29.12.08

Het Soldaatje van Wenen...

... is een oud volkslied over een soldaat die deserteert om bij zijn lief te zijn. Het meisje kan hem redden van de dood door vier raadsels op te lossen. Dit soort raadsels worden ook wel eens een "richterraadsels" genoemd. Ze houden altijd verband met een veroordeelde. Als de rechters een raadsel opgegeven door een gevangene niet kunnen oplossen, of de verwanten van de gevangene kunnen een raadsel opgegeven door de rechters wel oplossen, dan wordt het leven van de veroordeelde gespaard.



Al in die stad van Wenen,

al in die grote stad

waar duizenden soldaten

plezier hebben gehad,

daar was er een soldaatje,

soldaatje net en fijn

dat ging deserteren

om bij zijn lief te zijn.



't Soldaatje dat ging lopen

al in de donkere nacht,

de wacht heeft hem gegrepen

en naar 't prison gebracht:

"Soldaatje, gij moet sterven,

ja gij verdient de dood.

Wij kennen geen genade,

uw misdaad is te groot."



Zijn lief zei tot de koning:

"Laat mijn soldaatje vrij.

Hij is mijn allerliefste,

mijn beste vriend is hij."

- "'k Zal u vier raadsels geven,

mijn lief en aardig kind.

Uw lief dat blijft in leven,

als gij die raadsels vindt.



Zeg mij, wat is een koning,

een koning zonder land?

Zeg mij, wat is een water,

een water zonder zand?

Zeg mij, wat is een spiegel,

een spiegel zonder glas?

Zeg mij, wat is de sleutel

die op alle sloten past?"


Klik op de titel om de oplossingen te horen!

28.12.08

Rambo - tekst: Guy Didelez & Patrick Bernauw / muziek: Fernand Bernauw / zang: Patrick Bernauw


Luister hier naar (free download): "Rambo"
Ik ben ontzettend wreed gepeesd
en word alom zo fel gevreesd,
de vrouwen gillen om het meest,
ik lijk waarachtig wel een beest
en ik ben altijd zo'n beest geweest…
Want ik ben Rambo… de Paracommando!
(Oh-oh… Ik ben Rambo.)

Ik ben onzettend fel behaard,
op elke wang een wilde baard,
dat maakt mij nog meer onvervaard,
zo word ik zeer benijdenswaard
door alle mannen nagestaard…
Want ik ben Rambo Paracommando!
(Oh-oh-oh ja!… Rambo…)
Ik ben ontzettend in mijn schik
want als ik in de spiegel blik
gebeurt het zelfs dat ik schrik:
wat ben ik toch een slechterik!
Dat geeft mij keer op keer een kick…
Want ik ben Rambo… Paracommando!
(Oh-oh-oh…)
Bij vrouwen ben ik steeds in trek:
gespierde romp, toffe bek.
Ze zijn op mij zo stapelgek,
ik heb ook waarlijk geen gebrek
tenzij misschien mijn dikke nek
maar zwijg daarover liever stil
als je niet wil dat ik je levend kill…
Want ik ben Rambo… Paracommando!
(Jo-jo-jo…)
En mijn chef, dat is de Roel…
Die heeft ook een grote smoel…
Roel de Pitboel is zo cool…
Maar ik ben veel cool-er
Jo Rambo… paracommando!

22.12.08

332211121

De Mijn van de Hollander" is een gratis online schattenjacht, waarin jij of jouw team op zoek gaat naar de legendarische Mijn van de Hollander. De schattenjacht start hier ...

Dit zijn de feiten: Jonas Godyn is een volbloed Belg, al drinkt hij whisky als een Schot en heeft hij de zware, borstelige snor van een Mexicaan en de gelooide huid van een man die het grootste deel van zijn leven in de open lucht heeft doorgebracht, onder de blakende zon. Jonas Godyn spreekt niet, hij dondert. Jonas Godyn heeft de hele wereld rondgezworven, op jacht naar verloren schatten, maar nu lijkt hij plotseling spoorloos van de aardbol verdwenen. Wat is er met hem gebeurd?

Op de computer van Jonas Godyn werden een aantal documenten aangetroffen in een map getiteld 'Sleutels tot mijn Schatkamers'. Blijkbaar heeft Jonas Godyn de resultaten van zijn onderzoeken en expedities veilig opgeslagen op een aantal websites of blogs, waarbij de '???' telkens staan voor een cryptische boodschap, een wachtwoord zeg maar, dat ontcijferd dient te worden. Wie met andere woorden de '???' correct weet in te vullen, zal ongetwijfeld toegang krijgen tot een nieuw document, dat uiteindelijk naar een verborgen of verloren schat moet leiden.

Ga jij individueel of in team-verband de uitdaging aan? Wie/welk team slaagt er als eerste in een belangwekkende historische schat te bergen? Alleen de gedreven schattenjager, die vernuft paart aan doorzettingsvermogen, zal er uiteindelijk in slagen de schatten van Jonas Godyn op te sporen!


DE MIJN VAN DE HOLLANDER - SLEUTEL 6

Jacob Walz was eigenlijk een Duitser, maar alle goudzoekers van Phoenix dachten dat Old Snowbeard een Hollander was. Nog niet zo lang geleden was Phoenix een klein Indiaans dorpje geweest, waar men goud, zilver en koper opgedolven had. De goudzoekers werden al gauw zo talrijk, dat het dorpje in een mum van tijd uitgroeide tot de hoofdstad van Arizona.

Iedereen in Phoenix kende Jacob Walz. Hij kocht er munitie en proviand. Hoewel hij er altijd alleen op uit trok met zijn burro, zijn muilezel, en vaak weken aan één stuk doorbracht in het gebied van de Apachen, keerde hij steeds weer terug. Dat vonden de inwoners van Phoenix wel vreemd. 'Die Hollander moét wel een sluwe ouwe vos zijn,' fluisterden ze, een tikje afgunstig.

Tussen twee tochten door bewoonde Jacob Walz een smerige blokhut aan de oever van de Salt River of de Zoutrivier, de vroegere Rio de la Sal. Op een morgen in 1876 werd de Hollander pas een échte beroemdheid. In alle saloons van Washington Street droomde men weer hardop over goudklompen zo groot als een ei, afkomstig uit fabelachtige goudmijnen. Hier en daar vroeg men zich ook af wat de drie Mexicanen overkomen kon zijn, die spoorloos verdwenen waren in de Superstition Mountains. Toen verscheen Jacob Walz plotseling in Washington Street. Hij trok een muilezel achter zich aan, die gebukt liep onder wat wel een erg zware last moest zijn. Er lag een uitdrukking in de blik van Old Snowbeard, die ervaren goudzoekers meteen herkenden...

De Hollander stapte regelrecht naar het postkantoor, vanwaar hij een pak vol goud verstuurde naar een bank in Washington. Dat pak vertegenwoordigde een waarde van $ 70.000... Vervolgens hield hij halt in de Saint-Louis Saloon, waar hij een handvol goudklompen op tafel gooide. Zijn vuile witte baard kon niet eens de zalige grijns verbergen, waarmee hij over de zijden beurs streek die op zijn buik hing.

Bij zijn tweede biertje kreeg de Hollander het gezelschap van enkele andere klanten, ongetwijfeld oude vrienden. 'Drink je iets van me, Old Snowbeard?' klopten ze hem joviaal op de schouder. 'Vooruit! Drink er nog eentje van me! Het kan heus geen kwaad!'

De Hollander liet de klapdeurtjes van de saloon open zwaaien om drie uur in de namiddag. Toen ze achter hem dicht zwaaiden, was het elf uur 's ochtends en was hij stomdronken. Zo ongeveer de helft van àlle inwoners van Phoenix stonden om hem heen. 'Een goudmijn gevonden...' lalde hij. 'Ongelooflijk! Ik hoefde me maar te bukken... Gedaan met aarde te zeven... Gewoon bukken... En plukken... Splinters, een duim groot... Ik heb er genoeg verzameld om heel Washington Street mee te plaveien!'

'Goh, Jacob!' zeiden de omstaanders. 'Wat ben jij toch een geluksvogel! En waar heb je die fabelachtige goudmijn dan wel gevonden?'

'Superstition Mountains...' antwoordde hij met dubbele tong. 'Een droge rivierbedding die van het noorden naar het zuiden loopt... Een grot vlak bij... Vanuit die grot kon ik een rots zien... Hoe heet ze ook weer...? Weaver's Needle, precies!'

De Naald van de Wever... Goudzoekers zàt in Phoenix die wisten dat Weaver's Needle de Amerikaanse naam was voor de Pico Sombrero. En dat een zekere don Miguel Peralta enkele jaren voordien, vlak bij een rotspunt in de vorm van een sombrero, een onvoorstelbaar rijke goudmijn had gevonden.

'Een stenen gezicht...' ging Old Snowbeard verder, 'een stenen gezicht kijkt recht in de ingang van de mijn...'

Een oude en ervaren goudzoeker begon hard te lachen. 'En jij wil beweren dat je daar, in een droge rivierbedding in de Bergen van het Bijgeloof, genoeg water hebt gevonden om jou en je muilezel in leven te houden? Nee, Old Snowbeard, mij neem je niet in de maling!'

Old Snowbeard giechelde. 'We hebben gedronken van de Old Waterhole, mijn burro en ik... Het beste pad naar de Old Waterhole is nog de Apache Trail... Volgen tot Frazer's Canyon en dan... Jaja, dat heb ik altijd gezegd... Het beste pad is nog de Apache Trail...' Toen keek hij de oude goudzoeker die zo hard gelachen had dreigend aan. 'Maar ik heb daar hoog in de bergen ook nog een knekelhuis gevonden, weet je... Nog een kerkhof, yes sir... En er zijn nog genoeg plaatsjes vrij... voor al de vervloekte nieuwsgierigen... die het zouden wagen de mijn van me te stelen... Yes sir!'

Old Snowbeard legde zijn hand op de kolf van zijn Smith & Wesson en wankelde de straat uit. En alle omstaanders gingen eerbiedig voor hem opzij...



Als je vanuit Apache Junction de Apache Trail volgt naar het noordoosten, vind je een echte ‘ghost town’ op je weg, die behoort tot het Lost Dutchman State Park. Bezoek Goldfield en geef ons het woord dat te zien is op het gebouw op de foto bij de Lost Dutchman Mine:


http://schoolmoord.blogspot.com/2008/12/??????????.html




15.12.08

Werkt de Vloek van Macbeth echt? Klik hier en neem de proef op de som!


Enkele heksen voorspellen Macbeth dat hij ooit koning zal worden, en samen met zijn vrouw zorgt hij ervoor dat die voorspelling ook uitkomt: hij maakt de koning van Schotland, Duncan, een kopje kleiner. Wie wil heersen, moet letterlijk en figuurlijk over lijken gaan... Lady Macbeth zal ten slotte zelfmoord plegen en Macbeth zelf zal sneuvelen in een bloedige veldslag...

Nu kunnen acteurs nogal bijgelovig zijn. Wens ze geen geluk, want dat brengt ongeluk. Zeg liever dat ze maar beter hun been kunnen breken. Geen wonder dus, dat Macbeth al eens de krant haalt om redenen die niet meteen te maken hebben met de kwaliteit van het beroemde toneelstuk van William Shakespeare. In 1988 bijvoorbeeld viel een stemcoach tijdens een opvoering van Verdi's operaversie van een hoog balkon en brak zijn nek. De politie sprak van een ongeluk, maar volgens de acteurs had 'de vloek van het Schotse stuk' weer toegeslagen.

