terwijl ik babbelde, babbelde, babbel­de... Nooit voordien had ik zoveel gebabbeld, geloof me. Ik werd een heuse spraakwaterval.Luik. Ik had het over de vrienden op school, de vriendin­
nen, het meisje op wie ik stiekem verliefd was. Al mijn geheimen vertelde ik hem, maar ik denk niet dat hij er iets van hoorde. En dat was maar best ook! Brussel.
Het was laat geworden. Mijn mond was droog, mijn tong lag als een slappe lap leer tussen mijn tanden, mijn oogleden wogen zwaar, net marmeren blokken. Mijn rug deed pijn, mijn hoofd deed pijn, mijn kuiten deden pijn. En mijn elleboog jeukte... Maar ik bleef babbelen. Niets kon mij stoppen, ik was onvermoei­baar. Achteraf kon ik me alleen maar vage flarden herin­neren van wat ik hem had verteld.

7. EEN RITJE MAKEN
Thuis liet ik me in bed vallen om dadelijk in een die­pe slaap te verzinken. Op de een of andere manier was het toen opeens twee uur in de namiddag. Vanuit de keuken hoorde ik de schorre stem van mijn vader die een liedje op de radio meezong.
Ik stond op en liep naar beneden. Stofdeeltjes dansten in de fletse zonnestralen die door het raam naar binnen vielen.
Pa had een stevig ontbijt klaargemaakt. Ham en eie­ren met bruin brood en sterke koffie. We aten in stilte. Langzaam maar zeker begonnen we ons de vreemde gebeurtenissen weer te herinneren. Johnson, de Gräf & Stift, Wenen, Grün, de snelwegen van Europa... En Franz Ferdinand, of wie het dan ook was geweest.
Ik wist nog dat vader regelrecht naar de garage was gereden en de vrachtwagen daar onuitgeladen had ach­tergelaten. We waren met onze BMW hierheen geko­men.
«Het is niet pluis,» verbrak ik ten slotte de stilte.
«Wát is er niet pluis?»
Alsof hij het niet meer wist...
«Die Gräf & Stift...»
«Ach, Marc, zeur niet!»
«Je moet hem onderzoeken, vind ik.» «Waarom?» «Ik heb nagedacht, pa... Vind je het niet vreemd dat Johnson een heel fortuin wil spenderen aan een wagen waar hij niet eens mee kan uitpakken? Een wagen die alleen maar van een dozijn andere wagens verschilt doordat er een historische moord in werd gepleegd?» «Nou én...? Die miljonairs zijn nu eenmaal van lotje getikt! Dat soort volk houdt er nog wel vreemdere hob­by's op na!» Er rijpte een krankzinnig idee in mijn brein. Als die Gräf & Stift nu eens alleen maar een soort voorwendsel was... Een dekmantel... voor ándere praktijken? Stel nu eens dat Johnson helemaal niet geïnteres­seerd was in de wagen, maar in iets wat zich In de wa­gen bevond. Drugs, bijvoorbeeld... Dan was heel zijn verhaal in scène gezet om een belangrijke lading drugs het land binnen te smokkelen... Het was mogelijk. Van drugsmokkelaars hoorde je nog wel vreemdere zaken vertellen. En misschien... misschien verklaarde dát ook onze... hallucinaties. «Ik vind dat we hem eens van nabij moeten onder­zoeken,» hield ik voet bij stuk. Hoe meer ik er nu over nadenk, hoe meer ook de vraag zich opdringt of dat ideetje écht van mij kwam en niet van iemand anders... Van Franz Ferdinand, bij­voorbeeld... In dat geval was mijn 'onderzoek' ook een soort voorwendsel...
Ach, het is allemaal zo ingewikkeld.
«Overmorgen komt Johnson met zijn tweede enve­lop,» zei vader. «Er is dus geen tijd voor jouw onder­zoek.» En daarmee was de zaak weer eens afgehandeld. De volgende dag kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Nou, eigenlijk was het niet alleen nieuwsgierigheid. Per slot van rekening was ik een vu­rige fan van oude auto's, hè? Ik wilde de wagen gewoon van naderbij bekijken. En dan was er ook nog dat ande­re. Die vreemde aantrekkingskracht. De stem­men...
De gebeurtenissen op de snelweg probeerde ik te ver­geten.
Ik wachtte tot vader het huis verliet om boodschap­pen te gaan doen en reed toen op mijn fiets naar de ga­rage. De poort was op slot. Geen probleem: ik had een
sleutel. De oldtimers stonden er rustig bij, sommige opge­blonken, andere nauwelijks meer dan een skelet. Ik liep naar de vrachtwagen, sloeg het zeildoek weg en klom in de laadruimte.
Die geur...
Voorzichtig kroop ik achter het stuur van de Gräf & Stift. Precies op dat ogenblik werd er hevig op de garage­poort gebonsd. Mijn hart miste een paar slagen. Dan gleed ik gauw achter het stuur vandaan en holde naar de poort, opende ze op een kier.
Het was vader. Woedend keek hij me aan, zijn sleutel in zijn tot een vuist gebalde hand. Ik had mijn sleutel aan de binnen­kant in het slot laten zitten, zodat hij de poort niet had kunnen ontsluiten.
«Wat voor de drommel voer jij hier uit?» brulde hij, duidelijk over zijn toeren.
Ik grinnikte schaapachtig. «Even een kijkje nemen...»
Hij duwde me opzij en beende woest naar binnen. «Die wagen is erg veel geld waard, Marc!»
«Weet ik toch,» zei ik.
«Je moet hem met rust laten!»
Het viel me op dat hij al over de wagen sprak als over een levend wezen.
«Maar ik maak toch niets stuk, pa?» protesteerde ik.
«Ik kén zulke zulke wagens als mijn broekzak!» «Kan zijn. Maar deze automobiel beschouw je van nu af aan als een uitzondering, begrepen? Ik wil niet dat er iets mee gebeurt!» «Ik vind dat we er een ritje mogen mee maken. Dat we dat wel verdiend hebben.» Hij staarde me strak aan. Ik had die woorden er zo maar uitgeflapt, zonder erbij na te denken. Een ritje maken met die... met die duivelse, gestolen wagen? En Franz Ferdinand dan? En...? Maar de Gräf & Stift was al sterker dan ik.
Een koude huivering ging door me heen. «Daarvoor is de wagen veel te kostbaar. Stel dat je een ongeluk krijgt of zo. Nee, het mag niet. Uitgeslo­ten.»
Toch glinsterde er ook in zijn ogen een koortsachtig verlangen.
«Mag ik er dan even inzitten? Naast jou? Als een braaf, klein jongetje?»
«Dat mag je,» glimlachte hij ten slotte.
We kropen in de kuip. Een tijdje zaten we zo naast el­kaar, in gedachten verzonken. In de Gräf & Stift...Ik zuchtte. Een zalig gevoel.
De geur van het leer, de aanblik van het antieke koetswerk, de met oneindig veel zorg vervaardigde hendeltjes en tellertjes...Het getuigde allemaal van het ambachtelijke en kunstzinnige dat vroeger nog met het maken van een auto gepaard ging. Het maakte iets los diep in mij. Een gevoel van triomf dat ik moeilijk kon verklaren. Een gevoel van macht ook, omdat ik tijdens dit ene onschatbare ogenblik heer en meester was over al deze weelde. Een sensatie van rijkdom en bezit als ik dacht aan al­le hoge heren en charmante dames die zich vóór mij door hun chauffeurs hadden laten rondrijden.
Het Hilton, James!
Uiteindelijk was deze wonderlijke wagen in onze ga­rage beland. Het leek haast een sprookje. Misschien vond het gevoel van triomf juist dáár zijn oorsprong in. In het besef dat al deze machtige dames en heren door de tijd tot onbelangrijke schakeltjes in een ketting waren teruggebracht. Een ketting, waarvan ik nu het uiteinde in de hand hield. Zij waren slechts rustpauzes op de wegen van nood­lot en fortuin, die ten slotte allemaal naar mij bleken te leiden. Ik was het eindpunt van hun tochtjes, de bestemming van alle graven en gravinnen die met deze wagen een ritje hadden gemaakt, van alle bepluimde officieren en drukke zakenlieden die deze auto hadden gekocht en gekoesterd. Ik had vanaf het begin bij deze Gräf & Stift gehoord. Meer nog, ik had al bij hem gehoord toen ik nog niet geboren was.
Ik was de laatste garage van deze wagen.
De rechtmatige eigenaar...
«Wat zei je, pa?» senrok ik op uit mijn gemijmer. «Niets,» antwoordde hij. «Ik zei niets.»
«0.»
Die keer konden we nog weerstand bieden aan de verleiding van de wagen. Maar die weerstand brokkel­de steeds sneller af. Onze eigen vrije wil stond bloot aan een onzichtbaar, ongrijpbaar, voortdurend versnel­lend verval. We beseften nog niet dat de Gräf & Stift reeds een waanzin in ons had gezaaid vanaf het ogen­blik dat we met hem op weg waren gegaan. Of mis­schien vroeger nog: vanaf het ogenblik dat mijn pa had toegestemd deze wagen te 'ruilen' voor een andere. Voor een handvol zilverlingen. Hij en ook ik - want per slot van rekening was ik meegereden naar Wenen - hadden onze ziel verkocht aan Jim Johnson. Zo sim­pel was dat.
's Avonds had ik een pijnlijke nek. We zaten in de huiskamer met een drankje naar de
televisie te kijken. Vader draaide zijn hoofd, vertrok zijn gezicht en begon zijn nek te masseren. «Stijve nek,» mompelde hij. Ik werd overweldigd door het gevoel dat ik dit al eens eerder had beleefd. Maar toen hadden we allebei een jeukende elleboog gehad.
Net een wonde die toegroeit...
We hadden dezelfde woorden gesproken, dezelfde gedachten gedacht. Het koude zweet brak me uit. Ook ik voelde immers een stekende pijn in mijn nek, alsof ik een hele week met een scheef hoofd had rondgelo­pen. «Morgen,» mompelde pa opeens. «Misschien kunnen we morgen nog een ritje maken... Anders is het te laat. .»


