14.7.06

Karel de Grote & Co. - Deel 2: Het beleg van Saragossa (eerder verschenen als "Een lek in de hel")




I.
Hoe de Croquemitaine aan zijn naam kwam.




In het begin van het Jaar Onzes Heren 770 was koning Karel in Worms, waar Miton van Rennes en zijn Mita in het huwelijk traden. Dit had het voor de hand liggende gevolg dat enkele maanden later een kindje geboren werd, een meisje dat zij Mitaine noemden. Mitaine was een zacht engeltje met zwarte ogen en lokken zo goud als het aureool om het hoofd van een heilige.
Op een goede dag zag Karel het kindje in de armen van haar moeder, en omdat hij haar niet herkende, meende hij een visioen te zien: Onze Lieve Vrouw met haar Goddelijke Kleuter.
Het was evenwel de gravin van Rennes maar, met Mitaine.
‘Vrouwe!’ sprak Karel haar toe. ‘De hemel is u voorwaar niet ongenegen! Dit engeltje kan, geloof me vrij, veel geluk brengen aan ieder die het ziet! En als het nog niet gedoopt is, zou ik maar wat graag haar peetvader zijn. Vindt u dat goed?’
Natuurlijk vond Mita dat goed.
Karel nam een handje van het kind in zijn handen en kuste het. Dat bood een tamelijk griezelige aanblik, want bijna het hele armpje verdween in zijn ruige baard en snor.
Opgetogen door het goede voorteken dat hij in deze ontmoeting meende te mogen zien, haastte Karel zich naar de vergadering die hij bijeen had geroepen. Hij voelde zich zo gelukkig en vrij van zorgen, dat hij eindelijk instemde met de bemiddelingspoging van zijn moeder – Berthrade met de Grote Voeten – die al jaren tevergeefs probeerde hem en zijn broer Karloman met elkaar te verzoenen.
In hetzelfde jaar schonk Karels gemalin Himiltrude het leven aan een zoon, die een allerliefste snoet had, maar helaas een misvormd lichaam. Karel noemde hem Pepijn, maar de mensen gaven hem de bijnaam ‘de Bochel’. De koning was niet erg enthousiast over zijn zoon en erfgenaam en hij besloot zich dan ook van Himiltrude te laten scheiden.
Aude en Roland daarentegen, waren nog altijd niet getrouwd. Door zijn eigen ervaringen was Karel niet meteen een groot voorstander van het huwelijk, en toen Roland er bij hem op aandrong eindelijk met Aude te mogen trouwen, antwoordde hij: ‘Waarom al die haast? Je hebt nog maar net een baard en je wil nu al aan het hoofd van een heel bedrijf staan? Bovendien vecht een man met vrouw en kinderen niet half zo goed als één zonder. Zanik er dus voorlopig niet meer over. Jullie zijn allebei nog jong, jong genoeg in ieder geval om te wachten.’
Berthrade met de Grote Voeten, die over haar schoondochter net zo dacht als Karel over zijn vrouw, reisde naar Lombardije om voor een nieuwe partij te zorgen. Ze keerde spoedig terug met Desiderade, de dochter van de koning van Lombardije.
Karel verzoende zich met Karloman, maar in december 771 overleed zijn broer. Gerberge, een zus van Desiderade, was ondertussen ook getrouwd met Karloman en mocht zich dus al weduwe noemen. Ze stelde alles in het werk om de troon van Karloman voor zichzelf en haar kinderen op te eisen, maar zo had Karel het niet begrepen en uiteindelijk nam ze met haar kroost en enkele bedienden de benen en keerde ze terug naar het hof van haar vader.
Karel was nu de enige vorst der Franken, en iedereen noemde hem voortaan Karel de Grote.
De keuze die Berthrade voor haar zoon gemaakt had, bleek inmiddels geen echt goede geweest te zijn. Desiderade was allerminst een sprankelende verschijning aan het Frankische hof en dus besloot Karel haar te verstoten.