'Alleen al het noemen van de naam M. wordt door Britse acteurs gelijk gesteld met het over zichzelf afroepen van ongeluk,' las ik in dat jaar in de krant. 'De acteur die het toch doet, dient dadelijk de kamer uit te gaan, drie keer om zijn as te draaien, te spuwen, af te kloppen en ootmoedig te vragen om vergeving voor zijn wandaad.'

De vloek spaart zelfs voorzichtige acteurs niet. Dood, pech, angst en slechte kritieken achtervolgen Macbeth al sinds de première in 1606. Shakespeare schreef zijn stuk immers in opdracht van koning Jacobus... en op de dag van de première daagde de jongensacteur niet op, die de rol van lady Macbeth zou vertolken. (Vrouwen en meisjes mochten toen nog geen toneel spelen, want dat was slecht voor de goede zeden, zei men.) Maar lady Macbeth was dus plotseling ziek geworden en Shakespeare, die niet alleen een groot schrijver maar ook een belabberd acteur was, moest op het laatste nippertje de rol overnemen. Koning Jacobus vond het zo slecht, dat hij het stuk prompt voor vijftig jaar liet verbieden.

In de vorige eeuw was niet alleen Macbeth, maar ook de vloek heel populair. De directrice van een Londens theater overleed in 1937 tijdens de repetities (hartaanval). Toen de beroemde acteur John Gielgud zich in 1943 aan 'het vervloekte stuk' waagde, stierven zijn koning Duncan en twee van zijn heksen. Tijdens een opvoering op de Bermuda's in de jaren vijftig vloog het kasteel van Macbeth in brand. In de jaren zestig werd een toneelknecht die de vervloekte naam had uitgesproken, gedood door een speer die van een hijskraan naar beneden viel. En de ook al bekende acteur Peter O'Toole reed met zijn motor bijna van een klip toen hij het stuk in 1980 instudeerde.

Volgens een acteur die een boek geschreven heeft over het onderwerp, is al die ellende te wijten aan de heksenscènes in het stuk. Shakespeare zou zich namelijk serieus gedocumenteerd hebben aan de hand van échte toverboeken, zoals De toverkunde onthuld van Reginald Scott en Duivelkunde (1584). Hij legt zijn actrices (de drie heksen) niet alleen een voorspelling in de mond, maar ook een echte onvervalste heksenvervloeking...

Rond de ketel danst een kring,
gooit er gif en darmen in.
Dagen en nachten dertig en één,
slapend onder een kille steen
zweette het padje zijn venijn,
't moet nu in de ketel zijn!
Dobbel bobbel pook en stook,
vuurtje brand en ketel kook...

Ketel zied en zing uw zang,
reepje van moerassenslang,
hondstong, dons van vledermuis,
stekertje van blind gespuis,
gaffeltje van addertong,
teentje van een kikkerjong,
oog en poot van hagedis,
al wat taai en tover is,
hellesoepje kook en kis...

Luister hier naar de HelleSoep Blues !

Luister hier naar de Macbeth Horror Soundscape Double Double Toile & Trouble!

Luister hier naar BURN THE WITCH, ELIZABETH SELWYN!

7.12.08

Klik hier en luister naar "MotorMan"

De Jeugdboekenweek 2009 heeft als thema "fantasie" en als slogan "Achter de spiegel". Op zoek naar materiaal voor mijn lezingen en optredens tijdens de Jeugdboekenweek stootte ik op enkele oude opnames, waaronder ook deze MotorMan, die mooi past binnen het thema van de Jeugdboekenweek.

Nu al meer dan tien jaar geleden verscheen mijn jeugdroman Spookrijders, een lang griezelverhaal bestaande uit vele korte griezelverhalen, gebaseerd op "urban legends" ("broodje aap verhalen"). Daarmee worden de verhalen bedoeld die mensen aan elkaar vertellen alsof ze waar gebeurd zijn, maar die bij nader inzien grotendeels verzonnen zijn. Op een bepaald moment rijdt Johnny met een gestolen auto en ter hoogte van Nevele een mistbank in... en plotseling bevindt hij zich als het ware "achter de spiegel". Niets is daar wat het op het eerste gezicht lijkt, en hij krijgt ook merkwaardige ingevingen (of wat dacht je van "nevel is leven, maar dood blijft dood"?).

Toen ik aan dat boek werkte, had ik net Compagnie de Ballade opgericht, samen met mijn broer Fernand en Luc Borms. Enkele van de verhalen uit Spookrijders herwerkte ik tot liedjesteksten en die liedjes vind je ook op de Spookrijders Squidoo Site. Deze MotorMan is echter tot nu toe nooit ergens te horen geweest... en wij hebben het nummer de afgelopen tien jaar ook nooit live gebracht. (De reden daarvoor is tamelijk belachelijk, maar als je belooft het niet verder te vertellen, verklap ik ze hier wel even tussen haakjes: we gebruikten de muziek samen met een andere tekst voor een liedje uit De Duistere Middeleeuwen, dat een echte sleutelrol speelde in die show...)

Nu goed, eigenlijk is dit dus zo'n beetje een primeur... MotorMan!

De banden van zijn motor lijken ‘t asfalt niet te raken,
alsof ze van karton zijn hoor je de vangrails kraken.
Hij splijt de muur van mist in twee gelijke delen
terwijl hij gromt dat hij met jou komt spelen!

Hé Motorman, Motorman,
pak mij dan als je kan.

Hij draagt zware laarzen en een zwarte leren jas,
hij heeft een helmplaat van ondoorzichtig glas.
Hij danst ‘n dodelijk ballet, maakt een wijde boog,
terwijl z’n motor vuur spuwt uit één schitterend oog.

Hé Motorman, Motorman,
pak mij dan als je kan.

De Motorman, de Motorman
is half mens, half machine.
Door de aderen van de Motorman
stroomt geen bloed maar benzine.

Hé Motorman, Motorman,
pak mij dan als je kan.

Het slot van dit duel, van dit duet met de dood
wordt geschreven in een wrak van rokend schroot,
dan buigt hij zich over je heen en het allerlaatste
wat je nog ziet is jouw gezicht dat weerkaatste

in de helm van de Motorman,
pak mij dan... als je kan!



Ook een boek dat heel goed past in het thema van de Jeugdboekenweek, is De Zwarte Spiegel... waarin een jong stel letterlijk in en achter een magische spiegel wordt getrokken. Je vindt fragmenten, een boekbespreking, een samenvatting en nog veel meer op de Zwarte Spiegel Squidoo!


2.12.08

Klik hier voor: "Isabel Danst" - Tekst & Zang: Patrick Bernauw / Muziek: Fernand Bernauw

En Isabel danst graag zo traag...
En Isabel danst heel erg graag zo zeer traag...

En Isabel danst héél erg traag...
En Isabel danst zo graag.


En Isabel danst heel snel en het vel

van Isabel glanst zo fel en stel

dat zij de Duivel kreeg als gezel

dan danste ze hem naar de hel!


Isabel danst en wie danst aan haar zij?

Een jongeman in zeer zwarte kledij.

‘Mag ik van jou een laatste wals?’

Zijn stem klinkt tamelijk vals.


Met ogen zo koud als de maan

kijkt hij Isabel dwingend aan.

Zij kennen geen vreugde, verdriet -

een hart bezit hij niet.


Hij neemt Isabel bij de hand,

hij danst zo galant en charmant,

uit de vloer slaan vlammen op.

Isabel roept: ‘Stop!’


Maar de Duivel danst heel graag zo traag...

Ja de Duivel danst heel erg graag zo zeer traag...

Ah de Duivel danst héél erg traag...

De Duivel danst zo graag.


En de Duivel danst met Isabel.

‘Liefje, ik dans met jou naar de hel!

Een muur van vuur in ons spoor...

Kom wij dansen daar nu door!’


En de Duivel danst met Isabel,

en zijn vel glanst fel en Isabel

danst met de Duivel als gezel,

danst met hem naar de hel!


28.11.08

Motel DrooMoord (fragment - kort griezelverhaal uit "Spookrijders" - klik hier voor meer!)



Die avond hield Marc, een jonge Waalse inspecteur met vakantie aan de kust, uitgeput halt bij het eenzame motel langs de snelweg.

Motel Droomoord, stond er in rode aan- en uitflitsende neonletters boven de glazen deur te lezen.

'Ik logeer in Nevele bij een collega,' vertelde hij aan de eigenaar en zijn vrouw. 'Deze ochtend ben ik begonnen aan een fikse wandeling door de velden en de weiden. Het was nog prachtig weer toen. Maar rond de middag begon het opeens te sneeuwen en ben ik hopeloos verdwaald. Kan ik hier een kamer krijgen voor de nacht? Dan keer ik morgen met een taxi terug naar Nevele. '

De gezichten van de moteleigenaar en zijn vrouw boezemden de inspecteur niet veel vertrouwen in, maar hij was doodop en kon nergens anders aan denken dan aan een warm en mals bed voor de nacht.

De eigenaar nam Marc mee naar een smerig en luguber kamertje, schaars verlicht door een vaalgeel elektrisch peertje. Marc sloot de deur zorgvuldig af, gooide zich geheel gekleed op bed en sliep haast onmiddellijk in.

De jonge politie-inspecteur kreeg een gruwelijke nachtmerrie. In zijn droom stond hij in een donker hoekje van de motelkamer. Er lag een onbekende man in zijn bed. Plotseling ging de muur open en door een geheim luik, dat voor het oog verborgen werd door een gigantische poster van een zuiders strand met een naakt meisje, glipten de moteluitbater en zijn vrouw de kamer binnen. De man hield een mes in de hand en zijn vrouw een zaklantaarn.

Marc probeerde te roepen om de vreemde man die daar in zijn bed lag te slapen wakker te maken, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. Hij probeerde zich te bewegen, om het mes uit de handen van de moteleigenaar te slaan, maar zijn spieren leken verlamd. En zo moest de jonge inspecteur machteloos toezien hoe de moteleigenaar zijn mes in de borst van de slapende man plofte.

Ondertussen doorzocht zijn vrouw de kleren van het slachtoffer. Ze stal zijn uurwerk en zijn krokodillenleren koffertje. Ten slotte namen ze het lichaam bij de armen en de benen en sleepten het weg. Ze verdwenen zoals ze gekomen waren: door het geheime luik in de muur van de motelkamer. In een flits zag Marc daarachter nog een stuk van het tankstation, dat tegen het motel was aangebouwd, en waar je ook allerlei versnaperingen, kranten, weekbladen en autobenodigdheden kon kopen.

Op dat punt in zijn droom gilde de jonge politie-inspecteur het uit. Badend in zijn angstzweet, ontwaakte hij in het bed waar nog niet zo lang geleden een moord moest gepleegd zijn. Als hij tenminste zijn droom mocht geloven...

Hij bezweerde zichzelf dat het alleen maar een droom kon zijn, niets anders dan een nachtmerrie, op gang gebracht door de dubbelzinnige naam van het motel.

Droomoord...

Het oord van de droom... Maar als je het snel en hardop las, hoorde je 'droom-moord'. En of je dat woord nu van voor naar achter of van achter naar voor las, telkens bleef het een droom van een moord.