8. NOGMAALS SERAJEWO

Vader stuurde behendig en voorzichtig, nam niet al te drukke wegen en genoot zichtbaar van het volle ge­voel van het stuurwiel in zijn hand, van de luxe van het leer. Ik snoof de geur op van lang vervlogen parfums van dames met ritselende rokken en hoge hoeden. Da­mes getooid met pauweveren.
Het Hilton, James!
Maar de tijden waren veranderd. Ik zat nu achterin. Plotseling kreeg ik erg veel trek in een dikke, dure si­gaar. Ik wilde de rook in de lucht zien uitwaaieren tot nauwelijks waarneembare slierten die vage gedaanten vormden, ijle tekens. Het had eind juni kunnen zijn, zo warm scheen de zon op onze hoofden neer. Om precies te zijn: achten­twintig juni had het kunnen zijn. Er waren al kersen, het gras van de gazonnetjes schoot hoog op, mollen on­dermijnden de achtertuintjes. Maar de kersen en het gras en de mollen konden me gestolen worden. Flinke tocht maken.
Aah... De rook van een met de hand gedraaide sigaar, zoals dit ook een nog ambachtelijk vervaardigde wagen was... Een produkt van inspiratie, vernuft, liefde en...
Haat.
Nee, natuurlijk niet van haat! Waar kwam dat gekke idee nu zo plotseling vandaan? Haat was een lelijk woord! Haat hoorde niet thuis in deze groene dreven, in die statige, oude herenhuizen, op deze zonovergoten pleintjes! Een beetje beangstigd door die vreemde gedachte keek ik vader aan. In de war staarde hij terug, alsof hbjl mijn blik op zijn achterhoofd had gevoeld. De vrolijke schittering die ik zoëven in zijn ogen had opgemerkt, was nu geweken voor...
Angst. Hé! Weer zo'n stom woord! Het was alsof ik iets wilde zeggen. Maar in plaats van het onder woorden te bren­gen, dacht ik iets geheel anders. Angst, há! Waar­om? Er was toch niets om bang voor te wezen? Ik werd bewaakt en beschermd, ik zou straks heer en meester worden over een geweldig uitgestrekt rijk, ik werd geëerd en... Zonder overgang bereikten we opeens een groot plein, waarop zich een enorme menigte bevond. Even stokte de adem me in de keel. Het plein en de menigte waren als uit het niets opgedoken. En de mensen we­ken niet uiteen, maar blokkeerden de straat. Het gejoel dat opging, sneed mij de adem af. Toen begreep ik waar die twee woordjes vandaan wa­ren gekomen. Die mensen dàar... Ze háátten ons. Mij en mijn vrouw. Mijn vrouw, die naast me zat en onop­houdelijk wuifde. Zij had het nog niet begrepen. Ze haatten mij omdat ik dikke, dure sigaren rookte, terwijl zij honger leden. Ze haatten mijn vrouw omdat die ritselende rokken en een hoed met pauweveren droeg, terwijl ZIJ in lompen gehuld gingen. Ze haatten zelfs onze chauffeur, gewoon omdat hij ons diende. De chauffeur die onze automobiel, onze dure Gräf & Stift, bestuurde. De chauffeur die zijn hoge loon opstreek en niets deed om ons van onze troon te stoten. En de angst... Ook de angst hoorde bij ons.
Plotseling waren we niet langer wie we tot dan toe ge­weest waren. Hemel, we waren nog steeds rijk en machtig en zaten op de achterbank van een Gräf & Stift die helemaal van ons was, net zoals die mensen tot on­ze bezittingen behoorden, en het plein, en de hele stad. Maar de angst maakte ons klein, veel kleiner. De angst voor de mensen die plotseling opgedoken waren en ons haatten om wat wij waren en deden en dachten...De angst was als een wurgende klem om mijn hals.
Ik probeerde die angst te verdrijven. Ik hield me voor dat we alles bezaten wat we maar konden dromen. Liefde, gezondheid, welstand, geluk, deze Gräf & Stift...
Ik hield me voor dat ik de gebeurtenissen onder con­trole had en probeerde de angst van me af teschudden. Zoals een hond het water uit zijn vacht schudt na een duik in de zee. Maar de angst zei: «Ze zullen je in het stof werpen. Ze zullen je dure Gräf & Stift omkantelen en deuken trap­pen in zijn glimmende koetswerk. Trager en trager zul­len de wielen in het rond draaien. En dan...»
Het volgende ogenblik was ik opnieuw Marc Mariën geworden en zag ik hoe mijn -vader wanhopig rechts­omkeer probeerde te maken. Hij was niet langer de chauffeur van Franz Ferdinand, merkte ik. Hij was op­nieuw een handelaar in oldtimers en het stuur zat on­wrikbaar vast in zijn handen. Maar hoe hij daar ook aan rukte, hij kon de automobiel niet van richting doen veranderen. De stuurstang scheen vastgeroest in de plooien van de tijd, zodat de wagen alleen pal recht­door kon rijden. Vooruit, steeds vooruit, naar de menig­te toe. De angst kwam nu in golven. Braakneigingen. Om mijn hals lagen de handen van een moordenaar. Nee, van vele moordenaars.
Trager en trager zullen de wielen in het rond draaien. En de ruitjes zullen breken als ogen. Jouw ogen, haar ogen.
De stuurstang zat nog altijd muurvast, de remmen deden het niet, de wagen raasde meedogenloos op de menigte af. De lichamen kwamen naderbij en naderbij en naderbij...
Ik kon niets doen, ik was overgeleverd aan de Gräf & Stift. Volkomen overgeleverd aan zijn willekeur. Mach­teloos was ik, beroofd van al mijn vrijheid. Er was geen controle meer, ik reed recht naar mijn dood, sneller en sneller. Vuisten balden zich, messen werden getrokken, kogels zaten klaar in revolverlopen. Ik kon alleen mijn ogen sluiten en een schietgebedje fluisteren. Mijn lot lag niet langer in mijn handen, ik had het overgedragen aan een of ander geheim genoot­schap. Ik had het overgedragen aan vermomde terro­risten, aan een ondoorgrondelijke administratie, aan een gevoelloze automobiel. Jim Johnson, de Zwarte Hand, een Gräf & Stift uit 1914.
Terwijl het angstzweet me overal uitbrak, werd ik me bewust van de verwensingen die ze doorheen hun ge­juich hadden gevlochten. Ik zag de maskers die ze had­den opgezet om mij te misleiden.
Dit alles gebeurde in een fractie van een sekonde. En dit:
Haar vingers knepen in mijn arm, haar blik was leeg,
zó verschrikkelijk leeg. En dan dat geprevel, haar onop­houdelijke geprevel: «Nee alsjeblieft maak me niet dood haat me niet op die manier ik ben het niet waard schiet mij geen kogel door de borst er is nog zoveel om voor te leven...»
En dit:
Een kerel zwaaide met een revolver. Hij baande zicheen weg door de menigte, naar de Gräf & Stift toe. De Gräf & Stift die nog altijd naderbij kwam, traag als in een vertraagde film, leek het wel. Maar in werkelijkheid ging het onmogelijk snel, was het een kwestie van se­conden.
Ik zag het heel duidelijk, als op een vergrote foto: de man in de menigte, die zwaaide met een revolver. Hij werd steeds groter, kwam onherroepelijk dichterbij. Ik wilde schreeuwen, huilen, smeken - maar deed niets van dat alles.
De man richtte de revolver. Op mij.
En toen...