In die omstandigheden kwam Roland opnieuw aanzetten met de vraag om te mogen trouwen met Aude.
‘Ergens in Saksen vereren ze een afgod die de naam Irminsul draagt,’ antwoordde Karel. ‘Ik heb me voorgenomen die goddeloze Saksen eens een lesje te leren, en ik heb daarbij je hulp nodig. Als we weer terug zijn, wil ik graag nog eens met je praten over die trouwerij.’
In het vroege voorjaar van 772 verzamelde Karel de Grote zijn edelen om zich heen te Worms. Hij plaatste zich aan het hoofd van de stoet en gezamenlijk trokken ze Saksen binnen. Ze verdreven de vreemde stammen die het land bezet hielden, dat ze vervolgens geheel verwoestten, en ze vernietigden daarbij ook de afgoden die ze op hun pad vonden.
Toen die campagne tot een goed einde was gebracht, nam Karel zich voor een derde keer in het huwelijk te treden. Voor Roland was dit een goede aanleiding om hem nogmaals te spreken over zijn plannen met Aude.
‘Sire, ik kom u herinneren aan de belofte die u mij gedaan hebt na mijn overwinning op Angoulaffre,’ begon hij.
Karel krabde zich in zijn baard. ‘En die was?’
‘Dat ik mocht trouwen met Aude.’
‘O ja.’
‘U wilde echter eerst dat ik met u mee ging naar Saksen. Niemand kan ontkennen dat ik daar niet mijn uiterste best heb gedaan.’
‘Zeker, zeker,’ knikte Karel.
‘Herhaaldelijk hebt u zich als een groot tegenstander van het huwelijk uitgesproken,’ ging Roland verder, ‘maar ik meen te mogen aannemen dat u daar nu anders over denkt, aangezien u er al voor de derde keer mee wil beginnen. Ik ben uw neef. Ik heb u steeds trouw gediend. Zou u dan nu mijn trouwdag willen bepalen?’
Karel had een goeie dag en barstte uit in een bulderende schaterlach.
‘Bij mijn baard en scepter!’ lachte hij. ‘Deze knaap denkt mij de les te moeten lezen! Zeg vechtersbaas, heb ik je niet graaf van Mans gemaakt en tot mijn paladijn verkozen? Heb ik je niet Bretagne gegeven? Moet ik je nu ook nog belonen voor de klappen die je hebt uitgedeeld om je eigen hachje te redden? Nee beste neef, mij kun je niet zomaar naar je hand zetten. Trouwens, ik moet straks, na mijn huwelijk, nog op reis naar Lombardije. En jij moet me vergezellen. Als we terug zijn, zullen we wel verder zien.’
Nog in het jaar 772 viel de koning van Lombardije, aan het hoofd van tienduizend lansknechten, de Heilige Stad Rome aan. De paus liet zich echter niet van zijn stuk brengen, sloot de poorten van de stad, onderzocht nauwkeurig de muren op zwakke plekken en bezette ze met troepen die liever tussen de ruïnes omkwamen dan zich over te geven. Daarna zond hij enkele bisschoppen naar Karel de Grote om hem eraan te herinneren dat het zijn plicht was de kerk te verdedigen.
Karel de Grote aanvaardde graag de kans die de Voorzienigheid hem schonk om af te rekenen met zijn vroegere schoonvader, de koning van Lombardije. Hij stuurde een leger naar de vlakte van de Po en zette zich zelf aan het hoofd van een ander leger dat naar de Mont Cenis trok.
De Lombarden deden vergeefse pogingen om de bergpassen te verdedigen en zochten ten slotte hun toevlucht binnen de muren van Pavia, een stad die ik hier zonder overdrijven een onneembare vesting zou noemen, indien niet alle onneembaar genoemde vestingen in die dagen voortdurend werden ingenomen.