Uiteindelijk stond Marc op om bij het zwakke licht van het peertje de poster aan de muur van nabij te bestuderen. Hij ging met zijn hand onder het gladde oppervlak van het zuiderse strand met het naakte meisje en er bleek, net zoals in zijn nachtmerrie, een luik achter te zitten. Toen hij de geheime deur openduwde, zag hij daarachter de schimmige omtrekken van het winkeltje en het kantoortje die bij het tankstation hoorden...

Maanden gingen voorbij. De jonge Waalse inspecteur was de nare droom al bijna vergeten. Maar toen sloeg hij op een ochtend zijn krant open en trof daarin een artikel aan, dat de herinnering aan zijn nachtmerrie weer uiterst levendig maakte:

De politie breekt zich nog steeds het hoofd over de raadselachtige verdwijning van de handelsreiziger Victor Aernouts uit Maaseik. Hij zou voor het laatst gezien zijn in een tankstation langs de snelweg, niet ver van Nevele, waar hij gestrand was met autopech. Naar verluidt lag het in zijn bedoeling de nacht door te brengen in het motel dat bij dit tankstation hoort. Volgens de uitbater zou de heer Aernouts hier inderdaad overnacht hebben. De volgende ochtend had hij zijn weg voortgezet, maar de heer Aernouts heeft zijn bestemming nooit bereikt.

Geïntrigeerd door de gelijkenis tussen zijn droom en dit artikel, zocht Marc zijn collega van de Bijzondere Opsporing Brigade op, die met het onderzoek was belast en bij wie hij al eerder had gelogeerd, in Nevele. Hij vroeg deze rijkswachter - Otto was zijn naam - of de eigenaars van het motel misschien een tweede keer konden ondervraagd worden, en of hij dan bij deze ondervraging aanwezig mocht zijn. Daar had de BOB-er geen bezwaar tegen.

De moteluitbater en zijn vrouw herkenden hun klant van enkele maanden terug niet meer. Voor de rest bevestigden ze nogmaals dat de heer Aernouts vertrokken was, nadat hij de nacht had doorgebracht in Motel Droomoord.

'Is het niet zo, mevrouw, mijnheer,' zei de jonge politie-inspecteur met zijn zachte, maar dwingende stem, 'dat meneer Aernouts uw motel nooit heeft verlaten? Is het niet zo dat u beiden, toen hij sliep, vanuit het winkeltje en het kantoortje die bij het tankstation horen, via een deur die aan het gezicht onttrokken wordt door een grote poster van een zuiders strand met een naakt meisje, zijn kamer bent binnengedrongen? Is het niet zo dat uw man, mevrouw, de heer Aernouts een mes in de borst heeft geploft? En dat u, mevrouw, in het licht van uw zaklantaarn, het uurwerk en het krokodillenleren koffertje van de dode meneer Aernouts hebt gestolen?'

De moteleigenaar protesteerde heftig, maar zijn vrouw - die de hele tijd met neergeslagen blik had zitten luisteren - keek de jonge inspecteur nu met opengesperde ogen onbegrijpend aan.

'Is het niet zo dat u beiden het lichaam daarna de kamer hebt uitgesleept, door de geheime deur en vervolgens door het winkeltje van het tankstation, om het in een smeerput van de garage te dumpen? Een smeerput, die niet langer in gebruik is?'

'Maar dan... dan hebt u alles gezien?' flapte de vrouw er toen uit.

Het volgende ogenblik begreep ze meteen zélf dat ze haar mond voorbij had gepraat. Haar man stuurde haar een giftige blik toe, en zijzelf beet zo hard op haar onderlip, dat het bloed eruit te voorschijn druppelde.

'Alles!' knikte de inspecteur ernstig, nadat hij met opzet een veelzeggende pauze had gelaten.

Dat hij àlles had gezien, was uiteraard een leugentje om bestwil. In zijn droom had hij geen smeerput gezien, maar toen hij in het motel logeerde, had hij wel gemerkt dat het tankstation in verbinding stond met de garage. En waar kon je een lijk beter laten verdwijnen, dan in een smeerput die niet langer werd gebruikt?

Het was niet meer dan een ingeving geweest. Het was niets anders geweest dan zijn intuïtie, die hem had ingefluisterd dat de vrouw van de moteleigenaar nog één enkel klein zetje nodig had om tot volledige bekentenissen over te gaan. Daarom had hij dat gokje gewaagd met de smeerput.

Het bleek hoe dan ook een juiste gok geweest te zijn. De vrouw had in één zinnetje bekend. Ze kon die woorden nu niet meer terugnemen. De volledige bekentenissen volgden nu snel...

'Ik stond er ongelovig naar te kijken,' beëindigde Otto zijn verhaal. 'Hoe kon mijn Waalse collega dat allemaal weten? Maar toen ik de ongebruikte smeerput in de garage liet doorzoeken, bleek hij het bij het rechte eind te hebben. De smeerput was volgestort met beton, en in dat beton troffen we niet alleen het lijk van de heer Aernouts aan, maar ook nog de stoffelijke resten van een paar andere slachtoffers van Motel Droomoord...'

Spookrijders (klik hier en luister naar dit muzikaal griezelverhaal!)

SPOOKRIJDERS

Het was half twaalf, half twaalf geweest,
Hij keerde weer terug van een Zuiders feest.
Door de regen en de mist kon hij niets zien,
Ze stond op de pechstrook van afrit dertien.
Haar haren in slierten om haar gezicht,
Haar huid zo bleek en doorschijnend licht.
Een geur van patchouli en een Indisch kleed
Al vijfentwintig jaar niet meer up to date.

'Wil je een lift?' vroeg hij goedgezind
aan dat mooie lieve kleine bloemenkind.
'Ik ga tot Asse,' antwoordde zij.
'Prima,' zei hij, 'kom er maar bij.'
En ze rilde en ze trilde en ze had het koud.
Ze leek nog zo jong en toch eeuwen oud.
Hij heeft toen zijn jasje om haar heen gelegd.
Om het hippiemeisje met de rode vlecht.

‘Dank u meneer, ik dank u zeer.
De naam is Vera, Vera Van Keer.
Ik werd verrast door dit hondeweer,
Dank u, dank u zeer meneer.’

Er was een leuk liedje op de radio,
Zij vond het blijkbaar toch maar zo en zo.
Plots werd de ontvangst heel erg gestoord,
Hij draaide de knop om en hij reed voort.

'Ik hou meer van de Beatles, hun laatste hit.
Ik vind het zo jammer dat ze net zijn gesplit,'
Zei ze alsof het pas gisteren was gebeurd,
Nee om John Lennon had ze nog niet getreurd.
Keer nu maar weer, Vera Van Keer.
Keer weer tot Asse in dit hondeweer.
Weg is de sfeer, ik dank je zeer.
Keer nu maar weer, Vera Van Keer.

Was ze gevlucht uit een streng internaat,
Of was ze soms afkomstig uit een antiquariaat.
‘Waar moet ik stoppen ?’ vroeg hij kordaat.
‘Bij het station in de Weggevoerdenstraat.’
Hij zette de radio nog maar eens aan.
Hij hoorde een stem, ze klonk heel ontdaan.
Hij zette de radio de radio weer uit
En toen klonk naast hem een akelig geluid.

Bericht op de radio.

'Keer asjeblief weer, maak ommekeer.
Ik kan niet meer, asjeblief meneer.
Keer nu maar weer voor ik krepeer.
Al dat over en weer, ik kan het niet meer.'
Ze sprong uit de auto, hij hield haar niet tegen,
Ze was alweer verdwenen in de mist en de regen.

Op de bank naast hem lag een oud paspoort
Hij bekeek het aandachtig en voelde zich ontspoord:
'Geboren te Asse, Vera Van Keer.
In negentien vijftig'. Zo ongeveer.
Ze was geen vijftig, zijn Vera Van Keer:
Hij hield het bij twintig en geen jaartje meer.
Waar kom je vandaan, Vera Van Keer.
Van waar kom je en van wanneer ?
Waar kom je vandaan, uit welke sfeer ?
Waarheen keer je weer, Vera Van keer ?

Hij stopte in Asse, bij het politiebureau
En toonde haar paspoort en haar foto.
'Waarschijnlijk gestolen,' zei die agent,
'En door jouw liftster vals aangewend.'
Vera Van Keer is al dertig jaar dood,
Haar klein twee PK-tje was nog maar een hoop schroot.
Het was op de snelweg bij afrit dertien,
De spookrijder heeft ze nooit gezien.

En dus keert ze weer, Vera Van Keer.
Ieder jaar weer in het moordend verkeer.
Hij weet nu waar, hij weet ook wanneer.
Een andere sfeer, over en weer.

Hij is naar het kerkhof van Asse gegaan
En heeft heel erg lang bij haar graf gestaan.
Hij kocht chrysanten in een bloemenkraam,
Voor bij haar foto, voor bij haar naam.
Zijn jas nam hij mee, wat gegeneerd.
Die had ze immers over haar zerk gedrapeerd.
Vera Van Keer, geaccidenteerd,
En toch ongedeerd teruggekeerd.

Klik hier voor een samenvatting, boekbespreking, fragment, recensie van "De Zwarte Spiegel"



De grootste magiër aller tijden was ongetwijfeld de Engelsman John Dee, geboren in 1527, overleden in 1608. Het begon al toen hij nog student was aan de universiteit van Cambridge. Voor een toneelopvoering ontwierp hij een vliegmachine in de vorm van een kever. De professoren van John Dee meenden dat zo'n vliegende kever van metaal, zo'n ongeïdentificeerd vliegend voorwerp, alleen vervaardigd kon zijn met behulp van zwarte kunst. John Dee moest Cambridge dus verlaten en trok naar Leuven, waar hij een tijdje wiskunde en aardrijkskunde doceerde. Hij ontfutselde de beroemde Vlaamse geleerde Mercator daar ook twee aardbollen.

Op die manier kreeg John Dee er een weinig benijdenswaardige reputatie bij. Die van spion en geheim agent van de Engelse kroon. Nochtans was het op dat moment nog lang geen koek en ei tussen John Dee en de Engelse kroon. Dee was namelijk protestant en koningin Mary was katholiek. Ze vervolgde iedereen die er een andere overtuiging op nahield, zelfs haar jongere halfzusje Elizabeth.

Nu werkte er een nichtje van John Dee als kamermeisje in het kasteel van Woodstock, waar Elizabeth gevangen werd gehouden. Het nichtje smokkelde een reeks horoscopen naar Elizabeth, waarin John Dee haar een lang leven en een hoge positie voorspelde. Geheim agenten van koningin Mary onderschepten de brieven. Dee werd prompt in de gevangenis gegooid, op beschuldiging van ketterij en van een magische samenzwering tegen het leven van de koningin.

Toen Elizabeth na Mary's dood in 1558 aan de macht kwam, raadpleegde zij John Dee regelmatig.. De datum van haar kroning tot Elizabeth I van Engeland werd door de magiër vastgesteld en Elizabeth belastte John met een paar mysterieuze opdrachten op het vasteland. Zo werd John Dee, die nu stilaan roem begon te verwerven als 'doctor Dee', een vaste klant van de Antwerpse drukker, uitgever en boekhandelaar Christoffel Plantijn, die ook aardig wat landkaarten, wereldbollen, spiegels en sterrekundige instrumenten verkocht.