9. VALJEWO

... was het voorbij.
De optocht lag achter ons.
Het schetteren van de fanfare verwaaide in de lucht. De feestvierders lieten ons door.
Eigenlijk was het maar een heel banale menigte ge­weest. Eentje zoals er dertien in een dozijn gaan. We kwamen erdoor.
«Nu wel,» mompelde ik gedachteloos.
Er werd niet geschoten. Geen kogels verpletterden mijn borstbeen. Maar toch was er die brandende hoofdpijn achter mijn ogen. En een stekende, vlijmende pijn in mijn borst. En buikpijn, God, wat een buikpijn! Alsof mijn dar­men door de scherpe klauwen van een monster aan flarden werden gereten! Terwijl vader, die beefde als een riet, de Gräf & Stift tot stilstand bracht, dook ik achterin ineen. Ik had zin om te huilen.
We hebben later nooit over die akelige ervaring gesproken. Ik vraag me dan ook nog steeds af op pa het ook allemaal zo heeft aangevoeld. Of hij inderdaad in de huid van een chauffeur uit de Belle Epoque was ge­kropen, zoals ik in die van een aartshertog. Een aarts­hertog die naast zijn vrouw op de achterbank van de Gräf & Stift had gezeten. Het was een soort visioen geweest. Dat was wel dui­delijk, dacht ik. Een visioen dat veel, zoniet alles, te maken had met de automobiel van Franz Ferdinand. Vader had de Gräf & Stift gemakkelijk én onmiddel­lijk van de hand kunnen doen. Immers, hij had klanten in overvloed en zo'n wagen interesseerde iedere ken­ner en verzamelaar. Maar hij deed het niet. Want Jim Johnson was er nog. Jim Johnson en die tweede enve­lop. Er schitterden nog steeds dollartekens in pa's ogen. In ieder geval, als vader eveneens een soort visioen had gehad, zweeg hij erover. Tevens wilde hij het niet meer over Johnson hebben. Als ik zei dat hij in feite toch een diefstal had begaan, nam hij onmiddellijk de benen. Hij wilde de waarheid niet horen. Hij was ie­mand anders geworden, een heel andere pa dan ik tot dan toe had gekend. Vanaf dat ogenblik beangstigde de Gräf & Stift me echter meer dan al de rest: de diefstal, Jim Johnson, noem maar op. Ik háátte de wagen omdat hij - meer nog dan de Amerikaanse miljonair - verantwoordelijk was voor de dollartekens die in vaders ogen versche­nen waren. Ik haatte de wagen om de dingen die hij ons had doen ondergaan. Ik haatte hem omdat hij me tot een bevend jongetje had gemaakt. Angst en haat... Geen mooie woorden en zeker geen mooie gevoelens. Maar ik kon het niet helpen. Het was natuurlijk krankzinnig om bang te zijn voor zo'n leven­loos ding, om een hoop schroot te haten. Maar het ge­beurde buiten mij om. Ik begon stilaan te beseffen dat
de wagen een vreemde invloed had. Tegelijk begreep ik dat ik niet echt tegen hem was opgewassen. Zijn motor, die hypnotiserend ronkte, scheen me te roepen. De bedwelmende geuren die uit zijn koetswerk opstegen, trokken me aan. Ze herinnerden me aan lang vervlogen tijden, aan vergeelde foto's in oude albums. In oude albums bladeren, had ik altijd heel leuk gevon­den. Maar ditmaal had het iets... ziekelijks. In mijn dromen zag ik de natte ruiten van de Gräf & Stift verblindend schitteren in het zonlicht van juni. Als je daarna je ogen dichtkneep, verschenen er eigenaar­
dige figuurtjes op je netvlies. Ze bezaten een vaag men­selijke gestalte. En ze wenkten, wenkten, wenkten... Ik wist dat ik - ondanks mezelf - een tweede maal in de auto zou gaan zitten. En een derde maal, een vier­de... Tot hij me eeuwig over alle wegen van het land kon voeren, onafscheidelijk met me verbonden door een vreselijke vloek, een voorwereldlijk geheim, een heilig­schennis. De Gräf & Stift zou een soort Vliegende Hol­lander van me maken. Die avond had pa de wagen in de garage van ons huis gezet, alsof hij hem voortaan zo dicht mogelijk bij zich wilde houden. «Stel je voor dat hij gestolen wordt,» bromde hij. «Wat moet ik Johnson dán vertellen?» Maar dáármee had het eigenlijk weinig te maken. Dat begrepen we allebei.
Ik vermeed de garage en probeerde niet aan de lok­kende wagen te denken. Om half elf ging ik naar mijn slaapkamer. Ik lag al een poosje in bed toen ik plotseling de motor
van de Gräf & Stift hoorde aanslaan.
«Vader?» vroeg ik me af.
Vanuit de huiskamer klonken echter geluiden die en­kel van een of andere detectivefilm afkomstig konden zijn. Krijsende remmen, gierende banden, geknetter van een wild vuurgevecht. Pa zat naar de t.v. te kijken. Ik had hem in zijn luie fauteuil voor het scherm achter­gelaten. «Wie heeft de motor dan gestart?» flitste het door mijn hoofd. Dadelijk sprong ik uit bed en opende voorzichtig de deur van mijn slaapkamer. Ik liep naar beneden zonder het licht aan te knippen. In de huiskamer hoorde ik pa hard snurken. Zijn gesnurk overstemde zelfs het lawaai van het vuurgevecht. Nou ja, hij viel vaak voor de t.v. in slaap. Wie heeft de motor dan gestart?
In de hal opende ik de deur naar de garage. De Gräf & Stift had zich gehuld in een wolk van uit­laatgassen, die zowel het zicht als mijn verstand bene­velde. De dampen leken me ogenblikkelijk te verdo­ven. Het was niet donker in de garage. Iemand had de lichten van de auto aangezet. Of had de Gräf & Stift dat zelf gedaan? Als in een droom liep ik op de wagen toe. Ik ging ach­ter het stuur zitten. Dáár, achter het stuur van de Gräf & Stift, besefte ik plotseling hoe klein ik was in vergelij­king met deze wagen. Hoe jong en zwak, vergeleken met zijn ouderdom en kracht. De motor draaide regelmatig. Pa sliep, hoewel hij niet hoorde te slapen. Waarom gooide hij de deur niet open om te kijken wat hier gaande was? Ik luisterde naar het geronk van de motor. Zachtjes, bijna onmerkbaar, dommelde ik in. Toen was het alsof het ronken... een soort zingen werd. Alsof de wagen woorden vormde die ik kon verstaan.
De slag is geleverd, de oorlog verloren. Sluit je ogen en hou op met denken, laat mij nu voor je denken. Er zal geen angst meer zijn als je me vertrouwt. Geen pijn.
Sluit je ogen, blijf zitten, zet de motor niet af, laat alle deuren dicht. Hebben we het niet goed samen? We ho­ren bij elkaar, vriend. We blijven altijd bij elkaar. Sluit dus je ogen en denk niet meer aan alle verloren veldslagen, ik zal voor jou denken. Want jij bent nu van mij, helemaal van mij. Met huid en haar, van top tot teen. Met je gesloten ogen, met je oren die naar mijn motor luisteren, met je longen die mijn adem inade­men... Adem maar, vriend... Adem maar diep in... Adem maar diep uit... Adem maar diep in en uit, in en uit, in en uit... Adem maar, mij'n vriend, adem mijn adem... En ik sloot mijn ogen, dacht niet meer na. Ik luister­de en ademde, ademde diep in, diep uit, adem zijn adem en...
... schrok plots wakker.
Vader stond in de deuropening. Het licht van de hal omspoelde zijn lange, sterke gestalte. «Marc!» schreeuwde hij.
Er lag paniek in zijn stem. Hij rende de garage in, trapte de poort open en de dampen vluchtten weg van mij. De beklemming in mijn borst week, hoewel mijn hoofd licht bleef aanvoelen. «Slaapwandelen,» fluisterde hij toen we weer samen in de huiskamer zaten, ik met een kop chocola, hij met een whisky. «In je slaap ben je naar de garage gegaan. In je droom heb je de auto gestart en ben je achter het stuur gaan zitten. Het kan niet anders.»
Maar hij wist beter. En ik wist beter. Toch deed hij de Gräf & Stift ook tóén nog niet van de hand. En wat wel nog het gekste was: ik wilde dat zelf ook helemaal niet. De Gräf & Stift móést blijven. Ook ván mij. Ook vóór mij. De wagen had ons reeds volkomen in zijn macht. Va­der lette er alleen op dat hij de sleutel nooit meer in het contact achterliet. Alsof dat hém kon stoppen. Ondanks alles keerde ik de volgende dag naar de wa­gen terug. Opnieuw sloeg de motor plotseling (en zon­der sleutel!) aan. En weer kreeg het geronk na enkele ogenblikken iets van een menselijke stem. Een stem die fluisterde: «Haal die stakker toch in, vriend. Hij rijdt maar vijftig. Jij kunt harder, altijd har­der... Haal die stakker toch in, kerel. Hij rijdt maar vijf­tig. Jij kunt harder, altijd harder...»

10. DE ZWARTE VOORHISTORIE

Johnson kwam enkele dagen te laat. Tegen het einde van de paasvakantie verscheen hij in onze werkplaats, waar ik op dat ogenblik aan een Spitfire bezig was. Pa was er niet. Pa zat thuis, bij de Gräf & Stift. Ik wist niet welke houding ik moest aannemen. Moest ik nu blij of verdrietig zijn met de komst van de miljonair en de daarbij horende tweede envelop? In ie­der geval betekende Johnsons komst dat ik afscheid diende te nemen van de Gräf & Stift.
Was dat goed of slecht?
Goed, dat stond vast.
Maar ik wilde nog geen afscheid nemen van de wa­gen! Nog láng niet!
Maar... als we hem behielden, wat stond ons dan te wachten? Zou vader nog meer gaan drinken? Zou ik nog gekker worden dan ik al was? Zou ten slotte een van ons beiden gevonden worden, gestikt door de gifti­ge uitlaatgassen van de wagen?
«Waar is de automobiel?» informeerde Johnson. «Thuis, in de garage,» antwoordde ik gauw. «Pa vond dat... eh, veiliger...»
Johnson schokschouderde.
«Kijk,» zei ik in mijn beste schoolengels. «Ik weet dat het idioot klinkt, mister Johnson, maar die wagen is....eh, behekst.»
Ik zei letterlijk: «This car is a witch.» Ik kende name­lijk het Engelse woord voor 'behekst' niet. Maar achter­af bekeken klonk het zo ook goed. De Gräf & Stift was inderdaad een heks. Een zwarte magiër.
«Een heks, hè?» grijnsde Johnson.
«Ja, een heks,» zei ik op besliste toon.
«Je bent gek, kerel!»
Ik zuchtte. «Geef me vijf minuten om het uit te leg­
gen, mister Johnson. Vijf minuten... Meer niet!»
Goed, ik kreeg mijn vijf minuten. Ze volstonden om de Amerikaan in grote trekken de griezelige gebeurte­nissen te schetsen die ons waren overkomen.
Zodra ik klaar was, stak Johnson met slome gebaren een sigaar op. Hij kuchte bedenkelijk, greep naar zijn heupflacon whisky en nam een slok. Mij bood hij niets aan.
«Tja, als het zo zit, heb ik jou ook iets te vertellen,» zei hij ten slotte, terwijl hij de as van zijn sigaar naast de as­bak tikte.
Ik keek hem verwonderd aan.
«Je zou 'Cars of the Stars' eens moeten lezen. Prima boekje.»
«Zo?»
«Werd geschreven door George Barris en Jack Scag­netti, mocht het je interesseren. Een uitstekende hand­leiding voor iemand zoals ik. Ik maak er vaak gebruik van... De wagen die je vader voor mij is gaan oppikken, wordt er héél uitgebreid in behandeld...»
Ik fronste de wenkbrauwen.
Met hoorbaar plezier vervolgde de miljonair: «Na de aanslag te Serajewo kwam de Gräf & Stift in handen van generaal Potiorek. Dat was de adjudant van Franz Ferdinand van Oostenrijk... Nou, kort nadien brak de Eerste Wereldoorlog dus uit. En zoals iedere generaal moest Potiorek veldslagen leveren... Bij Valjewo liep het mis: zijn leger werd in de pan gehakt... Draaide voor onze vriend uit op een vólkómen nederlaag...» Johnson pauzeerde even om te grinniken, ging dan verder: «Tja, de arme drommel verloor zijn verstand en pleegde zelfmoord...»
... denk niet meer aan alle verloren veldslagen... «Daarna kocht een Oostenrijkse kapitein de Gräf & Stift. Hij reed er precies acht dagen mee rond. De ne­gende dag knalde hij tegen een boom... En brak zijn nek.»
... pijnlijke nekwervels...
«De automobiel was maar licht beschadigd. De gou­verneur van Joegoslavië - de volgende eigenaar ­
vond dat niet zo erg, want hij was een doe-het-zelver. Hield van automechaniek en zo... Tja, op de een of an­dere onverklaarbare manier sloeg de motor aan toen hij met zijn hand onder de motorkap zat... En dat kostte hem een hele arm...»
... net een wonde die toegroeit...
«Dan was het de beurt aan een dokter. Hij ging ermee
over de kop. Kerel kon het niet navertellen... De auto­mobiel wel. Die was opnieuw maar licht beschadigd. Een Zwitserse racer kocht hem, miste een bocht en was op slag dood...»
... steek die stakker toch voorbij...
«En weer was de Gräf & Stift er niet té erg aan toe.
Een Servische boer kocht hem voor een prikje. En kreeg prompt een hartinfarct... Een garagehouder knapte de automobiel op en reed er samen met zijn vrouwen kinderen mee naar een huwelijksfeest. Tja, daar zal hij wat te diep in het glas gekeken hebben, ver­moed ik. Want op de terugweg voerde hij een gevaarlijk inhaal maneuver uit en... Báng! Geen overlevenden in de Gräf & Stift... Moet ik er nog bij vertellen dat de auto­mobiel zelf er weer niet te erg aan toe was?»
Ik zat hem verbijsterd aan te staren.
«Ten slotte kwam de wagen in een museum terecht.
Waar je vader hem voor mij ging ophalen. Leuk ver­haal, hè?»
Het bleef een hele tijd doodstil.
Toen stamelde ik moeizaam: «En je vond het niet no­dig hem dat te vertellen vóór hij vertrok?»
Johnson trok zijn zware wenkbrauwen op. (de bent toch niet bijgelovig, zeker?»
«Die wagen is een... een monster,» stotterde ik.
Johnson begon hartelijk te lachen, maar een roche­
lende hoestbui maakte daar al gauw een eind aan.
«Kom, kerel,» kreunde hij. «Of moet je pa de tweede
envelop niet meer?»