Karel liet zijn leger achter voor Pavia en reisde door naar Rome, waar hij toegejuicht werd als de grote bevrijder die hij natuurlijk ook was. Bij wijze van dank kreeg hij van de paus de meest verstrekkende bevoegdheden en privileges.
Tijdens zijn verblijf in Rome hoorde de koning dat zowel de bezetters als de inwoners van Pavia geteisterd werden door een verschrikkelijke hongersnood. Iedere dag stierven er honderden mensen, maar de stad weigerde zich over te geven. Nu was Karel een kerel die vond dat een karwei niet te lang mocht duren, en dus keerde hij terug naar Pavia om zijn troepen daar in hoogsteigen persoon aan te voeren. Na een paar dagen had Karel de Grote de koning van Lombardije al zover dat hij voor zijn nieuwe heer knielde met as op zijn hoofd. Daarna verdween hij in het klooster en werd Lombardije het eigendom van de kroon van Frankrijk.
Aude en Mita hadden zich inmiddels naar Parijs begeven, waar zij in angstige spanning wachtten op de terugkeer van Roland en Miton. In Parijs schonk Mita – of was het Aude? - het leven aan een onvoorstelbaar mooi jongetje. Mitis – want zo werd dit jongetje genoemd – werd begroet als het zoontje van Miton en Mita, maar kwatongen beweerden dat het in werkelijkheid een spruit was van Roland en Aude.
Nooit heeft een baby zo veel aandacht heeft gekregen als deze Mitis. Niets was te goed voor hem. De beide vrouwen bleven maar plannen voor hem maken.
Op een kwade dag droegen huilende bedienden evenwel het lijkje van het kind de kamer van de vrouwen binnen. Ze vertelden dat een ridder met een neergeslagen vizier hen had overvallen, het kind uit hun armen had gerukt en toen in volle galop naar de dichtstbijzijnde rivier was gesneld, waar hij de jongen in het water had gegooid.
Geruime tijd leken de beide zusters een stel idiote vrouwen, zo buitensporig waren de uitingen van smart waaraan zij zich overleverden. En opnieuw vroeg men zich af wie van hun beiden nu eigenlijk de moeder van het vermoorde kind was.
Overigens mag ik hier ook niet verzwijgen dat Ganelon op de dag van de moord eveneens in Parijs verbleef…
Maar goed, genoeg geroddeld. In 775 sloeg Karel nog een opstand van de Saksen neer en beviel Hildegarde, zijn derde vrouw, van een dochter die men Rotrude noemde. Hij was zo met deze dochter in zijn schik, dat Roland een nieuwe poging waagde om de koning te spreken over zijn trouwplannen. Karel beloofde hem dat hij binnen de maand getrouwd zou zijn, maar vijf dagen later moesten ze weer vertrekken om een nieuwe aanval op Rome af te slaan.
Terug in Worms, bleken de Saksen alweer de oevers van de Rijn te bestoken.
Roland zuchtte diep, toen hij dit nieuws vernam. ‘Aude,’ zuchtte hij. ‘Mijn lieve Aude! Zullen wij dan pas in de hemel samen mogen zijn? Als dat zo was, dan zou ik mij haasten om in het volgende gevecht gedood te worden!’
Twee jaar lang deed Karel niets anders dan de Rijn oversteken, in beide richtingen, om Saksen onder de voet te lopen, hun onderwerping af te dwingen en gijzelaars mee te voeren.
In 777 liet hij een boel Saksen dopen in Paderborn. Hildegarde had hem net een zoon geschonken, Karloman. Aude was bekoorlijker dan ooit. Het dochtertje van Miton en Mita, Mitaine, was acht jaar oud. Oghris werd al helemaal grijs en slaagde er niet meer in binnen de tien minuten een halve os te verorberen. Zijn klauwen waren echter nog even scherp.
Zijn liefde voor Aude was niet bekoeld, maar werd nu gedeeld met zijn liefde voor Mitaine. Men had wel eens geprobeerd Mitaine van Oghris te scheiden, maar het dier was toen zo mager geworden en het kind zo verdrietig, dat men van dat voornemen had afgezien.