Uit de winkel van Plantijn bracht John Dee een kristallen bol mee naar Engeland. Dagenlang zat hij in de bol te turen, zonder iets opmerkelijks te zien. Om de toekomst te zien in de kristallen bol, had hij blijkbaar een helper nodig, een 'ziener' die deze zwarte kunst machtig was. Hij vond er één in de persoon van Edward Kelly... die wegens schriftvervalsing reeds zijn beide oren had kwijtgespeeld! De zwarte kap die zijn littekens moest verbergen, droeg nog bij tot zijn sinistere reputatie, Sonja. Volgens sommigen had Kelly 'de afschuwelijke kunst der necromantie bedreven', oftewel: het duivelse ondervragen van de doden, om op die manier toekomstige gebeurtenissen te leren kennen.

Gewoonlijk zat Dee naast Kelly en noteerde hij wat de ziener zag. Maar in november 1582, tegen zonsondergang, zag Dee zélf iets. In het westelijke venster van zijn laboratorium doemde plotseling een gedaante op, die een schitterend gepolijste zwarte spiegel droeg. Het was een geschenk voor doctor Dee!

In deze zwarte spiegel zou Kelly de visioenen zien die doctor Dee beroemd maakten. Zo noteerde John Dee in 1583 heel gedetailleerd wat Edward Kelly in de zwarte spiegel had gezien: de onthoofding van een rijzige, mooie vrouw door een zwarte man. Aansluitend daarop kreeg Kelly een waarschuwing door voor een aanval over zee door een buitenlandse macht. Hij had een visioen waarin de zee met schepen bezaaid was en hij hoorde een stem die zei dat de veiligheid van Engeland door een grote vloot werd bedreigd.

Maria Stuart, koningin van Schotland en een levenslange rivale van Elizabeth, werd in 1587 terechtgesteld, zoals Dee het beschreven had. En in 1588 zeilde de Onoverwinnelijke Armada van het trotse Spanje richting Engeland, maar de Engelsen wachtten de vloot op in Calais. Ze richtten een ware slachting aan en achtervolgden de Spaanse schepen langs de Hollandse kust.

De Zwarte Spiegel - Deel 1 (klik hier voor samenvatting, boekbespreking, enz...)


Voor J.D., J.F. & E.K.





Logaeth seg lovi brtnc
Larzed dox ner habzilb adnor
doncha Larb vors hirobra
exi vr zednip taiip chimvane
chermach lendix nor zandox




1.



Op de laatste dag van augustus ging Sonja er met Jan vandoor. Zonder een adres na te laten, zei ze haar pa adieu in een haastig geschreven kattebelletje dat Jan haar had gedicteerd.
'Voorlopig is het veiliger dat hij niet weet waar we uithangen,' zei Jan. 'Als hij merkt dat we weg zijn, zal hij weer gaan drinken, en je weet wat er dan gebeurt, Sonja...'
Sonja wist maar al te best wat er dan gebeurde. Als haar pa erin slaagde een paar dagen nuchter te blijven, viel er wel met hem te leven. Ook sinds haar moeder was gestorven, nu alweer drie jaar geleden, toen hij achter het stuur zat en niet meer dan een paar glazen Duvel op had. Toen ze met z'n allen uit de bocht gingen, en Sonja en haar vader ongedeerd uit het wrak waren gekropen, waarin haar moeder was achtergebleven met vreemd starende, glazige ogen.
Als haar pa had gedronken, en sindsdien was hij méér dronken dan nuchter geweest, leek er een andere pa in zijn lichaam te gaan wonen. Eén die in niets leek op de zachtaardige man die ze vroeger had gekend. Zelfs al werd je onzichtbaar en onhoorbaar, dan nog vond hij altijd wel een reden om erop los te meppen.

'Het is genoeg geweest,' had Jan gezegd, na die laatste keer, toen ze een schabouwelijk blauw oog had overgehouden aan een opmerking over de kleur van zijn ene sok die niet paste bij die van zijn andere. 'We maken de grote vakantie nog vol en dan trekken we voor een paar maanden weg. Misschien komt hij er op die manier achter dat het zo niet verder kan.'
Jan was al negentien geworden, Sonja net zeventien. Het was dus allerminst een gemakkelijke beslissing. Ze begreep heel goed wat er op het spel stond. Ze begreep ook dat het niet bij die paar maanden kon blijven. Als ze er met Jan vandoor ging, zou er geen weg terug meer zijn. Dan zouden ze veel langer bij elkaar moeten blijven... voor altijd misschien wel.
Zij was nog minderjarig, nog schoolplichtig ook.
Hij niet.
Hij kon ervan beschuldigd worden een minderjarige ontvoerd te hebben. Eigenlijk zouden ze zo'n beetje voortvluchtig worden. Outlaws.
Sonja had haar vriend hier voorzichtig op gewezen, maar hij had haar bezwaren weggelachen. Een hele vakantie lang was hij druk in de weer geweest met de scenario's voor een jongerensoap, die gedurende de volgende vakantie zou uitgezonden worden. Hij had er een aardige stuiver aan verdiend en vond dat een toekomst met hun tweetjes er zeer rooskleurig uitzag. Als ze zuinig leefden, konden ze het wel een jaar of zo uitzingen, dacht hij. En daarna zouden ze wel verder zien. Misschien kon Sonja dan ook opnieuw naar school gaan. Maar eerst zouden ze een tijdje onderduiken en de reactie van haar pa afwachten.
In feite was hun vlucht een soort noodkreet aan zijn adres, geloofde Sonja. En al had Jan hun verdwijning goed voorbereid, het blééf toch een impulsieve beslissing. Onderduiken in een onbekende stad, zo ver mogelijk van haar pa vandaan... en daarna zouden ze wel zien wat er gebeurde.
Sonja kende Antwerpen niet. Net als Jan was ze afkomstig van het platteland. Maar hij kuste al haar bezwaren weg. Een vage vriend van hem kende daar een adres. Ze zouden er veilig zijn voor haar pa. Ze zouden er sàmen zijn.

Het oude herenhuis lag in het havenkwartier te verkommeren tussen een onbewoond en vervallend pand aan de ene en een onduidelijke, smoezelige loods aan de andere kant. De eigenares heette Jeanne Lemaire en ontving hen als een lieve, zij het dan wel nog vrij jonge en modebewuste oma. Ze moest zo ongeveer vijftig jaar oud zijn, schatte Sonja, maar op haar zilverwitte haren na werd haar leeftijd door niets verraden. Haar figuur was nog dat van een jong meisje en haar huid leek nauwelijks gerimpeld. Haar man was lang geleden gestorven, zei ze, en sindsdien stond ze er alleen voor. Zijzelf woonde op het gelijkvloers. De eerste en de tweede verdieping van het oude herenhuis verhuurde ze.
Jan stelde zichzelf en Sonja voor als studenten. Mevrouw Lemaire zei dat ze 'in normale omstandigheden' niet verhuurde aan studenten, maar zij zagen er twee bijzonder geschikte jongelui uit, en daarom dacht ze zo bij zichzelf dat ze wel eens een uitzondering kon maken. En toen knipoogde ze eens guitig, als om hen duidelijk te maken dat ze het leugentje van Jan wel doorhad, maar dat ze er geen graten in zag. Ze vroeg hen niet wàt ze dan wel studeerden, en daar was Sonja blij om, want ze zou niet geweten hebben wat ze daarop moest antwoorden.
'Mooi, mooi, mooi,' glimlachte mevrouw Lemaire, terwijl ze hen van top tot teen monsterde. 'Twee zéér geschikte jongelui... Een perfect koppeltje, als het ware!'
Sonja voelde dat ze een kleur kreeg en kneep hard in de hand van Jan, maar hij deed alsof er geen vuiltje aan de lucht was.
'Jullie ouders weten hier toch van, hé? Ik bedoel... dat jullie hier als koppel komen samenwonen en euh... studeren? Ik voel namelijk niks voor een boel problemen...'

Jan had zijn ouders verteld dat hij ging studeren aan de universiteit, maar Sonja wist dat hij niet van plan was zich laten in te schrijven. Hij droomde al een hele tijd van een roman en hij dacht dat het moment nu aangebroken was om daarmee aan de slag te gaan.
'Eerlijk gezegd,' zei hij, 'mijn ouders denken dat ik alléén op kot zit... in een studentenhome.'
'En die van jou, juffrouw?'
'Ook,' antwoordde Sonja met een flauw glimlachje. 'Mijn ouders zijn niet zo gesteld op zijn ouders, en omgekeerd... Snapt u?'
Het leugentje kostte haar minder moeite dan ze verwacht had. In werkelijkheid kenden haar ouders zijn ouders zelfs helemaal niet... en omgekeerd.
'Maar u mag op uw beide oren slapen, mevrouw Lemaire,' voegde Jan er snel aan toe. 'We zullen ervoor zorgen dat u daar geen last van ondervindt.'
'Ze weten dus niet dat jullie... helemaal in jullie eentje... naar Antwerpen...?'
'Nee,' zei Jan. 'Daar weet haast niemand van, eigenlijk.'
'Het is zo'n beetje een geheim,' glimlachte Sonja weer het glimlachje waarvan ze hoopte dat het charmant verlegen zou overkomen. 'Ons geheimpje...'
Mevrouw Lemaire schudde traag maar eveneens glimlachend haar zilverwitte krullen. 'Ik laat me veel te gauw vertederen door een vleugje romantiek, geloof ik... Twee jongelui op de vlucht voor de boze buitenwereld!'
'Dan hebt u er geen bezwaar tegen dat wij hier euh...?' vroeg Jan schaapachtig.
'Omdat jullie er zo geschikt uitzien, ben ik bereid voor één keer een oogje dicht te knijpen,' zei mevrouw Lemaire, en ze deed duidelijk haar best om het streng te laten klinken, maar slaagde daar niet helemaal in. 'Al strookt het niet met mijn principes dat jullie er zonder medeweten van jullie ouders of wie dan ook tussenuit geknepen zijn.'
'Heel erg bedankt, mevrouw,' zei Jan.

'Hoe oud zijn jullie eigenlijk?'
'Negentien,' antwoordden ze als uit één mond.
Mevrouw Lemaire leek dat te geloven. 'Het is zesduizend frank in de maand voor een kamer, slaapkamer, keukentje en douche met WC. Hoe denken jullie dat te betalen?'
'We hebben vakantiewerk gedaan,' zei Jan, 'en we krijgen straks allebei een studentenjob. Ik doe ook wat vertaalwerk en zo. Zesduizend frank is een heel schappelijke prijs. Dat kan geen probleem zijn.'

Op de tweede verdieping woonde een Engels rockmuzikant van middelbare leeftijd die volgens mevrouw Lemaire bij een Belgische groep speelde, maar die volgens Jan wel een busker zou zijn, een straatzanger. Kelly heette hij.
Op de eerste verdieping, die voortaan hun thuis zou zijn, had tot voor kort een zekere meneer Dierickx gewoond. De arme man had kort geleden het tijdelijke met het eeuwige geruild. Volgens mevrouw Lemaire was hij ook een 'zeer geschikt persoon' geweest, zo geschikt zelfs dat ze het niet over zijn hart had kunnen krijgen zijn boeltje op te ruimen. Al zijn spullen stonden er dan ook nog onaangeroerd bij, alsof hij elk ogenblik weer kon binnen vallen. Johannes Dierickx had geen familie meer, en behalve meneer Kelly en mevrouw Lemaire had hij ook geen vrienden gehad.
Het moest in ieder geval een vreemde vogel geweest zijn, die meneer Dierickx. De woonkamer - zelfs zijn slaapkamer! - was tot barstens toe gevuld met allerlei zonderlinge spullen. Sonja zag er zelfs in de WC- en doucheruimte!