11. JOHNSON WORDT WOEST

De BMW stond nog voor ons huis geparkeerd, maar de Gräf & Stift bevond zich niet langer in de garage.
Verbijsterd staarde ik in de lege ruimte.
Johnson snoof veelbetekenend. «Is dit soms jouw idee van een grapje, kerel?»
«Ik begrijp er niets van, mister Johnson...»
«Waar is de wagen? En je vader?» De Amerikaan leg­de een klemtoon op iedere lettergreep. Benauwd keek ik hem aan.
«Waar is de wagen?» herhaalde Johnson.
Zijn stem klonk scherp, zijn ogen schoten vuur. Ner­veus blikte ik naar Charley die op straat tegen de Ford van Bonnie en Clyde leunde. Het was duidelijk dat hij alleen maar op een teken van zijn heer en meester wachtte om in actie te komen.
«Pa...,» fluisterde ik. «Wat is er met je pa?»
«Hij moet met de automobiel weggereden zijn... Hij... Hij zal er een ritje mee...»
Johnson haalde diep adem en braakte dan een reeks met Amerikaanse krachttermen doorspekte volzinnen uit. Toen hij uitgeraasd was, ging hij hijgend op een omgekeerde emmer zitten. Ik stond hem nog steeds versteend en sprakeloos aan te staren.
Met een zakdoek veegde hij de zweetdruppels van zijn wangen en voorhoofd. Daarna wenkte hij 'Charley naderbij. Kennelijk had die reeds onraad geroken, want hij had zijn rechterhand tussen zijn jasje gestoken. Ik was er zeker van dat zijn vingers de kolf van zijn revol­ver omklemden.
«Waar is je vader, kerel?» snauwde Johnson.
Ik hapte naar lucht. «Ik weet het niet, mister
Johnson... Echt, ik weet het niet!»
«Charley?»
«Yes, sir?»
«Dat ventje heeft een slecht geheugen, geloof ik. Mis­schien kun je het een beetje opfrissen...»
Charley grijnsde gemeen, trok dan zijn pistool. «Naar buiten!» blafte hij tegen me.
Ik protesteerde niet.
«In de wagen!»
Ik kroop de Ford in.
Johnson speurde de straat af voordat hij naast mij kwam zitten. Charley nam plaats achter het stuur 'en startte. We reden door de stad. Ik was zo bang dat ik zelfs vergat op de weg te letten.

Charley stopte voor een verlaten fabriek, haalde een ouderwetse sleutel uit zijn zak en stapte uit om de ver­roeste toegangspoort te openen. Tijdens zijn korte afwe­zigheid, drukte Johnsons hand zwaar op mijn schou­der. Vluchten was dus onmogelijk. .
«Leuk optrekje, hè?» zei de miljonair met een knikje naar het gebouw. Ik vond er niets leuks aan, integen­deel, het maakte een naargeestige indruk met zijn dichtgespijkerde ramen en vieze gevel.
«Was vroeger een dochteronderneming van mijn be­drijf,» vertrouwde Johnson me toe. «Heeft me een hoop poen opgeleverd, dat fabriekje. Maar toen het op zeker ogenblik niet meer rendeerde, heb ik de boel doen slui­ten...» Hij glimlachte boosaardig. «Nu gebruik ik het voor andere doeleinden, als je begrijpt wat ik bedoel.»
Ik begreep het. En beefde van schrik.
Even later gleed Charley weer achter het stuur. Hij parkeerde de Ford op de binnenplaats van de fabriek.
Johnson liet me pas uitstappen toen Charley de poort opnieuw had afgesloten. Dadelijk drukte de gorilla de loop van zijn pistool in mijn rug en dwong me voor hem uit te lopen. Johnson opende een smalle deur, stapte opzij en liet mij en Charley met een spottende buiging voorgaan.
Binnen was het donker, vochtig en koud. We bevon­den ons in een grote, langwerpige hal. De zaklamp van Charley maakte er een zo mogelijk nog spookachtiger ruimte van. Onze voetstappen weergalmden hol. Stof wolkte op, planken kraakten.
«Kijk jij eerst even rond, Charley,» hoorde ik Johnson zeggen. «Je weet maar nooit...»
Ik draaide me om en zag nog net dat Charley zijn pistool aan zijn baas gaf. Johnson richtte het onmiddel­lijk op mijn borst; Charley beende met lange passen weg om te onderzoeken of niemand de fabriek was bin­nengedrongen. Ze konden immers geen getuigen ge­bruiken.
Dat was nog maar eens een bewijs van Johnsons zie­kelijke achterdocht, want uit alles bleek dat hier in geen jaren nog iemand geweest was. Dat was zelfs mij opgevallen, hoewel ik, doodsbang als ik was, niet be­paald in een toestand verkeerde om veel op te merken.
«Mister Johnson,» probeerde ik zwakjes. «Ik... Ik...» ... was allerminst een held.
«Ik weet echt niet waar de automobiel is, mister John­son!» Ik huilde bijna. «Ik weet nergens van, geloof me!»
«Nee, dat geloof ik niet! Je hebt me op de een of ande­re manier in de maling genomen, kerel.»
«Ik zweer het, ik weet nergens van!»
«Spreek op, nu het er nog zachtzinnig toegaat! Je krijgt tien sekonden bedenktijd...»
Mijn hart klopte razendsnel.
Voetstappen in de verte kondigden Charley's terugkeer aan.
«Ik luister...,» gromde Johnson.
Hij luisterde, maar hoorde niets.
De gorilla had ons inmiddels bereikt en stelde zich naast Johnson op.
«Aan het werk, Charley!»
Terwijl Johnson de revolver nog steeds onwrikbaar in de vuist geklemd hield, knakte Charley met zijn vin­gers. En dat akelige geluid deed me uit mijn verstarring
ontwaken. Tot dan toe was ik te bang geweest om te kunnen nadenken, laat staan iets te ondernemen.
Ze hadden niet de moeite genomen me te boeien.
Dadelijk zou ik echter uitgeteld op het smerige beton liggen.
Dus moest ik maar op mijn geluk vertrouwen.
Charley knakte nog steeds met zijn vingers, lette daarbij weinig of niet op mij.
Hij rekende blijkbaar op zijn baas.
Die tastte juist met zijn vrije hand naar een si­gaar.
Ik dook naar de benen van Johnson.
Hij verloor het evenwicht, viel voorover. Een van zijn
ellebogen raakte me venijnig in de nierstreek. Maar de revolver had hij gelost.
Ik verbeet mijn pijn, griste het wapen van de vloer, schudde Johnson van me af, vloog overeind en wervel­de om mijn as. Net op tijd. Charley stormde naderbij,
was bijna bij me. Instinctief rukte ik mijn rechterarm omhoog en sloeg toe.
Keihard knalde de revolver tegen de borst van de gorilla, de schok verlamde mijn hele arm.
Maar Charley gilde luid en wankelde achteruit. En ik ging ervandoor.
«Blijf staan!» brulde Johnson.
Geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht hem te ge­hoorzamen. Ik rende voor mijn leven naar het andere eind van de ruimte, trapte een paar planken van voor een raam en sprong naar buiten. Een roestige spijker bezorgde me een winkelhaak in mijn jeans en een bloe­dende snee in mijn been. Nogmaals verbeet ik mijn pijn.
Ik holde een binnenpleintje over, sprong tegen een muurtje op, werkte me er met veel moeite overheen en kwam met een doffe plof in een belendend moestuintje terecht. Dadelijk stormde ik naar de achterdeur van het huis toe. Aan de andere kant van de tuinmuur klonken bekende stemmen.
«Oef!» Een zucht van opluchting. De deur was niet op slot.
Ik duwde ze open, dook naar binnen. Een keuken.
Vanuit mijn ooghoek zag ik een indruk­ wekkende vaat op het aanrecht staan.
Drie sprongen en ik stormde de gang in. Daar kwam ik in botsing met een oud vrouwtje dat ik zonder scru­pules overhoop liep. Langs de voordeur bereikte ik de Poincarélaan.
Een snelle sprint bracht me bij het metrostation Le­ monnier.


12. EEN NACHTMERRIE IN DE METRO

De nacht stond op het punt over te gaan in de och­tend. De straten van Brussel lagen er nog verlaten bij, hoewel hier en daar al een vroege tram voorbijreed.
In gedachten verzonken liep ik een eindje op met een magere straathond. Ik wist niet wat ik moest beginnen. Terugkeren naar huis durfde ik niet, want daar zouden Johnson en Charley me zeker staan opwachten. Wan­hopig dacht ik aan vader die nu misschien door deze stad snorde in een op hol geslagen Gräf & Stift, bezocht door gruwelijke nachtmerries.
Ik volgde mijn kwispelstaartende gids zonder op de omgeving te letten. Pas toen hij me verliet, keek ik om me heen en merkte dat ik me in de buurt van het Noordstation bevond.
De hoge huizen om me heen leken langzaam maar zeker af te brokkelen en hun vorm te verliezen. Ze wieg­den in de wind als oeroude bomen, keken kil toe hoe ik hen voorbijliep.
Ze hadden ogen die mij nastaarden. Scherven van haat die mij op de een of andere manier herinnerden aan de Gräf & Stift. Waar was hij? Waar was mijn va­der?
Langzaam verschenen er meer mensen op straat. Op zeker ogenblik begonnen een paar kinderen met een leeg colablikje te voetballen. Ik trok me terug in een por­tiek, luisterde naar de geluiden van hun spel.
Af en toe wierpen ze argwanende blikken in mijn richting.
Ik was hier een indringer. Mijn gescheurde, maar nog duidelijk dure en modieuze kleren staken schril af tegen de lompen die zij om het lijf hadden. Ik hoorde niet bij hen. Ten slotte slenterde ik naar een halte van de metro en ging er wachten op een tram. Het duurde lang, ontzet­tend lang.
Maar toen de tram dan eindelijk verscheen, stapte ik er niet op. Integendeel, ik gilde het uit en snelde weg.
Ik stormde een trap op, vocht me een weg naar het heldere morgenlicht en schreeuwde, schreeuwde, schreeuwde...
Want er was geen tram verschenen.
Het was de Gräf & Stift geweest.
En mijn pa had achter het stuur gezeten.