Karels petekind was al eerder het doelwit van moordenaars geweest, en men was bang dat haar hetzelfde lot beschoren zou zijn als haar kleine broertje. Oghris was echter altijd in de buurt en daagde er een moordenaar op, dan moest die de benen nemen, indien hij niet ter plekke zijn hoofd of een minder belangrijk lichaamsdeel wilde verliezen.
Karel de Grote werd woedend toen hij over de aanslagen op het leven van zijn petekind hoorde.
‘Wie een vinger naar Mitaine durft uitsteken, krijgt met mij te maken!’
Hij ondervroeg ook Mitaine zelf over de aanslagen op haar leven. Had zij dan geen enkele aanwijzing?
‘Nee,’ zei ze. ‘Het monster komt en gaat… Het verdwijnt als bij toverslag.’
‘Zal ik jou eens wat vertellen, Mitaine? Wat het ook is, een boze fee of een menseneter, ik zweer het je… ik zal het ophangen, radbraken, vierendelen en daarna levend villen!’
Karel de Grote brak zich vruchteloos het hoofd over een passende naam voor dit monster. Het was Mitaine zelf die hem een goed idee aan de hand deed: ‘Laten we hem de Croquemitaine[1] noemen!’
En zo geschiedde.




II.
Waarin Mitaine page wordt.



Er bestaat een ware kroniek die ik heb ontdekt en die bijgevolg alleen aan mij bekend is. In dat werk van mijn collega-kroniekschrijver staat onder meer te lezen dat Karel de Grote stapelgek was op kinderen.
Voor zijn pure genoegen verzamelde hij eens in Paderborn een paar honderd stuks en richtte zich tot hen met de volgende woorden: ‘Vanaf nu zijn jullie hier de baas. Al mijn personeel staat tot jullie dienst. Vertrap de bloemperken in de tuin en mijn tuinmannen zullen jullie helpen. Bedenk een banket, kolossaal genoeg dat zelfs mijn goede vriend Guy van Bourgondië zou sterven aan een indigestie, en mijn koks zullen jullie blind gehoorzamen. Snuffel in mijn boeken, trek ze maar aan stukken en sla gerust de zilveren snaren van de harp van de koningin. Geef bevelen, kaffer uit, roof en plunder naar hartelust… want er is slechts één ding dat ik jullie verbied: dat jullie ook maar heel even iemand niét voor de voeten zouden lopen! Is dat begrepen?’
Zijn toespraak ontketende enig wild enthousiasme. Dadelijk begon het jonge zootje ongeregeld het paleis te plunderen. Dronken van vrijheid fladderden de dreumesen als gek geworden vlinders van wandtapijten (die ze van de wand trokken) naar vogelkooien (die ze openbraken). Ze gooiden dure beelden op de stenen en haalden kasten overhoop, tot ze een uur later al niets meer konden vinden om zich mee te vermaken.
Moe en verveeld verspreidden ze zich over het hele paleis, om ten slotte – onder aanvoering van Mitaine – hun beklag te doen bij de koning.
‘Peetvader,’ sprak het kleine meisje, ‘we weten niet meer wat te spelen. We hebben ons nog nooit zo verveeld!’
‘Tsja,’ lachte Karel in zijn baard. ‘Niet alleen in een oorlog, maar ook in het spel loopt alles fout zonder goede aanvoerder. Hebben jullie al een generaal gekozen?’
‘Nee,’ zei Mitaine.
‘Dan zal ik jullie een generaal aanwijzen. Beloven jullie me hem onvoorwaardelijk te gehoorzamen?’
Iedereen beloofde het.
Karel pikte de grootste jongen uit de troep – een blond kind van een jaar of twaalf. Hij pakte hem vriendelijk bij zijn oor en stelde hem voor aan zijn onderdanen.
‘Dit is vanaf nu jullie generaal!’