Op een metalen rek in de woonkamer waren een groot aantal houten figuurtjes geplaatst, die Sonja deden denken aan matroesjka's - of waren het baboesjka's? Sonja kon zich niet meteen de juiste naam herinneren, maar het waren in ieder geval Russische poppetjes, die meestal een boerin voorstelden of zo. Als je er het bovenstuk van wegnam, bleek er een kleiner, maar voor de rest identiek popje in te zitten. Nam je dààr het bovenstuk van weg, dan kwam er opnieuw een nog kleiner, maar weer identiek popje te voorschijn. Enzovoort...
Alleen stelden deze figuurtjes geen Russische boerin voor, maar een soort tovenaar. Tenminste, dat veronderstelde Sonja toch. Keurig op een rij stonden op dat metalen rek namelijk een boel identieke poppetjes met een hoge punthoed op het hoofd, die bezaaid was met astrologische tekens. De figuur had lange witte haren en een lange witte haard, die op een punt uitliep en zo de vorm kreeg van een uitgerekte driehoek. Ook de mantel van de tovenaar was versierd met vreemde symbolen.
'De advertentie sprak van gemeubileerde kamers,' hoorde Sonja haar vriend zeggen, terwijl ze stiekem één van de popjes van het rek nam. 'Maar ik wist niet dat daar ook een hele bibliotheek in begrepen was...'
Sonja schroefde het bovenstuk los, en ja hoor... Er kwam een tovenaar te voorschijn, die als twee druppels water op zijn iets grotere broertje leek, waarin hij perfect paste.
Terwijl haar vriend de boekenwurm met mevrouw Lemaire de bibliotheek van wijlen meneer Dierickx bleef bewonderen, richtte Sonja haar blik op een ander metalen rek, dat met haken in de muur was bevestigd. Hierop bevonden zich een aantal figuurtjes die lichtjes van elkaar verschilden in uitvoering, maar allemaal heel duidelijk een kever voorstelden.
Ze woog er één op haar hand. Het was vervaardigd uit een materiaal dat zij niet kende. Het kevertje woog nauwelijks zwaarder dan een vel papier, maar het leek even sterk als staal.
Er stak een veertje in de buik van de kever, zag Sonja. Ze vroeg aan mevrouw Lemaire wat daar de bedoeling van was.

'Je kunt het ding opwinden,' zei mevrouw Lemaire, en ze deed het voor.
De kever sloeg een paar keer met zijn vleugels en vloog dan zacht gonzend de kamer in. Sonja slaakte verrukte kreetjes en Jan slaagde er zelfs even in zijn ogen los te rukken van de boekenruggen in de bibliotheek van meneer Dierickx. Na een stuk of wat rondvluchten daalde de kever voorzichtig weer naar de begane grond, om daar ten slotte veilig en wel te landen. Merkwaardig was - maar daar dacht Sonja pas later aan - dat het kevertje bij zijn vlucht nooit in botsing was gekomen met de rand van een tafel op de poot van een stoel. Alsof het levenloze ding ogen had of een soort radar bezat, waardoor het alle obstakels moeiteloos kon ontwijken.
'Was die meneer Dierickx soms een uitvinder?' vroeg Sonja aan mevrouw Lemaire.
'Meneer Dierickx was een geléérde, juffrouw,' verbeterde mevrouw Lemaire haar met iets van ontzag in haar stem.
Sonja liet haar blik door de woonkamer dwalen, die veel weg had van de geheime schatkamer van een gékke geleerde. Onder het enige raam in de kamer stonden twee wereldbollen: één die licht uitstraalde en een antieke. Tussen de beide globes in, was een sterrenkijker opgesteld. Aan de muren hingen landkaarten uit de zestiende eeuw, die beschreven waren met Latijnse namen en waarop allerlei fabeldieren getekend waren. Op een laag tafeltje zag ze een stel proefbuisjes, een passer en enkele instrumenten waarvan ze met de beste wil van de wereld niet kon uitmaken waar ze voor dienden.

Het meest vielen echter de boeken op. Ze stonden in kasten in de woonkamer of lagen in stapels in de keuken, naast een oud fornuis en een gootsteen met barsten in. De kleerkasten en de stoelen in de slaapkamer leken stukken wrakhout, die dobberden op een zee van boeken. Het bed van meneer Dierickx, dacht ze, zou wel zo'n hoge poten gekregen hebben om over de boeken heen te kunnen springen, die eronder opgetast waren.
Al bij al vond Sonja het maar griezelig, dat de meubels en al die andere spullen van de dode meneer Dierickx hier nog stonden. Maar Jan zei dat hij het wel praktisch vond, dan hoefden ze nergens meer naar op zoek te gaan. En wanneer hij naar de boeken keek, zag ze zijn ogen schitteren op een manier die haar deed beseffen dat ze hem nooit uit z'n hoofd zou kunnen praten dat het toch wel een goed idee was geweest hier in te trekken.
Jan vroeg zich hardop af waarom mevrouw Lemaire de zonderlinge speeltjes en de boeken die overal in het rond slingerden niet gewoon had verkocht op de rommelmarkt.
'Die antieke wereldbol had u vast en zeker nog voor een aardig prijsje aan een antiquair kunnen slijten,' zei hij.
'Ach ja,' mompelde mevrouw Lemaire, 'dat had ik kùnnen doen... Maar geld interesseert mij nu eenmaal niet zo erg, Jan... Mag ik Jan zeggen?'
'Natuurlijk,' knikte hij.
'En meneer Dierickx is... wàs... een goede vriend van ons... Van meneer Kelly en van mezelf... Ik kon het niet over m'n hart krijgen zijn spullen van de hand te doen. En ik zag ook wel wat op tegen de moeite, moet ik bekennen. Maar als u niet tussen die ouwe rommel wil wonen...'
'Nee hoor,' zei Jan. 'Het geeft niet. Het is best gezellig.'
'Ik wist wel dat u een geschikt persoon was,' glimlachte mevrouw Lemaire tevreden. 'Kunnen we dan nu overgaan tot het regelen van de formaliteiten? Dan worden de schatkamers van meneer Dierickx geheel en al van u!'






2.



Sonja leek zich neer te leggen bij deze toch wel eigenaardige gang van zaken. Daar was Jan blij om. Er zat immers weinig anders op en ze hadden nu wel wat anders om het hoofd dan zich zorgen te gaan maken over een zonderlinge hospita en een zo mogelijk nog zonderlinger dode kamergeleerde. Maar ook bij Jan bleef de onrust knagen.
Mevrouw Lemaire had het letterlijk gezegd: 'Nu is dit alles van u,' had ze gezegd, met een wijds handgebaar dat de hele ruimte leek te omsluiten. Maar voor hem was de kous hiermee lang niet af. Voor hem was dit appartementje hiermee nog lang niet geheel en al van u geworden. Hij voelde zich veeleer een indringer in deze muf ruikende kamers dan de tijdelijke maar rechtmatige eigenaar ervan, en hij wist heel zeker dat Sonja er ook zo over moest denken.
Sonja verzocht hem de vooroorlogse mechanische schrijfmachine die op de tafel stond in een kast in de keuken te zetten. Het ding hing vol stof en Sonja ging er altijd van hoesten, als ze er voorbij kwam, en dan sprongen haar ogen vol tranen. Ze was allergisch aan stof.
Jan vond het niet erg. Hij had zijn draagbare PC meegebracht en hij had geen zin om zich een stel gebroken vingers te tikken op de logge, stroeve toetsen van de ouwe Remington.

En het was gek, maar op een vreemde manier boezemde die zware stoffige schrijfmachine hém - een schrijver dan nog! - meer weerzin in dan de kevers of de popjes in de metalen rekken. Hij dacht aan voorhistorische monsters, ondergedompeld in een doodse winterslaap, wachtend op een warm en levend iemand om plotseling en met een ratelend geraas tot leven te komen en de prooi te vermalen tussen metalen tanden.
Jan zette de schrijfmachine in een kast in de keuken.
'Ik zal aan mevrouw Lemaire vragen wanneer het grof vuil wordt opgehaald,' zei hij. 'Dan zetten we die schrijfmachine buiten.'
'Zou je dat wel doen?' vroeg Sonja met een bange ondertoon in haar stem.
'Natùùrlijk zou ik dat wel doen, Sonja!' antwoordde hij zo opgeruimd mogelijk. 'Dit alles is hier nu toch van óns geworden? We betalen ervoor en nu is zelfs die ouwe schrijfmachine geheel en al van óns geworden! Ze heeft het zelf gezegd!'

Die avond stond Jan met zijn arm om Sonja's schouders nog lang door het raam in de woonkamer naar de huizen aan de overkant van de eenzame, verlaten straat te staren. Eén voor één werden daar nu de lichten ontstoken.
Door de ramen aan de achterkant van hun appartementje, in de slaapkamer, kon je alleen maar verwilderde achtertuintjes zien, betonnen koertjes met barsten waaruit het onkruid hoog opschoot, vervallen en vervuilde achtergevels. Maar hiér kon je alvast een glimp opvangen van de wereldstad die Antwerpen was, in de vorm van ontelbare lichtjes die blikkerden als sterren, glommen als glimwormen of dansten als vuurvliegjes. Hier kreeg je alvast de illusie dat je niet moederziel alleen was opgesloten in een vreemde omgeving, maar dat het krioelde van leven om je heen, van de vele soorten leven die je vond in een havenstad als Antwerpen.

Stilzwijgend stonden ze daar naast elkaar naar de lichtjes van de Schelde te kijken. Tenminste, zo stelden ze het zich toch voor. De Schelde was nauwelijks meer dan een boogscheut van dit oude herenhuis verwijderd. En ondertussen dacht Jan aan thuis. Aan het mooie knusse huis op het platteland dat hij had achtergelaten om samen met zijn liefje onder te duiken in deze muffe krocht. Wat had hem in godsnaam beziéld!?
Hij nam Sonja in zijn armen, zag tranen glinsteren in haar ogen en besefte dat hij maar beter zijn mond hield over al de sombere gedachten die zoëven nog door zijn hoofd waren geflitst.
'Is het niet sprookjesachtig?' fluisterde hij.
'Schilderachtig,' knikte zij.
'Je huilt, Sonja...'
'Ik weet het,' fluisterde ze met een broos en breekbaar stemmetje.
'Ben je soms ook zo gevoelig geworden voor... voor een vleugje romantiek... zoals die schattige mevrouw Lemaire?'
'O ja, Jan,' glimlachte ze door haar tranen heen. 'Vooral wanneer het een zeer geschikt persoon is die mij in zijn armen houdt!'
Ze was dapper, Sonja. Ze deed haar best om stoer te klinken.
Hij legde zijn wijsvinger onder haar kin en tilde haar hoofd naar hem op.
'Is het heus niks anders, Sonja?'
Ze schudde het hoofd.