13. NOG EEN DROOM

Ik stond in een kale, muf ruikende gang die eindigde bij een smalle, houten trap. Achter mij viel een deur met een luide klap in het slot. Onwillekeurig huiverde ik.
Hoewel ik bang was, liep ik vastbesloten de trap op.
Ik had immers geen andere keus.
Boven stond een deur uitnodigend open. Schoorvoe­tend stapte ik een kamer binnen waar alles zwart was. De tafel, de stoelen, het buffet...
Een vrouw in een lange, zwarte japon zat in een zwarte fauteuil. Haar gezicht was bedekt met een rag van fijne rimpeltjes. Haar kleine oogjes keken mij boos­aardig aan.
«Aangenaam,» zei ze. «Ik ben Sofie, hertogin van Ho­henberg, aartshertogin van Oostenrijk.»
Ik boog diep.
Generaal Potiorek zat aan tafel. Zijn dode, donkere ogen namen me onheilspellend op. Het kille angstzweet brak me uit.
Franz Ferdinand trad uit de schaduwen te voor­schijn. Zijn tanden blikkerden in het licht van het elek­trische peertje. Zijn uniform was besmeurd met bloed­vlekken.
Hun ogen waren glazig, merkte ik nu op. Er zat een geur van formol in hun kleren. Eigenlijk geleken ze op slecht opgezette roofvogels.
«Waarom ben je gekomen?» vroeg Sofie. Het was als­of er zand tussen haar stembanden zat. Kleine, knar­sende zandkorreltjes.
«Wij bezorgen alleen maar ziekte en dood,» ging ze verder. «Ongevallen en armoede kunnen wij onfeilbaar veroorzaken. Bij ons, vier hoog, voelt de dood ziçh thuis. Magere Hein komt hier op de koffie.»
«En dat allemaal dank zij onze meester,» voegde
Franz Ferdinand eraan toe.
Potiorek grinnikte en diepte een speelgoedautootje uit een van de zakken van zijn uniform op. Het was een Gräf & Stift, bouwjaar 1914. Hij begon ermee over het
tafelblad te rijden.
«Broemm... Broemm...»
Franz Ferdinand maakte hem het autootje afhandig.
. «Mijn beurt!»
«Nietes!»
« Welles!»
Terwijl ze erom vochten, begon het autootje te groei­
en.
Ik wendde de blik af
«Alleen volslagen wanhopige mensen geloven in gees­
ten,» murmelde Sofie.
Potiorek begon hartverscheurend te huilen. Franz Ferdinand reed met de Gräf & Stift - die inmiddels de
omvang van een mensenhoofd had gekregen - over het tafelblad.
«Ik kom jullie hulp vragen,» mompelde ik.
Het was nu onmogelijk geworden nog met de Gräf & Stift over de tafel te rijden, want hij was reeds zo groot als het tafelblad zelf Franz Ferdinand reed er dan ook mee over de vloer.
En nog steeds groeide de wagen.
«Wat wil je dat we voor je doen?»
«Het gaat om een Amerikaanse miljonair,» legde ik uit. «En om zijn handlanger. Ze willen me vermoorden. Zonder jullie hulp red ik het nooit.»
De Gräf & Stift vulde ondertussen bijna alle ruimte in de toch al overvolle kamer.
«We zullen je helpen,» knikte Sofie.
«Dank je.»
«Maar je weet toch wat er dan gebeurt, hè?» «Ongeveer, ja.»
«Je verkoopt je ziel aan een zwarte wagen. Hij zal je overal zoeken, overal vinden. Hij zal je steeds komen halen.»
«Dat is goed,» zuchtte ik.
Op dat ogenblik had de Gräf & Stift zijn normale om­vang bereikt. De tafel werd geplet tussen zijn zijkant en de muur.
«Stap in,» nodigde Sofie mij uit.
Ik ging op de achterbank zitten. Franz Ferdinand was reeds achter het stuur gekropen. Sofie nam naast mij plaats, terwijl generaal Potiorek zich naast de chauffeur nestelde. De gouverneur van Joegoslavië (waar kwam die opeens vandaan?) zette het raam open vóór hij in de koffer van de auto verdween.
Franz Ferdinand gaf gas. De auto reed dwars door het raam. Scherven en brokken steen vlogen alle kanten uit. In vrije val kwam de Gräf & Stift van de vierde verdie­ping op de straatstenen terecht. We werden ernstig dooreengeschud, maar zetten onze weg verder alsof er niets abnormaals gebeurd was. De Zwitserse racer begon te zingen. Ik praatte met de Servische boer over koetjes en kalfjes. Het was net een vakantieuitstapje. Ja, daar leek het op. Op een vakan­tieuitstapje.
We reden over alle wegen van het slapende land. Op een eenzame veldweg reden we mijn vader om­ver.

14. DE AANSLAG
Soms vroeg ik me af wat ik eigenlijk verkoos: de nachtmerries die altijd eindigden met het besef dat het maar dromen waren, of de verschrikkelijke werkelijk­heid waaruit ik niet kon ontwaken. Ik was op de vlucht. Ik bracht een nacht door in een metrostation, samen met een paar zwervers, en één in een verlaten loods, bibberend van de kou. Overdag hield ik me zoveel mogelijk verborgen, maar honger en dorst dreven me ten slotte uit mijn schuilplaats. Ik keerde terug naar huis, voelde me als een vos waarop jacht werd gemaakt. Een vos die zijn veilig hol verliet om zich in het gevaarlijke, donkere bos te wa­gen. Voortdurend keek ik achterom.
Het was mijn bedoeling thuis wat kleren op te halen en daarmee onder te duiken bij mijn tante. Misschien kon zij me helpen. Mij en vader, waar die ook was.
Vruchteloos vroeg ik me af hoe ik haar moest uitleg­gen dat pamet een behekste Gräf & Stift verdwenen was. Ze zou beweren dat ik het allemaal verzon. Misschien had ik het best alleen over Johnson en Charley. Twee gewapende schurken die iets van vader wilden... Tja, dat klonk al een beetje aannemelijker, hoewel ik me moeilijk kon voorstellen dat mijn nuchtere tante met zo'n thrillerverhaaltje naar de politie zou stappen. Volledig in zulke duistere gedachten verzonken, schonk ik weinig aandacht aan de bestelwagen. Hij stond discreet onder de treurwilg van de overburen geparkeerd. De chauffeur zat voorovergebogen, zocht kennelijk een andere zender op zijn autoradio. Zelfs als ik beter had gekeken, had ik zijn gezicht niet kunnen zien.
Pas toen ik de voordeur bereikt had, gluurde ik even naar links en rechts. Alles bleef rustig, alles leek in or­de. De chauffeur van de bestelwagen ('Natuurbrood De Graal') zat nog steeds voorovergebogen. Ik opende de voordeur, liep voorzichtig de gang in, bleef staan om te luisteren.
Niemand.
Ik waagde me in de huiskamer, sprong naar de haard en griste de pook uit de staander. Aldus gewapend, be­gaf ik me naar de keuken, vast van plan mijn huid duur te verkopen. Maar dat hoefde nog niet. Er was niets ver­dachts te zien, niets verdachts te horen. Hooguit een vaag getik, dat wel van een wekker af­komstig zou zijn. Ik schonk er dan ook geen aandacht aan. Misschien likten ze hun wonden nog, dacht ik hoop­vol. Of misschien voelden ze zich verslagen. Misschien waren ze al met de staart tussen de benen afgedropen om hun geluk elders te beproeven.
Belachelijk, natuurlijk. Ik liep naar de trap om de verdieping aan een nader
onderzoek te onderwerpen en tegelijk wat kleren in de pakken. Daarna zou ik me als de bliksem uit de voeten maken. En de hel brak los.
Eerst was er een explosie die het hele huis deed da­veren op zijn grondvesten. De ruiten vlogen aan scher­ven, de luchtdrukverplaatsing scheurde mijn trommel­
vliezen haast en slingerde me tegen de kleerkast.
Net een aardbeving. Ik krabbelde versuft overeind, wankelde even op mijn benen, staarde wild om me heen.
Op de ontploffing en het lawaai van rinkelend glas en versplinterend hout was een doodse stilte gevolgd. Nu werd deze verbroken door een geluid waarvan ik dacht dat het uitsluitend in stripverhalen voorkwam. Het klonk als 'whash' en werd veroorzaakt door een gewel­dige steekvlam. Ze kwam van de benedenverdieping en zocht zich een weg naar boven over de trapleuning. Ik kreunde. De trapleuning vermijdend, rende ik naar beneden. Ongeveer in het midden van de huiskamer zat een gapend gat. Een reusachtige krater. Kalk dwarrelde wit als sneeuw van het plafond naar beneden. Alle ruiten waren gesneuveld, alle schilderijtjes van de muren gerukt. De t.v. sproeide vonken in het rond. De deur naar de keuken was uit haar hengsels gevlo­gen. Het vuur kon dan ook ongehinderd over de vloer­bedekking de kamer inkruipen.
Want de hele keuken stond in lichterlaaie!
Ook in de huiskamer greep het vuur vliegensvlug om zich heen. Voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde, stond mijn broekspijp in brand. Ik sprong naar de gordijnen die nog geen vuur had­den gevat, rukte er één af en wikkelde me er zo goed mogelijk in. Een paar keer rolde ik me heen en weer over enkele vloertegels die nog niet aan de vlammen ten prooi waren gevallen. De hitte was verzengend, de stank ondraaglijk, de rook bedwelmend. Maar mijn broekspijp brandde niet meer.
In een wip was ik weer op de been. Ik keek naar bui­ten. En realiseerde me dat het sneeuwde. Ik sprong door het raam. Het stond open als een tan­deloze mond. Ik sneed me aan enkele scherpe tand­stompjes. In de sneeuw maakte ik een koprol.
Achter mij brandde ons huis tot op de grond af.