Het voorstel van Karel de Grote werd begroet met opgewonden handgeklap.
‘Wil je een goeie raad van me aannemen, generaal?’
‘Dat weet ik nog niet, broer,’ sprak de kersverse generaal trots. ‘Maar laat maar eens horen.’
‘Wil je regeren zonder moeilijkheden en wil je slapen zonder bang te hoeven zijn voor nare dromen?’
‘Mmm… Dat lijkt me niet gek.’
‘Doe dan je best om je bij je mensen geliefd te maken!’ zei Karel de Grote.
‘Ik zal mijn best doen,’ antwoordde de jongen, en hij gaf één van zijn onderdanen die wel erg ongedwongen op zijn schouders rustte een oplawaai van jewelste.
Daarop trok Karel de Grote zich tevreden terug in zijn studeervertrek om verder te werken aan een of ander wetboek.
Die avond nam hij Miton even terzijde. ‘Ik heb die Mitaine van jou vandaag gezien en volgens mij is ze niet geboren om lang een rok te dragen,’ zei hij. ‘Ik denk dat het hanteren van het zwaard haar beter ligt dan het gebruik van de naald. Sta haar aan mij af als page en ik zorg ervoor dat ze wordt opgevoed als een heuse ridder. In dat geval hoeven we ook niet bang meer te zijn voor sluipmoordenaars.’
Miton vond dat een zeer wijs idee, en de volgende dag nam Mitaine, gekleed als een jongen, haar plaats in tussen de pages van Karel de Grote.




III.
Waarin Karel de Grote in Paderborn
bezocht wordt door een visioen.



Als Karel rust nam, dan deed hij dat alleen maar om anderen even de gelegenheid te geven uit te blazen. Uit de kronieken van mijn collega-kroniekschrijvers weten we dat hij soms wel vier of vijf keer zijn slaap onderbrak om op te staan, zich aan te kleden en enige zaakjes af te handelen. In Paderborn had hij een kamer op het gelijkvloers en vaak liep hij naar buiten om zich, helemaal in z’n eentje, over te geven aan het soort vorstelijke dromerijen dat alleen grote vorsten dromen.
Op een prachtige lentenacht zag hij aan de hemel iets dat op een geweldige heerbaan leek. De weg was met sterren geplaveid en liep van de Oostfriese kust over Duitsland, Aquitanië, Gascogne en Navarre om ten slotte te verdwijnen over de Galicische grens.
Geleidelijk begonnen er zich op de weg lichtgevende figuren af te tekenen, die steeds groter werden en van vorm leken te veranderen. Ze bewogen zich allemaal in dezelfde richting, van noordoost naar zuidwest, en weldra zag hij dat er zich langs de hemel een menigte krijgers voortspoedde.
Het schijnsel van de maan op hun wapenrusting had hij voor sterren gehouden, en de ene troep volgde op de andere, meer dan een uur lang. Paarden, zo vurig als hij nog nooit had gezien, galoppeerden langs de wolken. Hun hoeven lieten een regen van vonken achter.
Daarna werd alles weer even stil en donker als voordien. Karel richtte, in gedachten verzonken, zijn blik weer naar de aarde – maar wat hij toen zag, deed het bloed in zijn aderen stollen.
Een gedaante van een bovennatuurlijke macht en pracht naderde stralend door het donkere park. De lucht werd zwaar van de verrukkelijkste geuren en toen de gedaante begon te spreken, werden de nachtegalen tot zwijgen gebracht. In elkaar gedoken op hun takken, bleven ze eerbiedig luisteren.
‘Mijn zoon,’ zei de gedaante. ‘Waarom heb je mij vergeten?’
‘Best mogelijk dat ik u ben vergeten,’ sprak Karel. ‘Maar dan zult u mij toch eerst moeten vertellen wie u bent.’
‘Ik ben Sint Jacob, de apostel.’
‘Als het zo zit…’ mompelde Karel, en hij liet zich prompt op zijn knieën vallen.