'Het is maar voor een paar maanden, weet je...' fluisterde hij. 'Daarna keren we terug... En dan zal het beter worden, ik weet het zeker... Dan zal hij erachter gekomen zijn dat hij jou niet kan missen, Sonja... Jou nog minder dan je moeder, nu zij er niet meer is... Dat hij hard bezig is om volkomen van jou te vervreemden... Als jij er niet meer bent, heeft hij niemand meer, Sonja... Hij zal begrijpen dat hij iets moet doen aan zijn probleem, als hij jou bij zich wil houden... En hij zàl er iets aan doen... En hij zal weer de oude worden, Sonja... Ik weet het zeker...'
Hij likte de tranen van haar wangen die smaakten naar het zout van de zee en voor hij er erg in had, lag hij naakt naast haar in een vreemd bed, in een vreemd huis. Misschien kreeg hij daarom het gevoel dat, terwijl hij met haar vrijde, een vreemdeling geruisloos de kamer kwam binnengeslopen om hen te bespieden. Toen hij daarna in slaap viel, droomde hij dat de muren hier geen oren hadden, maar ógen.
Ogen, dacht hij, weggestopt in de kelken van de bloemen op het vergeelde bloemtjesbehang... Ogen vol tranen die zich openden terwijl dauwdruppels blonken op de kelken van de bloemen die zich ontvouwden en hij bij haar naar binnen gleed... Vreemde ogen die maakten dat niet alleen dit harde bed en dit koude huis hem vreemd voorkwamen, maar ook het zachte en warme lichaam van zijn liefje dat hij ondertussen zo goed kende...

De volgende ochtend, heel vroeg, werd er twee keer gebeld. Als er één keer gebeld werd, was het voor mevrouw Lemaire. Drie keer was voor meneer Kelly. Twee keer was voor hen.
Ze lagen nog in bed. Bleek en gespannen keek Sonja hem aan.
'Dat is voor ons,' fluisterde ze gejaagd.
'Misschien is het voor meneer Dierickx,' zei Jan met gedempte stem. 'Zijn naam staat nog op het plaatje naast de bel aan de voordeur. Het zal wel voor meneer Dierickx zijn.'
'Meneer Dierickx is dood.'
'Maar misschien weet de vent die aangebeld heeft dat nog niet.'
Er werd opnieuw twee keer kort na elkaar gebeld. Het klonk dringender nu, agressiever ook, vond Jan.
'Hij kan ons onmogelijk nù al gevonden hebben,' fluisterde Sonja hees.
'Als hij ons al zoekt...' mompelde Jan.

'Niemand weet toch dat wij hier ondergedoken zijn, Jan?'
Hij schudde het hoofd. Alleen zijn vriend die hem het adres van mevrouw Lemaire had gegeven, kon er misschien een vaag vermoeden van hebben waar ze uithingen. Maar bij die vriend was hun geheim veilig, daar was Jan van overtuigd.
Stel dat het dan toch haar vader was, dacht Jan. Stel dat hij van iemand gehoord had dat zij de trein richting Antwerpen had genomen, dat hij in Antwerpen her en der navraag had gedaan en hen zo op het spoor was gekomen. Hij zou weer gedronken hebben, hij zou weer gaan schreeuwen en met zijn vuisten zwaaien. Stel dat hij de politie had ingelicht en dat hij daar nu beneden op hen stond te wachten, vergezeld door een paar agenten. Ze zouden hem in de boeien slaan. Ontvoering van een minderjarige. Hij mocht er niet aan denken.
'Kijk door het raam,' fluisterde Sonja. 'Maar voorzichtig hé... Dat hij je niet opmerkt.'
Blijkbaar ging ze er al van uit dat het inderdaad haar vader was die had aangebeld.
Jan wipte zijn bed uit en liep in pyjama, op zijn blote voeten, naar het raam van de woonkamer. Hij drukte zijn neus tegen de kille ruit, maar kon niet zien wie er aan de voordeur stond. Waarschijnlijk stond die persoon te dicht bij de deur.
'Wie is het, Jan?'
Hij keek om. Sonja stond in de deur van de slaapkamer, in haar korte nachthemdje, met haar armen om haar schouders geslagen te rillen. Niet zozeer van de kou, dat besefte hij ook wel, maar van de angst die hem uit haar grote ogen tegemoet kwam.
'Ik kan hem niet zien,' stamelde hij verward.
Er werd nogmaals gebeld. Twee keer heel kort. Twee keer heel kwààd.

Het pand van mevrouw Lemaire had geen parlofoon, zodat er niets anders op zat dan hun veilige haven te verlaten en naar beneden te gaan, naar de hall, om door de deur te openen voor wie het ook was die hen wenste te spreken. De voordeur had geen raam met al of niet ondoorzichtig glas en alleen de deur van hun appartement had een spionnetje.
Er zat écht niks anders op. Van iemand die slechts twee keer belde, kon je nog aannemen dat hij zou denken dat er niemand thuis was. Zo iemand gaf er de brui aan en stapte op. Maar iemand die drie keer belde, wist dat er hoe dan ook iemand in het huis aanwezig moest zijn en zou niet wijken voordat men de deur voor hem had geopend. Hij moést dus naar beneden, of de persoon die op hen stond te wachten en die steeds kwader en ongeduldiger werd, zou straks wel naar boven komen en dan konden ze geen kant meer uit.
'Ik ga kijken,' zei hij.
'Nee!' riep Sonja schril en harder dan in haar bedoeling kon hebben gelegen. Misschien viel het wel tot buiten te horen.
'We kunnen ons hier toch niet blíjven verstoppen als bange kleine kinderen, Sonja? Ik ga naar beneden.'
'Maar laat hem dan niet binnenkomen, hé Jan? Wie het ook is... laat hem asjeblief niet binnenkomen! En wees voorzichtig!'
Jan raapte al zijn moed bij elkaar en deed de deur van hun appartement open. Sonja kwam achter hem aan gedrenteld.
'Doe de deur op slot,' fluisterde hij.
Ze bleef staan, beet op haar nagels, maar gehoorzaamde dan toch en deed de deur dicht en op slot.
Jan ging naar beneden, nog steeds op blote voeten, nog steeds in pyjama. Hij huiverde. Het was de eerste september. Een koéle eerste september.
Hij opende de voordeur... op een kier. Stak zijn neus in de kier.

Het was haar pa niet! Integendeel! Het was een schriel mannetje in een blauwe stofjas dat hem argwanend en kwaad pal in de ogen staarde!
'Meneer Dierickx?' piepte het mannetje.
'Nee,' zei Jan opgelucht, en hij opende de deur wat verder. 'Die is enkele weken geleden gestorven.'
Het mannetje krabde verveeld in zijn haar.
'Kan ík u soms helpen?' vroeg Jan.
'En wie bent ù dan wel?' informeerde het mannetje hautain.
'Jan,' zei Jan. 'Jan De Laet. Ik bewoon de kamers van meneer Dierickx nu.'
'Welleuh...' aarzelde het mannetje. 'In dat geval... Meneer Dierickx heeft bij ons een prachtig antiek kunstwerk besteld... Een soort van spiegel, in de vorm van een ei. Het ding is al betaald en zo. Ik moest het alleen nog afleveren... laat es kijken...'
Het mannetje tastte in de borstzak van zijn stofjas en toonde Jan een bestelbon.
'... op de eerste september. Dat is vandààg, nietwaar?'
Jan knikte. Het mannetje had een onaangename piepstem die hem deed denken aan Speedy Gonzales. Op de keper beschouwd, had het héle mannetje ook wel wat van een muis weg, vond hij. Neem nou dat verdwaalde half dozijn snorharen boven zijn mond...
'Misschien kunt u het ding aan een familielid van meneer Dierickx bezorgen of zo?' opperde Speedy Gonzales.
'Meneer Dierickx had bij mijn weten geen familie meer,' zei Jan.
'Aan zijn erfgenamen dan?'
Nu ja, dacht Jan, in zekere zin zijn Sonja en ik wel zo'n beetje de erfgenamen van meneer Dierickx. En zodra je wat vertrouwd was geraakt met de spullen van de zonderling, kon je die best wel charmant vinden, veronderstelde hij.
'Goed,' zei Jan ten slotte. 'Ik zorg er wel voor.'

Speedy Gonzales slaakte een diepe zucht en verdween in een kleine smalle bestelwagen die even verder fout geparkeerd stond. Het muisje keerde terug met een vrij groot en, te oordelen naar het gekreun en gesteun dat het produceerde, ook vrij zwaar pak.
Speedy zette het pak tegen de gevel neer en haalde een andere bon uit zijn borstzak. 'Wilt u hier dan even tekenen voor ontvangst?'
Jan zette een krabbel op de plek die het muisje hem met een vuile, gescheurde vingernagel aanwees. Daarna tikte Speedy even met zijn vinger tegen zijn voorhoofd bij wijze van groet en maakte hij zich snel uit de voeten.
'Hé!' riep Jan nog. 'Zou u me niet helpen met dat pak?'
Maar Speedy had de gaspedaal van zijn bestelwagentje al ingedrukt en stoof er vandoor, Jan achterlatend in een wolk smerige uitlaatgassen. Hij grinnikte. Speedy deed de bijnaam die hij inderhaast voor 'm verzonnen had alle eer aan!
Jan bestudeerde het pak enkele ogenblikken. Het was ongeveer een halve meter hoog en een dertigtal centimeter breed, schatte hij. Hij zette zich schrap en tilde het op. Het gewicht viel nog mee, vond hij.
Jan sjouwde het pak naar binnen, duwde de voordeur met zijn voet achter zich dicht en begon er de trap mee op te sjokken. Nauwelijks had hij een paar passen gedaan, of de deur van het appartement van mevrouw Lemaire ging open.
Jan bleef staan en draaide zich half om. Even had hij de indruk dat mevrouw Lemaire, vanuit haar zitkamer, zijn gesprek met het muisje had afgeluisterd. Ze kwam haar appartement immers uit met een bijzonder tevreden uitdrukking op haar gezicht. Haar ogen vonkten vrolijk, alsof ze binnenpretjes had.
'Voor meneer Dierickx!' grijnsde Jan, met een knik naar het pak in zijn armen.

'O!' riep mevrouw Lemaire verrukt uit, en ze sloeg haar handen in elkaar. 'Dat is mooi, jongen! Dat is mooi, mooi, mooi!'
Toen leek ze zich plotseling de rol weer te herinneren die ze behoorde te spelen. Monkelend draaide ze zich om en verdween in haar appartement.

Het was een zeer mooie zwarte spiegel in de vorm van een ei. Hoewel hij geen expert was, zou het kunstwerk ongetwijfeld wel heel kostbaar zijn. Misschien was het zelfs antiek.
Hoe dan ook, een gewóne spiegel was het duidelijk niet. Alleen al het feit dat hij zwart was, en dan die eigenaardige eivorm, maakten hem speciaal. Het oppervlak van de spiegel was glad, maar niet van glas. Hij was vervaardigd van een donker materiaal dat Jan niet kende, maar waarin zijn nachtzwarte spiegelbeeld heel duidelijk te zien was.
'Spiegeltje, spiegeltje aan de wand... wie is de mooiste van het land?' grijnsde hij. 'Waar zullen we 'm ophangen?'
'Je bedoelt toch niet...?' begon Sonja, maar ze maakte haar vraag niet meer af, omdat ze maar al te goed wist wat hij bedoelde.
'Zo'n mooi geschenk kunnen we toch niet weigeren, Sonja?'