15. DE TERUGKEER
Ik nam de trein naar Gent en dook onder bij mijn tan­te. Ze woonde in een onopvallend en niet bepaald ge­zellig huis, waar een paar ouderwetse schilderijtjes aan de muren hingen en het altijd muf rook. Helemaal al­leen, want ze was niet getrouwd. Ja, ze was een oude vrijster, die tante van me.
Eigenlijk geleek ze een beetje op haar huis. Voor het overige viel ze best mee. Toen ze de deur opende, trok ze onmiddellijk haar wipneusje op. Nou ja, je zou hetzelfde gedaan hebben als je mij daar zo had zien staan. «Hemel, wat zie je er uit! En je ruikt... eh, aangebrand, Marc.»
«Ach, je weet wel, het werk in de garage...»
Met een kritische, ongelovige blik liet ze me binnen.
«Waaraan heb ik je bezoek te danken?» .
«Pa moest dringend voor enkele dagen het land uit. Kan ik zolang bij jou logeren?»
«Maar natuurlijk!»
Hoewel ze dat niet gauw liet blijken, wist ik dat ze heel veel om me gaf. Om vader ook, trouwens. «Zeg, heb je geen kleren meegebracht?»
«Eh... Nee...»
«Je bent kennelijk nogal haastig vertrokken!» «Nogal, ja...»
«Nou, straks ga je het bad in, hoor!»
«Okè, tante.»
«Er zitten scheuren in je broek. En waar komen die vegen vandaan? En wat is dát? Modder?! Dáár, ja! Ben je van plan zo naar school te gaan?!»
«Eh... Tja, ik...»
«Mannen! Gelukkig heb ik altijd iets achter de hand!
Anders zag het er weer mooi uit!» Ik kénde de stijve apepakjes die ze me steeds weer probeerde aan te smeren. Nochtans durfde ik deze keer niet te protesteren. Het avondeten was niet te genieten. Stijve jus waarin je je vork rechtop kon zetten, glazige aardappelen en een lap rundvlees die je alleen met een cirkelzaag door­midden kon krijgen. En tante blééf maar vervelende vragen stellen. Vreemd genoeg was mijn stemming door die laffe aanslag grondig veranderd. Johnson was te ver gegaan.
Nu zou hij me eens écht Ieren kennen. Marc Mariën in actie! Waarom had hij me niet geloofd? Ik wist werkelijk nergens van! En was het heus nodig ons huis op te blazen? Al die kleine persoonlijke zaken die in veel geval­len niet eens kostbaar waren" maar waar je erg aan ge­hecht was... In rook opgegaan!
God, als ik eraan dacht werd het me bijna te machtig!
Maar dan vermande ik me en verbeet mijn tranen. Tante mocht niets merken!
De vragen bleven echter komen.
Kon ik het helpen dat die automobiel op een of ande­re ondoorgrondelijke manier het ongeluk aantrok? Dat hij een kwaadaardige invloed uitoefende op de mensen die ermee in aanraking kwamen?
's Avonds, in tantes kleine logeerkamertje, kon ik ein­delijk eens kalm en nuchter nadenken. Ik was dood­moe, maar wist dat ik toch geen oog dicht zou doen. En voor het eerst sinds lange tijd was ik niet echt meer op de vlucht. De paniek was weggeëbd, de angst naar de achtergrond gedreven. Er kwamen geen nachtmerries, want ik sliep niet in. Ik was alleen nog opstandig, be­zorgd voor vader en had spijt van ons afgebrande huis. Eigenlijk was het heel simpel, probeerde ik mezelf wijs te maken. Ik hoefde slechts twee dingen te doen. Ten eerste: uit de handen van Johnson en Charley
blijven. Ten tweede: de Gräf & Stift vinden. Als ik de wagen vond, zou ik meteen ook vader ge­vonden hebben. In plaats van telkens weer het hazepad te kiezen, zou ik nu zelf in de aanval gaan. Ik zou voor eens en voor altijd krachtdadig afrekenen. Mét Johnson en mét de Gräf & Stift. Ik zou... Op dat ogenblik viel ik in een diepe, verkwikkende slaap. Het werd mijn eerste rustige nacht sinds de auto­mobiel van Franz Ferdinand in mijn leven verschenen was. Toen ik ontwaakte, lagen de huizen en straten onder een dikke, witte deken. Alsof de natuur me er nog eens extra wilde op wijzen dat er onnatuurlijke dingen aan de hand waren. Sneeuw in april! Voor het huis, zag ik door het raam, stond een Gräf & Stift, bouwjaar 1914. De kap van de wagen was terug­geslagen. Er zat niemand achter het stuur, niemand op de achterbank. Ik dacht aan vader. Was hij teruggekeerd? Had hij ons huis teruggevonden als een ruïne? Had hij toen misschien gedacht dat ik wel een onderkomen zou zoe­ken en vinden bij mijn tante? Wist ik veel. En het kon dus niet. Pa was in geen velden of wegen te zien. Er zat niemand achter het stuur. De wagen had ook geen bandensporen achtergelaten
in de sneeuw. Misschien was het pas na de aankomst van de automobiel zo hard beginnen sneeuwen. Of misschien liet een Gräf & Stift uit 1914 gewoon geen
sporen achter. Ik liep naar beneden. Tante dekte de tafel in de keu­ken.
«Goeiemorgen!» begroette ze me opgeruimd. Tante, de tafel, de boterhammen, de koffie, het licht in de keuken - het was allemaal zo gewoon. Té ge­woon voor wat buiten op me wachtte. Was ik wel klaar voor het duel?
«Goeiemorgen, tante.» Ik kuste haar op de wang.
«Choco of jam?» vroeg ze.
«Eh... Kan ik soms een blik benzine krijgen, tante?»
Tante keek stomverbaasd op. «Benzine?!»
«Ja.»
«Bij het ontbijt?»
«Eh... Nee... Het is... Kijk, ik heb een bromfiets staan bij een vriend op de Martelarenlaan, maar er zit geen benzine in en... Ik dacht daar nu net aan... Ik zou...»
«Ach, ik begrijp het al,» glimlachte ze. «Er staat een jerrycan in de garage.»
«Dank je, tante. Ik ben zo terug...»
Zonder dat ze er wat van merkte, griste ik een luci­fersdoosje van het gasfornuis.
«Choco of jam?»
«Eh... Jam!»
Even later had ik de jerrycan in een hoek van de ga­rage gevonden. Ik tilde hem op en opende de poort. Of­schoon ik tante altijd in dit huis had weten wonen, viel het me pas nu op dat het eigenlijk gek was een garage te hebben waarin je enkel een bromfiets stalde. Voor het huis bleef ik een paar ogenblikken staan om de frisse lucht op te snuiven. Ik hield me voor dat ik nauwelijks bang was. Met zekere pas liep ik naar de Gräf & Stift toe. Bij iedere stap verwachtte ik dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren. Maar er gebeurde niets. Helemaal niets. Ik goot de inhoud van de jerrycan over de wagen uit. Op een meter of twee van de Gräf & Stift streek ik met een snelle beweging een lucifertje af. Zonder aarzeling gooide ik het brandende stukje hout in de met benzine doordrenkte kuip van de wagen.
«Whoef!» Een oranjegele steekvlam.
In een oogwenk was de wagen herschapen in een laaiende vuurzee.
Ik grinnikte toen ik de gloed op mijn lichaam voelde. Het vuur dat ons huis had verteerd, onze burcht in deze wilde wereld, had net zo'n tintelend gevoel op mijn huid achtergelaten. Tot de hitte was gaan schroeien, bijten, branden.
Opnieuw zag ik me uit de rode hel vluchten, naar buiten buitelen, in de sneeuw tuimelen, me rollend als een jonge hond.
Opnieuw zag ik de vraaglichtjes in tantes ogen toen ze me met stinkende kleren en rode ogen op haar drempel had aangetroffen.
Ik zag het allemaal - zwijgend, op veilige afstand ­ in de brandende wagen.
In de straat renden de buren naar buiten om te kijken wat er voor het huis van tante aan de hand was. Sneeuw smolt sissend weg en ontblootte een nat stuk asfalt. Een behulpzame jongeman kwam aanlopen met een brandblusapparaat.
«Nee, bedankt!» riep ik. «Het is best in orde!»
De kerel bleef staan, zette grote, verwonderde ogen op en tikte dan met zijn wijsvinger tegen zijn voor­hoofd. Tante verscheen. «Marc! Wat heeft dit te betekenen?­» Haar stem klonk schril en dun in de ijle winterlucht. Ik draaide me om en keek haar aan. Ze moet erg ge­schrokken zijn van mijn blik, want zonder nog een woord te zeggen, holde ze weer naar binnen. Misschien dacht ze dat ik gek was geworden. Mis­schien was dat ook zo. De Gräf & Stift brandde helemaal uit. De stank van benzine, brandende rubber en verschroeid leer drong in mijn neusgaten. Ik beschouwde die geur als een wel­daad, een zegen. Onzichtbare goden strooiden as op mijn hoofd als be­dankje voor dit offer, dat in de vorm van vuilzwarte rook ten hemel steeg. Mijn huid voelde nu heet aan en mijn ogen prikten.
Er kwamen tranen uit. Van de rook, dacht ik. Niet alleen van de rook, besefte ik een fractie van een seconde later. Ook van verdriet. Ondanks alles had ik van de wagen gehouden. Ik had de Gräf & Stift op een bepaald ogenblik gehaat zo­als ik Johnson en Charley haatte. En ik was doodsbang van hem geweest. Maar ik had hem ook liefgehad. Van­wege de beloften die zijn fluisterstemmen me hadden gedaan. Beloften van macht en snelheid en weelde. Door het waas van mijn tranen, in de grillige patro­nen die de opstijgende rook tegen de grijze hemel pro­jecteerde, meende ik ze allemaal nog een keer te zien. Franz Ferdinand en zijn vrouw op de achterbank, op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Hun chauf­feur voorin, hen in hun weelderige wagen door de stra­ten van Serajewo voerend, op weg naar een gewisse dood.
Het Hilton, James! Generaal Potiorek, gek geworden bij Valjewo, in de
Gräf & Stift die op een heuveltop stond, vanwaar hij de ramp in het dal veel te duidelijk kon aanschouwen. Adem mijn adem...
De Oostenrijkse kapitein. De Joegoslavische gouver­neur die zijn arm verloor.
Net een wonde die...
De man die steeds sneller wilde rijden en die stakker toch maar voorbijstak. De garagehouder en zijn vrouw die dronken terugkeerden van een huwelijksfeest. Alleen vader zag ik niet. De automobiel brandde uit tot er enkel nog een zwartgeblakerd geraamte voor tantes huis stond...