‘Je hebt mij aangeroepen bij het toernooi te Fronsac, en je hebt mij toen een kapel beloofd in ruil voor het leven van Olivier de Dappere. Ik heb je smeekbede verhoord: Olivier leeft nog. Maar er zijn nu negen jaar voorbijgegaan en nog steeds rust mijn gebeente in het godvergeten Galicië, dat door de christenen werd prijsgegeven aan de Saracenen. Je hebt je legers naar de kusten van het Romeinse rijk doen trekken, naar de oceaan en naar Friesland. Maar één stuk van Europa heb je nog steeds niet bezocht: het land waar mijn beenderen rusten. Nochtans heb je gezworen daarheen te zullen trekken, te mijner ere! Als God jou tot de machtigste onder de groten der aarde heeft gemaakt, dan heeft Hij dat gedaan opdat je zijn plannen zou uitvoeren! Sta dus op en red mijn stoffelijke resten uit de handen der heidenen! Baan de weg voor de pelgrims naar mijn graf! Bewapen je dappere Franken, Lombarden en Saksen en trek naar het land van de Saracenen, naar Spanje! Ik zal met jou zijn in het gevaar, en als het God behaagt, kun je op mij rekenen om je recht naar de hemel te voeren!’
Als bij toverslag loste de gedaante op in het niets. Toen Roland hem twee uur later kwam zoeken, vond hij zijn koning nog steeds op zijn knieën in het park, biddend, en de ogen vol tranen.




IV.
Waarin koning Marsillus in Saragossa
eveneens bezocht wordt een een visioen.




Ongeveer in dezelfde periode kreeg koning Marsillus in Saragossa eveneens een visioen.
Mag ik u dus uitnodigen, waarde lezer van deze ware kronieken, even samen met mij mee te komen naar het lieflijke Spanje – het land van sandelhout, nardus, safraan, ebbenhout en kruidnagel, waar de uitzonderlijkste bloemen[2] en de verrukkelijkste vruchten[3] groeien, zomaar in het wild. Waar de koele beekjes vrolijker babbelen dan elders en, doorschijnend als glas, over kiezels springen die zo helder zijn als kristal of topaas. Waar de weelderigste bomen beschutting bieden aan de heerlijkste zangvogels[4] en de nachten zo prachtig zijn dat het zonde is om naar bed te gaan.
Ah, mocht u op reis gaan naar Spanje, u zou er tuinen vinden als in Perzië, minaretten als in Bagdad, en een hemel zo blauw als nergens ter wereld. U zou er rijkdom, schoonheid en vreugde in overvloed vinden!
Maar helaas, u kunt niet meer op reis naar Spanje, want dat is bezet door de Saracenen.

Koning Marsillus deed zijn middagdutje, op kussens gemaakt van de fijnste stoffen. Het paviljoen waarin hij zich te rusten had gelegd, was van gekleurd ivoor, ingelegd met goud. In het midden verspreidde een fontein een aangename koelte. Wierook, bereid uit de kostbaarste ingrediënten[5], brandde in marmeren schalen en vervulde de lucht met een zoete geur.
Maar opeens werd het schitterende daglicht vaal en gauw. Een tocht als uit een grafkamer verdreef de koelte en de lijkenlucht deed de bloemen verwelken. Een skelet, gekleed in kleurrijke gewaden, nam plaats naast de koning van Saragossa.
De koning deed, misselijk geworden door de stank, zijn ogen open en kneep ze vervolgens weer vol afgrijzen dicht.
‘Vader,’ zei het skelet. ‘Kent u mij niet meer?’
Marsillus trok voorzichtig één oog open, terwijl hij zich zo ver mogelijk achterover drukte in het kussen en het koude zweet hem uitbrak.
‘Verwelkomt u uw zoon op deze manier? Nadat u hem bijna tien jaar lang niet hebt gezien? Strek toch uw armen naar me uit, want ik snak naar uw omhelzing!’