Hij was niet helemaal eerlijk, dat besefte hij best. Hij had het gevoel alsof hij zich door Speedy Gonzales in de luren had laten leggen. Ooit had een oplichter hem in het Centraal Station van Brussel 500 frank afgetroggeld met een emotioneel verhaal over de afschuwelijke samenloop van omstandigheden die hem hier had laten stranden. Meer dan 500 frank had hij niet nodig om naar huis te sporen en daarna zou hij Jan op staande voet terugbetalen. Hij had zelfs Jans adres, bankrekening- en telefoonnummer gevraagd... en gekregen. Maar Jan had nooit meer wat van hem gehoord. Toen Sonja er hem naderhand op wees dat hij zich weer eens laten bedonderen had, had hij zich net zo gevoeld. En nu wilde hij haar in geen geval de kans geven hem er nogmaals op te wijzen wat voor een lichtgelovige, sentimentele dwaas hij toch was. Dus zette hij maar een stoer gezicht en een grote mond op.
Sonja wees naar een donkere vlek in het verbleekte bloemetjesbehang dat nog net tussen twee overvolle boekenrekken te zien was. Op ooghoogte had daar duidelijk tot voor kort en gedurende een hele lange tijd iets gehangen dat ongeveer een halve meter hoog en dertig centimer breed moest zijn. Het zwarte ei had zowat dezelfde afmetingen en was bovendien met een ijzeren stang bevestigd aan een inktzwart geschilderde plank van eveneens zo'n halve meter hoog en dertig centimeter breed.
Op de achterkant van de plank zat een haak en precies op de juiste plaats zat er ook een spijker in de muur, zag Jan nu. Alsof dat zwarte spiegelei daar jarenlang aan die houten plank tegen de muur had gehangen, vloekend met het bloemetjesbehang. Alsof dat zwarte spiegelei daar pas eergisteren was weggenomen en nu alweer was teruggekeerd om zijn rechtmatige plaats weer in te nemen.
Maar natuurlijk zei Jan niets van dat alles. Hij wilde Sonja niet nog banger maken dan ze al was. En dus nam hij de zwarte spiegel op en plaatste de plank precies op de donkere vlek in het verbleekte bloemetjesbehang.
'Kijk eens aan!' riep Jan opgewekt uit. 'Onze zwarte spiegel past er perfect in! En zo zijn we meteen die lelijke vlek kwijt!'

Die nacht werd hij gewekt door het loeien van een politiesirene. Hij had een droge mond en stond op om een glas water te drinken in de keuken. Toen hij naar de slaapkamer terugkeerde, viel zijn blik op de zwarte spiegel die het licht van een straatlantaarn weerkaatste. Hij ging er op een stoel naar zitten kijken: het was een sprookjesachtig beeld.

Terwijl hij zo naar dit gelig zwarte licht zat te kijken, werd hij zich langzaam maar zeker bewust van een eigenaardig gevoel... alsof iets... nee, iémand... een ànder... een indringer... zijn hoofd binnen sloop, zijn gedachten infiltreerde en doordrong in wat wij voor het gemak maar onze 'geest' of onze 'ziel' noemen... De stem in ons hoofd, met andere woorden, waarmee wij voortdurend denken en voelen en die alleen maar zwijgt als we slapen.
Dit iéts... deze indringer... kwam van buiten en sloop naar binnen en probeerde hém, de bewoner van dit lichaam dat zich Jan De Laet noemde vervolgens naar buiten te drijven. De indringer leek kille scherpe klauwen te hebben en sterk, héél sterk, sterker dan Jan ooit geweest was of worden zou.
Op hetzelfde moment zag hij tot zijn grote verbijstering hoe zijn zwarte spiegelbeeld in het glazen ei waziger werd en begon te rimpelen, zoals je spiegelbeeld in een waterplas wanneer de wind opsteekt. De hem zo bekende trekken van zijn gezicht vervaagden, een ànder gezicht gleed er overheen en toen zat hij al oog in oog met een stokoude man met lange witte haren en een lange witte baard die op een punt uitliep en de vorm had van een uitgerekte driehoek. De grijsaard had strenge ogen en dunne lippen en hij droeg een vreemd hemd met een kanten kraagje en een potsierlijk hoofddeksel, een soort kapje.
Zijn spiegelbeeld... het beeld in de spiegel waar Jan naar zat te kijken en dat Jan helemaal niet meer was terwijl het Jan en alleen Jan hoorde te zijn... Dat spiegelbeeld leek als twee druppels water op de houten popjes die zo perfect in elkaar pasten, en waarvan die goeie ouwe meneer Dierickx er een heleboel had verzameld of misschien zelfs eigenhandig gemaakt, hij wist het niet meer. En gedurende één vreselijk ogenblik wérd Jan ook één van die identieke popjes, werd hij ook de man met de dunne witte haren en baard, was hij niet langer een jongeman van negentien die Jan heette, maar...

'Ik heet John en ik ben éénentachtig,' fluisterde de grijsaard in Jan die hem vanuit de spiegel pal in de ogen keek. 'Ik heet John en ik ben éénenachtig... Aangenaam!'
Met een schorre kreet sloot hij de ogen, maar het beeld verdween niet. Het was veel meer dan het soort na-beeld dat in je netvlies gebrand leek als je te lang in de zon had gekeken. Het was veel erger dan een na-beeld van een straatlantaarn die weerkaatst werd in het zwarte spiegelglas van dit verdomde zwarte ei aan de muur, en dat op zijn netvlies vervormd was geworden, van een eenvoudige bol tot een echt gezicht met alles erop en eraan, van een stokoude man met witte haren en een witte baard, een grijsaard van éénentachtig. Het was heel anders dan dat, eindeloos veel afschuwelijker dan staren in de wolken en je vervolgens voorstellen dat je daar een galjoen voorbij ziet varen, of kijken in de mist en je inbeelden dat je daar schaapjes ziet lopen. Het was veel meer dan dat.
En toch ging ook dit beeld voorbij. De kille klauwen leken zich dan wel diep in hem vastgehaakt te hebben, leken nu diep in hem weg te zinken, te verzinken, maar het beeld ging voorbij en er bleef nog slechts een vluchtige, vage echo achter van de stem die hij had gehoord, weerkaatsend in zijn hoofd, van schedelwand tot schedelwand: 'Ik heet Johannes en ik ben zevenenveertig... Aangenaam!'
Het kille angstzweet was hem uitgebroken. Even had het geleken alsof hij bezig was te verzinken in een poel drijfzand, in een diepe poel van duisternis, de stinkende modder stond al tot aan zijn lippen... Maar nu hij een paar maal met het hoofd schudde, met de ogen knipperde en herhaalde dat hij Jan heette en dat hij negentien was, loste het misselijk makende gevoel langzaam maar zeker op in het niets...





3.



Sonja besefte best dat er die nacht iets gebeurd moest zijn met hem en met de spiegel, maar dat hij er niets over wilde vertellen omdat hij haar niet nodeloos ongerust wilde maken. Hij had haar gewekt met een afschuwelijke kreet en ze had hem in de woonkamer gevonden, op een stoel, met nietsziende ogen starend naar het zwarte ei aan de muur, prevelend dat hij Jan heette en dat hij negentien was. Ze had zacht haar hand op zijn schouder gelegd om hem te doen ontwaken uit de nachtmerrie die hem blijkbaar in zijn greep had, en hij wàs ontwaakt, al sliep hij dan niet, want hij had z'n ogen open, al zagen die niets, al keken die dwars door haar heen. En die ogen van hem, zijn trillende onderlip ook, hadden alle vragen die in haar opwelden het zwijgen opgelegd.
Hij wilde haar niets vertellen omdat hij haar niet nodeloos ongerust wilde maken, dat begreep ze best. Maar de volgende ochtend, terwijl hij nog sliep, haalde zij de spiegel van de muur en de schrijfmachine uit de kast in de keuken. Ze stopte het zwarte ei terug in het pak waarin het hier was binnengekomen en de schrijfmachine stopte ze in een kartonnen doos uit de kelder van het oude herenhuis, waar de vuilniszakken werden opgeslagen.
Hij sliep nog altijd toen ze met het pak naar de Schelde liep en hij was nog niet wakker geworden toen ze met de kartonnen doos dezelfde weg volgde. Hij sliep een gat in de dag, wat helemaal niet zijn gewoonte was. Jan was immers een op en top ochtendmens.

Vooral het pak met de zwarte spiegel leek in haar armen te branden, alsof het een pak vol kokend pek was. Het was slechts enkele minuten lopen naar de Schelde, maar toch had zij het gevoel dat ze er uren over deed. Meer dan eens keek ze om, in de stellige zekerheid dat ze gevolgd werd, en dat mevrouw Lemaire plotseling achter dat hoekje zou opdagen om haar te stoppen. Maar als ze dan omkeek, was er nooit iemand te zien.
Haar hart klopte hoog en hard in haar borst. Hoewel het onzin was, blééf ze ervan overtuigd dat ze spoorloos zou verdwijnen in de oude wijken van de stad, voordat ze de Schelde had bereikt en daar had gedaan wat ze moest doen. Plotseling leek haar dat een heel overtuigende gedachte. Hoeveel jonge vrouwen zouden er al niet reddeloos verloren gelopen zijn in de oude wijken van deze oude stad bij de Schelde?
Ze dacht aan een verhaal dat ze had moeten lezen op school, een verhaal van Georges Rodenbach, in het kader van een aantal lessen over de romantiek in de literatuur en de schilderkunst. 'In Bruges-la-Morte strooien de klokken slechts het stof van klanken om zich heen! De beiaard slaat hier niet het nieuwe uur, maar de dood van het uur!'
Ze had dat nooit goed begrepen, maar nù begreep ze het wel. Niet het nieuwe uur, maar de dood van het uur... Dat verhaal van Rodenbach speelde zich dan wel af in Brugge, maar Brugge was net als Antwerpen een stad waarin de tijd had stilgestaan, waarin de middeleeuwen nog tastbaar aanwezig waren.

Op haar weg naar de Schelde, hier net als in Brugge, zag ze de heksenflora welig tieren tussen de straatstenen. Snoof ze de geur op van zwavel en pek, die nog steeds zwaar tussen de muren hing.
Dat was onmogelijk, natuurlijk. In werkelijkheid zou ze wel de uitlaatgassen van een vroege vrachtwagen opgesnoven hebben. Maar toch...
In Brugge zongen de nachtegalen van het Minnewater ingetogen over een wereld die voor de meesten onder ons altijd onbereikbaar moest blijven, hoe nabij hij soms ook leek... En hier, in Antwerpen, op weg naar de Schelde, waren het de meeuwen en de duiven die krasten en koerden, verlokkend en beangstigend tegelijk.
Ze had op een stadsplan van Antwerpen gekeken nog voor ze hierheen waren gevlucht, en toén al had ze geweten dat dit stadsplan uit een eeuw die ademloos naar zijn einde snelde niet wezenlijk verschilde van een plattegrond van het middeleeuwse Antwerpen. Nog steeds bezat de stad de vorm van een doolhof, van een horlogeveer. Ze had het heel duidelijk gezien. En in die onoverzichtelijke spiraal, van het oude herenhuis van mevrouw Lemaire tot de Schelde, zou zij reddeloos verdwalen. In dit labyrint dat zich niet stoorde aan de wetten van tijd en ruimte moést de argeloze toerist die niet voorzien was van kaart of kompas wel voortdurend op zijn vertrekpunt terugkeren. Ze wist het heel zeker.
Ze werd misleid. Op haar weg van het oude herenhuis naar de Schelde en van de Schelde terug naar het oude herenhuis werd ze misleid door de architecten en de bouwheren van deze stad, die de wegen van Antwerpen verloren hadden gelegd in hun zwartmagische kringen en slingeringen!