16. IN EEN FLITS
Tante probeerde me tegen te houden, maar ik was niet te stoppen. Toen ik me met eigen ogen van de defi­nitieve nederlaag van de Gräf & Stift had vergewist, nam ik de benen. Tante kwam me achterna, moord en brand schreeuwend. Maar een hardloopster was ze nooit geweest. Sirenes in de verte kondigden de komst van de brandweer aan. Ik wist niet wat ik nu moest doen, noch waar ik heen moest. Toch voelde ik me tevreden. Ik had alvast één zorg minder. Nu de Gräf & Stift buiten gevecht was gesteld, kon ik me concentreren op Johnson en Char­ley. En op vader, natuurlijk. Waar hing hij uit?
Die nacht in het metrostation had ik één onzalig mo­ment geloofd dat hij achter het stuur van de Gräf & Stift had gezeten. Maar de automobiel kon zich onmogelijk écht in de ondergrondse bevonden hebben. Dat was een droom geweest, een nachtmerrie, een van de vele. Nochtans was ik er nog steeds zeker van dat vader er met de auto vandoor was gegaan. Wie anders dan pa kon met de wagen weggereden zijn? Was hij misschien ten prooi gevallen aan de versla­vende uitwasemingen van de Gräf & Stift, was hij ach­ter het stuur gekropen en...?
Ik wist het niet.
Ik wist alleen dat de auto opnieuw opgedoken was voor het huis van tante waar ik een tijdelijk onderko­men had gezocht. Alsof hij me had geroken. Alsof hij een jachthond was en ik de prooi. Of als een verdwaalde hond die, geleid door zijn in­stincten, zijn baasje had teruggevonden? Ik schudde het hoofd. Niet aan denken. Waanzin!
Belangrijker was dat vader, áls hij een ritje was gaan maken met de automobiel, niet meer achter het stuur had gezeten.
Wat was er gebeurd?
Het antwoord kwam in een flits.
Ik dacht aan mijn droom van enkele dagen geleden. Ik dacht...
... en vroeg me af:
Ongelukje gehad?
Die afschuwelijke mogelijkheid vertelde me meteen wat me in de komende uren te doen stond.
Ik zou pa niet in de steek laten...

17. IN HET ZIEKENHUIS
In het Academisch Ziekenhuis van Gent kreeg ik ont­stellend nieuws te horen. Al verscheidene uren vocht een operatieteam voor het leven van mijn vader. En het stond nog steeds niet vast of ze de strijd zouden winnen... Pa was die ochtend door een wandelaar op een verla­ten veldweg in een Gentse randgemeente gevonden. Een onwaarschijnlijke plek om door een wagen omver­gereden te worden, maar dat was nu eenmaal wat er gebeurd was. Bovendien had de bestuurder vluchtmis­drijf gepleegd. Als ze pa meteen na het ongeval hadden gevonden, zou het allemaal niet zo erg geweest zijn. Maar nu...
«We vrezen het ergste,» fluisterde een verpleegster medelijdend.
Urenlang ijsbeerde ik in een wachtkamer. Urenlang.
In de vroege avond verscheen er ten slotte dan toch een dokter. Hij zag er doodmoe uit. En de sombere uit­drukking op zijn gezicht sprak boekdelen.
«Het is nog niet zeker of hij het haalt,» mompelde hij, terwijl hij vakkundig vermeed me in de ogen te kijken. «Er zat een bloedklonter tussen zijn hersenvlies en zijn schedelpan. De klonter is eruit, maar... Tja...» Hij maak­te een hulpeloos gebaar.
Ik beet hard op mijn onderlip. «Kan ik hem zien?» vroeg ik dan. Nooit voordien had mijn stem zo getrild. Hij knikte. «Kom maar mee.»
We liepen door steriele gangen - een boze droom. Er lag een mummie in het ziekenhuisbed, verbonden met een akelige machine uit een science fiction-prent. Draadjes en slangetjes groeiden uit die mummie naar buiten, naar de machine toe. Of was het omgekeerd? Maar het ergste was dat ik vaders hand niet in de mij­ne kon houden, dat al die verbanden geen contact toe­lieten. Het ergste was dat hij me niet kon horen toen ik zei dat ik te weinig van hem gehouden had en dat nu pas besefte. Dat ik hem niet genoeg beschermd had te­gen miljonairs die zwaaiden met dollars en inktzwarte, oeroude wagens.
Toch bleef ik het herhalen. Misschien was het inbeel­ding (de dokter had beweerd dat hij nog verdoofd was), maar op zeker ogenblik meende ik het verband op de plaats waar zijn lippen zaten te zien bewegen. Alsof hij iets voor zich uit prevelde, zo zwak dat niemand het kon horen, behalve ik. Alsof hij antwoordde. Ik boog me voorover en wist het nu heel zeker: hij mompelde mijn naam. Haast onhoorbaar mompelde hij mijn naam... «Marc...»
Eén enkele vraag brandde koortsachtig op mijn lip­pen.
«Was het... Was het de Gräf & Stift, pa?»
«Weet... weet het niet meer,» murmelde hij. «Kan... me niets meer... herinneren... Maar... Maar Marc... Keert terug...»
Toen bewoog er niets meer. Later zou ik beseffen dat die terugkeer niet op mij sloeg, maar op een mechanisch, stalen wezen. Op een Gräf & Stift. Want ja, hij was het geweest. Ik vroeg de verpleegster of ik de nacht aan vaders bed mocht doorbrengen en dommelde langzaam maar zeker in. In mijn droom van die nacht was ik sterker dan de automobiel van Franz Ferdinand. Ik had hem doorzien en mijn verhaal in de krant ge­zet, zodat geen mens nog in zijn hinderlagen zou trap­pen. De oldtimer zou geen slachtoffers meer vinden en wegkwijnen, tot stof vergaan op een anoniem autokerk­hof als een gewone wagen. Alleen de ratten zou het wrak dan nog de kop op hol kunnen brengen. Vader was zijn laatste slachtoffer geweest. Als de oude, zwarte wagen een oude, zwarte ziel, al­machtige gedachten en alziende ogen had, dan wist hij
dat ik in deze ziekenhuiskamer op hem wachtte. Ik kénde hem nu. Ik doorzag zijn boze bedoelingen. Ik zou zijn mechaniek onderwerpen en hem temmen zo­als een cowboy een mustang temt. Ik schrok op uit mijn droom.
Pa een mummie. De Gräf & Stift verbrand voor het huis van tante. Ik nog altijd op de vlucht, nu voor de brandweer. Zo stonden de zaken ervoor. En verder:
Nacht in het Academisch Ziekenhuis.
Voetstappen op de gang.
Gedempt gekuch.
Ik zat nog steeds bij het raam. Ik keek naar buiten. Het was alsof ik ergens op
wachtte, hoewel ik me niet kon herinneren waarop. Buiten was het donker en stil. In de straat stonden lantaarnpalen stram op wacht. Soldaten van staal.
De hele wereld leek de adem in te houden en te wachten.
Waarop? Op de komst van de automobiel van Franz Ferdi­nand?
Het geluid kwam van heel ver weg. Een automotor. Het geluid kwam naderbij.
Een uitlaat knalde als een pistoolschot.
De wagen was zwart, zo zwart als de nacht. De wa­gen was van duisternis en ze zaten er allemaal in. Ze lachten. Ik draaide me met een ruk om. Pa kreunde zacht. Ik
ging naast hem staan, nam zijn omzwachtelde hand in de mijne, luisterde aan zijn mond. Een rilling voer door zijn gemummificeerde hand. «Niet bang zijn, pa,» fluisterde ik. «Spoken bestaan al­leen als je erin gelooft. Als je er niet in gelooft, kunnen ze je niets doen. Niet bang zijn. Je hoeft alleen maar te geloven dat je sterker bent dan de automobiel van Franz Ferdinand. En als jij niet sterker bent, dan ben ik het nu wél. Hij kan me niets doen. Ik ben sterker. Ik zal voor je zorgen.»
Ik verwijderde me van het bed, keek opnieuw naar buiten.
De wagen stond stil onder het raam. De uitlaat vorm­de ijle wolkjes die wegvluchtten in de nacht. De motor sloeg af. Het werd doodstil, zoals op de vooravond van de eerste scheppingsdag, van de Eerste Wereldoorlog. Ik hield de adem in.
Ik zag het heel duidelijk. Bloed op de ruiten.
Heel duidelijk in het ijzige maanlicht en de geelachti­ge stralen van de straatlantaarns.
Bloed op de ruiten, kogelgaten in het koetswerk. De automobiel van Franz Ferdinand stond zwartge­blakerd onder het raam en zat plotseling opnieuw vol blutsen en deuken, scheuren en gaten.
Het was niet mogelijk. Ik had er zélf een blik benzine over uitgegoten. Maar daar was hij weer. Hij keerde al­tijd terug.
Franz Ferdinand zat achter het stuur in zijn gala-uni­form. Zijn glazige ogen staarden me strak aan. Hij wenkte, strekte daarna zijn armen l1aar me uit. Achter hem dook de schim op van een man in een ouderwetse jas en met een hoge hoed op het hoofd. Zijn ene arm hield bruusk op bij de elleboog.
De hertogin van Hohenberg zong: «Kom met ons mee, Marc! Een ritje maken!»
De anderen fluisterden in koor: «Denk niet meer na, wij denken nu voor jou...»
De gekke generaal Potiorek beval dwingend: «Adem mijn adem...»
Ze wachtten op mij. Franz Ferdinand, vol kogelgaten.
De gekke generaal Potiorek.
De gouverneur van Joegoslavië die zwaaide met zijn
afgerukte arm. Een kapitein van het Oostenrijkse leger met een ge­
broken nek. Zij en al die anderen wenkten me en riepen mijn
naam. Wie was ik om hun uitnodiging af te slaan? Ik keek nog eenmaal aarzelend naar vader, roerloos op zijn ziekenhuisbed. Als ik naar buiten ging...
Zachtjes sloot ik de deur achter me, stapte rustig door de lege, schemerige gangen. Kalm liep ik de trap af, haast gedachteloos. Alsof ik zoals iedere ochtend naar school ging langs de weg die ik jaren geleden voor het eerst was gegaan en sindsdien altijd had gevolgd. In de hal rilde ik van de plotselinge kou. Op het bordes, voor het ziekenhuis, hield ik halt.
«Jullie zijn niet écht,» prevelde ik. .
En: «Ik geloof niet langer in jullie.»
«Jullie bestaan niet!»
«Ja, ik ben bang! Ik ben doodsbang! Ik durf bang te
zijn! Horen jullie dat? Ik durf, durf, durf bang te zijn!» «Maar jullie kunnen me niet echt raken. Ik ben ster­ker dan jullie! Ik ga niet met jullie mee! Ik geloof niet in jullie!»

18. VOOR HET ZIEKENHUIS

Wat er toen allemaal gebeurd is, heb ik nooit echt be­grepen. Johnson leunde tegen zijn Ford V-8 sedan uit 1932, de armen voor de borst gekruist, een sigaar in zijn mond. Charley stond rechts van zijn baas en richtte zijn pistool op mij. Geen Gräf & Stift. Geen Franz Ferdinand. Geen Sofie van Hohenberg. Alleen maar Johnson en Charley. En de Ford waarin de Amerikaanse gangsters Bonnie en Clyde werden doodgeschoten op een ochtend in mei 1934. Bloed op de ruiten, 167 kogelgaten in het koetswerk. De Gräf & Stift en zijn passagiers zaten enkel in mijn hoofd. Het waren slechts hersenschimmen. Drogbeel­den. Fata morgana's. Maar écht. Ze hadden zo écht geleken. Johnson trapte zijn sigaar uit. Charley knakte met zijn vingers.
«Ik geef je nog één kans, kerel!» snauwde Johnson. «De laatste,» grijnsde Charley.
«Jullie kunnen me niets doen,» mompelde ik.
«Als je me nu dadelijk zegt waar...»
Als een pijl uit een boog spurtte ik weg.
Charley vuurde. De kogel floot rakelings langs mij heen.
En ik rende door, terwijl ik de anderen hoorde zin­gen: «Harder, Marc! Altijd harder!»
«Ritje maken!»
«Adem diep in, adem diep uit.»
Charley schoot een tweede keer. De kogel boorde zich met een doffe klap in de gevel van een huis aan de overkant. Ik meende een kans te zien, wierp mijn ar­men in de lucht en liet me vallen.
«Wegwezen!» schreeuwde Johnson. «Die kerel heeft het gehad!»
Hier en daar werden al ramen opengerukt, klonken verwonderde kreten.
Johnson en Charley namen de benen. Toen sloeg ergens een motor aan. Of misschien was dat motorgeronk er al die tijd geweest, net zoals het hypnotische zingen. De stemmen die tussen de wan­den van mijn hoofd heen en weer kaatsten.
De motor brulde. Sofie neuriede in mijn hoofd, als een stoorzender,
een spookachtige vrije radio. «Ritje maken! Ritje ma­ken! Ritje maken!»
«Altijd harder, altijd harder, altijd harder,» zong ze. Ergens zette de Gräf & Stift zich in beweging. Ik krabbelde overeind, zag Johnson en Charley ren­
nen voor hun leven. Ze hadden de zwarte schaduw ge­zien die op hen toekwam, hadden begrepen wat er op het spel stond. Misschien sloegen ze voor niet meer dan een scha­duw op de vlucht, dat weet ik niet. Zoals je kunt schrik­ken van je eigen schaduw, iets in die zin. Ik zag ze rennen, op de vlucht voor een illusie, een luchtspiegeling, een weet-ik-veel. Maar dan wel één die zo écht leek... Zo verschrikkelijk écht. Ze schreeuwden, renden het hoekje om. Ik heb ze
nooit weergezien. Ik weet niet wat er van hen is geworden. Misschien hebben de inzittenden hen aan boord van hun ver­vloekte wagen getrokken. Misschien zijn ze toen samen de straat uitgereden, de stad uit, de wereld uit.
Misschien zijn ze op die manier steeds kleiner gewor­den.
Een stipje.
Een vlekje zwart in het zwart van de nacht.
Om dan op te lossen tot niets meer.
Om ditmaal voorgoed voltooid verleden tijd te wor­den...

19. SLOT
Enkele getuigen verklaarden aan de politie dat ze schoten hadden gehoord.
«We rukten het raam open, agent.»
«We liepen de straat op.»
«Ik zag nog net hoe een oude, zwarte wagen uit de duisternis opdook. Hij ging achter die twee mannen aan.»
«Twee mannen?»
«Ja, twee mannen, agent. Een dikke en een dunne.» «Hebben jullie de nummerplaat genoteerd?»
«Ach, het ging allemaal zo snel, hè!»
«En het was zelfs te donker om de wagen goed te
kunnen zien, laat staan de nummerplaat!»
«Ja. En dan reed die kar nog met gedoofde lichten ook!» De politie raakte er niet wijs uit. Maar één zaak stond als een paal boven water: de zwarte wagen, waarover alle getuigen het hadden, viel in geen velden of wegen meer te bekennen. Ook van de dikke en de dunne werd trouwens geen spoor meer gevonden. Vader werd beter. Hij kreeg veel bezoek. Ook van de politie. Ook van tante. Ze stelden vragen, de politie en tante. Over ons huis dat ontploft was. Over de schoten voor het ziekenhuis. Over de zwarte wagen die daar gezien was. Die ook voor het huis van tante gezien was. Die ik in brand had gestoken. Of mijn pa er een idee van had wie hem had omver­gereden? En waarom die kerel vluchtmisdrijf had gepleegd?
«En waar hing je al die tijd uit?» vroegen ze mij. Kortom, veel te veel om op te noemen. En onze antwoorden?
Ach, vader en ik zijn altijd erg goed geweest in het
bedenken van smoesjes. «Kijk,» was het eerste wat pa zei toen hij weer bij be­wustzijn was gekomen. «Kijk, Marc... Deze hele zaak...moet tussen ons blijven... Akkoord?»
En of!
«Wat zullen we ze vertellen?»
«De politie, bedoel je?»
«En tante!»
«Nou, dat we nergens van weten, natuurlijk. Dat we op zekere dag een oude auto voor onze garage vonden. Dat we dachten: zal wel van een kerel zijn die er geen raad mee weet, die denkt dat het een hoop oud schroot is waarvoor niemand nog een rooie duit wil geven. Dat we de auto dus begonnen op te knappen en dat toen...»
«... de problemen opdoken?»
«Jim Johnson en zijn handlanger, ja. Ze wilden de au­to kopen, wij wilden niet verkopen. Toen zetten ze ons onder druk. Ze maakten een afspraak met mij, ik ging erheen. Ze reden me overhoop en kwamen toen met jou afrekenen. Je slaagde erin te ontsnappen. Mét de wagen die je in de buurt van tantes huis achterliet. Daar kwamen ze je opnieuw op het spoor, zodat je je genoodzaakt zag de wagen in brand te steken. Klinkt dat niet aannemelijk?»
«Nee,» zei ik. «Maar daar zullen ze het moeten mee doen, hè?»
Hij grijnsde. «Daar zullen ze het inderdaad moeten mee doen, jongen.»
Zowel tante als de politie klasseerden de zaak ten slotte zonder gevolg.
Pa en ik, wij lachten in ons vuistje. Vader verliet het ziekenhuis op een dag in juni. De eerste zomerdag van dat jaar, leek het wel. De zon schitterde als een gouden muntstuk aan de hemel, de vogels zongen hun vrolijkste deuntjes. Onwillekeurig moest ik aan Franz Ferdinand denken. Een vriend voerde ons naar tantes huis. Daar zouden we wonen tot dat van ons was herbouwd. We reden traag, zo traag zelfs dat we het verkeer op de pleinen en in de straten van de stad ophielden. Au­tomobilisten met haast trommelden nerveus met hun vingers op het stuur of toeterden om ons tot spoed aan te manen. Maar wij hadden geen haast. Wij hadden alle tijd van de wereld. Thuis fluisterde tante woorden van plicht en be­rusting, of iets in die zin. In ieder geval klonk het héél ernstig. Pa en ik knipoogden naar elkaar.
«Je gaat toch niet opnieuw met die handel in oade
karren beginnen, zeker?»
«En waarom niet? Ik kén niets anders. Maar we kijken ditmaal wel uit, hè, Marc?»
«En of!»
«Geen vieze zaakjes meer voor ons, hè, Marc?» «Geen zwarte wagens!»
De zomer ging voorbij. Het werd herfst. Winter. Wij trokken in ons herbouwde huis. Dat had iets defi­nitiefs, vond ik, alsof je de laatste bladzijde van een boek omdraaide.
Natuurlijk waren er nog nachtmerries. Nachtmerries zouden er altijd zijn.
Pa vertelde me die van hem:
Je sliep als een os en je hoorde het roestige slot van de garage niet knarsen. Je hoorde de scharnieren niet piepen. Je hoorde de poort niet open- en dichtslaan. Omdat je sliep, zag je natuurlijk evenmin hoe een zwarte vorm bezit nam van de schaduwen in de gara­ge, die zich uitbreidden als de schemering inviel en krompen als het daglicht terugkeerde.
Die leuke, oude auto kwam zo maar je garage bin­nengereden. Je wist niet waar hij vandaan kwam, wie de eigenaar was. Je dacht eerst aan een grapje, je veronderstelde ook dat je hiervan aangifte diende te doen bij de politie. Het was toch altijd íémands wagen, hè?
Maar ondertussen keek je al met verliefde ogen naar die prachtige oldtimer. Je streek met liefdevolle vingers over het glanzende metaal. Je vroeg je af hoe oud hij wel was. Of hij nog zou rijden. (Natuurlijk! Hoe was hij anders in de garage gekomen?!)
Of je er dan misschien... een ritje mee kon maken. Niemand hoefde het te weten. Je kon straks nog altijd
aangifte doen.
Alleen maar eventjes... achter het stuur gaan zitten. Alleen maar eventjes...
Er gonsde wat. Net een menselijke stem. Inbeelding, dacht je.
Maar dan... dat geritsel. Nee, niet van muizen, maar van zacht fluweel. Ruisende zijde. Vingers die over satij­nen stoffen streken.
«Ritje maken,» fluisterde de stem.
«Ritje maken,» ritselde het fluweel.
Stel dat de eigenaar plots kwam opdagen.
Maar je was toch geen dief, hè? Je had hem toch eer­lijk gevonden?
Ja, je ging een ritje maken.
Je probeerde de hijgende, onrustige ademhaling niet te horen.
Of het droge kuchen. Al doofde je 's avonds de lichten van de wagen, 's morgens brandden ze weer.
Gek, hè?
De accu raakte nooit uitgeput en soms rook het in de wagen naar... naar een oud parfum. Gelukkig geloofde je niet in spoken.
Stel je voor dat je anders de wagen van de hand had gedaan zonder ermee gereden te hebben.
Dat zou toch zonde geweest zijn, hè?