Ze keek naar de gothische gevels van het fabuleuze operadecor dat haar plotseling omringde: het Antwerpen van de Renaissance. Ze dacht aan de Romantiek van Rodenbach: de ondeugden en het verderf die sluimeren achter de gothische gevels van het fabuleuze opera-decor dat Brugge is, Brugge bij nacht, Brugge die Stille... Iemand, een lesgever, ze herinnerde zich zijn naam niet meer, had er Karel van de Woestijne bijgesleurd, nóg een dode en zwaarmoedige dichter: 'Hoe in deze stad van de katholieke God ook, en met dezelfde zonden van vraatzuchtige gulzigheid achter schijnheilige gevels en onkuisheid in stijfstemmige kledij, de Satan huist die in de vijftiende eeuw de festijnen bereidde en de ontucht leidde aan 't Hof van Bourgondië...'
Waarom had zij Jan in 's hemelsnaam gevolgd in zijn krankzinnige plannen? Waarom had zij hem naar hiér gevolgd, naar Antwerpen, terwijl er zó veel geruchten de ronde deden over jonge meisjes die reddeloos verloren gelopen waren in deze verre vreemde stad? Voorbij dat geheimzinnige poortje misschien... Van die achtergevel die in meditatie verzonken leek... Die in de vermoeid glanzende spiegel van de reien, van de grachten van Antwerpen waren gesprongen, en die spiegel uit elkaar hadden laten spatten in duizend scherven?
Onwillekeurig moest ze erom giechelen. En keek om. En zag niemand.

Wat voor een onzin trok er toch door haar hoofd!? Wat voor een gezwollen taal was dat!? Wat voor een waanzinnige ideeën! De reien waren al lang gedumpt en Karel Van de Woestijne en Georges Rodenbach met zijn voze romantiek waren al lang dood. Er groeide al gras op hun buik. Dit was de twintigste eeuw, hàllo! Ze werd niet gevolgd en ze zou niet verdwalen, want er stonden overal wegwijzers: naar het Stadhuis, naar het Steen, naar de Schelde, noem maar op!
Ze hoorde bendes vroege toeristen verrukte kreetjes slaken in alle talen van de beschaafde wereld, en keerde terug naar het oude herenhuis, en keerde terug naar de Schelde. Ze keek naar de kleine venstertjes van de smoezelige loods naast het huis waar zij nu woonden. De kleine venstertjes die zo goed op lege oogkassen leken.
'Zal ik u straks de dichtgemetselde in- en uitgangen wijzen, juffrouw? Heb ik u al verteld dat zij niets anders zijn dan gesloten ogen?'
Daar had had je die vreemde stemmen wéér...
'Waarom heb je dan de ogen gesloten, mijn liefste? Waarom heb je de ogen gesloten voor de nauwe steegjes die ooit naar onderaardse losplaatsen leidden?'
Ze keek naar de hoge smalle huizen die naar elkaar leken over te hellen en slechts een fijn streepje zonlicht doorlieten... Kamperfoelie, wilde wingerd en klimop overwoekeren hun paviljoenen en hun erkers.
En uiteindelijk slaagde ze er niet in de spiegel en de schrijfmachine te dumpen in de Schelde. Er waren té veel toeristen, er waren agenten die haar op de bon konden zetten: 'Sluikstorten is verboden, juffrouw!' Er waren de vreemde stemmen die haar stopten en er was de angst dat ze in vieze zwarte Scheldewater zou vallen, dat ze erin geduwd zou worden en dat de waterspiegel in duizend scherven zou breken.

Ze liet de schrijfmachine en de spiegel achter in een leegstaand paviljoentje bij een onbewoond herenhuis, en verborg ze onder kamperfoelie, wilde wingerd en klimop...
Daarbij keek ze minstens vier keer om. En telkens zag ze niemand.

De volgende paar dagen bracht Sonja door met boodschappen doen, naar de bioscoop gaan, Big Mac's eten en cola drinken in een lekker moderne Macdonalds, of zomaar door de stad dwalen. Daarbij verdwaalde ze nooit had ze ook nooit meer het gevoel gevolgd te worden. De stemmen deden er verbolgen het zwijgen toe. Alles leek weer min of meer normaal te worden. De draaikolk in haar hoofd was tot bedaren gebracht.
Ondertussen zat Jan thuis in de boeken van meneer Dierickx te studeren. Ze liet hem graag met rust. Lezen en schrijven was zijn lange leven. Als dàt hem kon verzoenen met hun situatie, dan was dat voor haar okee. Ze had zich hun eerste dagen onder hetzelfde dak ooit wel eens anders voorgesteld, maar ze wilde niet klagen. Ze had zich ooit zó veel dingen anders voorgesteld, toen haar mama nog leefde en haar papa nog niet dronk.
Ze vroeg zich af of haar vader haar al had opgegeven als vermist. Was het al tot zijn benevelde brein doorgedrongen dat zij er niet langer was? Zocht hij haar al? Had hij de politie al ingelicht? Zocht de politie haar dan al? Wist hij waarom ze écht aan de haal was gegaan en had hij ook dàt aan de politie verteld? Wist hij dat ze met Jan was?

's Avonds, in bed, probeerde Jan haar te troosten. Hij was heel lief voor haar. Alsof hij dan in één klap wilde goedmaken dat hij een hele dag over de boeken van Dierickx gebogen had gezeten. Maar dat nam ze hem niet kwalijk. Als hij maar niet moeilijk begon te doen over de spiegel en de schrijfmachine. En dat deed hij niét. Integendeel, hij deed zelfs alsof hij het niet eens in de gaten had gekregen dat de zwarte spiegel en de schrijfmachine verdwenen waren.
'Als dit alles achter de rug is,' zei hij, 'zullen we er sterker uit te voorschijn komen dan we ooit zijn geweest. We zullen er ànders uit te voorschijn komen, Sonja.'
Jan had gelijk. Even had ze op het punt gestaan in te storten. Toen ze met de spiegel en de schrijfmachine naar de Schelde liep, maar ze uiteindelijk dumpte in een vervallen paviljoentje, onder een beschermende laag kamperfoelie, wilde wingerd en klimop. Ze was overspannen geraakt door hun vlucht, het onderduiken, de angst ontdekt te worden, de nieuwe situatie waarmee ze werd geconfronteerd, dit heel àndere leven dat ze nu moesten opbouwen. Haar overspannen verbeelding was met haar aan de haal gegaan, ze had zich zelfs Georges Rodenbach en Karel Van de Woestijne herinnerd en ze had stemmen gehoord en mensen en dingen gezien die er niet waren. Beelden die in de middeleeuwen thuishoorden en in Bruges-la-Morte, maar niet in het Antwerpen van het einde van de twintigste eeuw.

Maar die crisis was nu voorbij. Ze kon het weer aan. Ze had zichzelf weer perfect onder controle. En Jan had gelijk, ze voelde zich ook sterker worden met de dag. Alles om haar heen veranderde... maar ook zíj veranderde. Ze werd een ander mens, een volwassen mens. Ze was een bang klein meisje geweest, maar nu leerde ze op haar eigen benen te staan. Leerde ze vooral dat ze het kón.
Ze hadden alleen wat kleren en wat persoonlijke spulletjes meegenomen waar ze om één of andere reden veel belang aan hechtten. Meer hadden ze hier niet nodig, dachten ze. En dat was een wijze beslissing geweest, want meer hadden ze inderdaad niet nodig om een ander mens te worden. Hun verblijf op een geheim adres in Antwerpen moest de start betekenen van een heel nieuwe periode in haar leven. Een periode zonder pa, die hem duidelijk moest maken dat ook híj moest veranderen, als hij nog ooit iets goeds voor haar wilde betekenen.
'We hebben hén niet nodig, Sonja,' fluisterde Jan haar in haar oor. 'Jouw pa niet, mijn ouders niet. We hebben al onze spullen in ons oude huis achtergelaten, samen met ons oude, bange vel. We hebben alleen het hoogstnodige meegenomen, en zo is het goed, Sonja. Er zijn geen geboden en verboden meer. Wij zijn vrij, nu. Wij hebben ons bevríjd, Sonja!'
En Sonja geloofde hem onvoorwaardelijk. Omdat ze dat wilde. Omdat er een warme gloed opsteeg van haar buik, wanneer ze zijn blik op haar borsten voelde rusten. Omdat het holle gevoel in haar buik haar deed verlangen naar iets waar zij nog geen naam voor had, maar dat haar zou doen smelten, hen zou samensmelten, zodat wat nu nog leeg was zich met hem zou vullen, zodat zij geheel en al van hem vervuld zou raken. Van hem. Van zijn vlees in haar vlees. Van zijn ogen in haar ogen, van zijn adem, van zijn geur. Van zijn kind, ten slotte.

Sonja was nooit eerder verliefd geweest, toen zij hals over kop op hém verliefd was geworden. Zij was een kleine bange meid geweest, die hoorde, zag en zweeg. Maar zijn handen boetseerden haar tot een schaamteloze jonge vrouw, terwijl hij haar oude bange vel van kleine meid afstroopte en het achterliet op de vloer van dit oude herenhuis.
Hij bevrijdde haar. Hij maakte haar vrij. En zij hield met hart en ziel van hem.

4.11.08

Raadsel # 1: Hoe Tijl Uilenspiegel drie raadsels van Keizer Karel oploste...


Keizer Karel was op pad in Vlaanderen, en hij kwam langs een klooster waarbij een bordje stond met de boodschap: Hier leeft men zonder zorg. De vorst kon zijn ogen niet geloven; hij had zijn hoofd altijd vol zorgen, waarom zou dat dan ook niet zo zijn voor de paters in dit klooster?

Keizer Karel trok aan de bel en zei dat hij de abt wilde spreken. Toen die voor hem verscheen, vertelde de keizer waarom hij zo verwonderd was.

'En toch is het zo, dat wij hier zonder zorgen leven,' antwoordde de abt. 'We eten, drinken, bidden, slapen... en trekken ons voor de rest nergens iets van aan!'

'Dat kan zo niet blijven duren,' vond de keizer. 'U zou dringend eens moeten ondervinden wat het betekent voortdurend een hoofd vol zorgen te hebben! Daarom zal ik u drie raadsels geven, waarop ik een antwoord eis tegen... morgenochtend!'

En Keizer Karel gaf de abt drie raadsels op:

  1. Hoe diep is de zee?
  2. Hoeveel koestaarten heb je nodig om de afstand van hier naar de zon te meten?
  3. Wat zal er door mijn hoofd gaan op het ogenblik dat ik uw derde antwoord verwacht

Vanaf dat moment had de brave abt inderdaad een hoofd vol zorgen!... Hij slaagde er maar niet in de drie raadsels op te lossen. Gelukkig kwam daar toen net Tijl Uilenspiegel voorbij.

'Maak je maar geen zorgen meer!' zei deze. 'Ik trek uw kleren aan en zal de grote keizer morgen wel eens mores leren!'

De volgende ochtend had Tijl de plaats van de abt ingenomen, toen Keizer Karel voor de kloosterpoort verscheen...

'Welaan dan, eerwaarde abt?' vroeg de keizer streng. 'Hebt u de oplossingen gevonden?'

'Zeker, Sire,' zei Uilenspiegel.

'Wel, laat dan maar horen!'

Slaag jij er niet in de oplossing te vinden en wil je toch graag weten wat het antwoord van Uilenspiegel was? Klik dan op de titel van dit raadsel!