Marsillus sprong overeind en deed een poging langs het spook naar buiten te vluchten. Tevergeefs… Murad had zijn armen al om hem heen geslagen en drukte hem aan zijn knokig karkas, dat akelig begon te kraken.
‘Laat mij met rust!’ schreeuwde de oude man. ‘Ga weg!’
Maar Murad overdekte het gezicht en de witte haren van zijn vader met kille, klamme kussen…
‘Wat heb ik je misdaan? Wat wil je van me?’
‘Ik wens gewroken te worden! Op Roland van Frankrijk!’
‘Ik zal je wreken, Murad. Dat is beloofd. Maar laat me alleen, als je niet wil dat ik het nu al besterf!’
Met de inzet van al zijn krachten, slaagde Marsillus erin zich uit de omarming van zijn spookachtige zoon te bevrijden. Hij holde naar de andere kant van het vertrek.
Het geraamte nam een peinzende houding aan. ‘Ik kan niet zeggen dat u veel veranderd bent,’ kraste de zo goed als stembandloze stem van Murad. ‘U bent nog dezelfde als die ik negen jaar geleden verliet. U hebt mij gevraagd wat ik van u wilde. Welnu, ik wens dat Roland en zijn vrienden gestraft worden op een wijze die de mensheid nooit meer vergeten zal. U vroeg mij ook wat u mij misdaan hebt. Welnu, ook dat zal ik u vertellen.’
Marsillus klauwde zijn nagels in de muur, als probeerde hij zo een uitweg te vinden.
‘Als kind nam ik, gelukkig voor mij, geen plaats in uw leven in. Maar van het ogenblik af dat u mij leerde kennen als de doder van de leeuwin en haar welpen, begon u mij in de gaten te houden. Onder uw persoonlijk toezicht werd ik opgevoed en als mijn moeder mij niet van tijd tot tijd aan haar borst had gedrukt, zou ik vast en zeker een wild beest geworden zijn in plaats van een man. Ik vergaarde roem en eer en dank zij mijn wonderbaarlijke moed en wijsheid veroverde ik vele koninkrijken voor u. Maar met mijn faam groeide uw afgunst, tot u besloot mij uit de weg te ruimen.’
Marsillus zou dit graag ontkend hebben, maar zijn stem begaf het in zijn droge keel.
‘Van dat ogenblik af moest ik mij tegen wel duizend samenzweringen verdedigen, waarvan ik de oorsprong nimmer vermoedde. Ik overleefde ze wonderlijk genoeg allemaal. Op een dag vonden uw slaven een geweldige slang, weet u nog? Een giftig monster, dat ze onmiddellijk doodden. Het was een wijfje en ze liet twintig jongen na om haar dood te betreuren. U vroeg zich af wat u daar zoal kon mee aanvangen, en toen moest u al gauw denken aan mij. U liet de twintig kleine slangetjes op regelmatige afstanden tussen het nest en mijn kamer deponeren. Zodra het donker geworden was, volgde de vader het spoor van kind tot kind, en buiten zichzelf van razernij bereikte hij het bed waarin ik lag te slapen. Gelukkig waakte Oghris toen nog aan mijn zijde…’
Marsillus zonk op zijn knieën.
‘Ik wil u ook nog herinneren aan het paard dat, met mij op de rug en dol geworden door een of andere giftige drank, bijna in een afgrond stortte,’ ging Murad ongenadig verder. ‘Aan Allah is het te danken dat ik niet mijn tegenwoordigheid van geest verloor, maar het dier zo een stomp achter zijn oor gaf dat het dood neerviel voordat het in de afgrond kon storten.’
Marsillus sloeg zijn handen voor zijn gezicht.
‘Ten slotte besloot u me naar dat Franse toernooi te sturen, waar ik de dood vond. Ik zou u kunnen laten boeten voor uw wandaden, maar ik schenk u vergiffenis. En ik vraag in ruil daarvoor slechts één ding, samen met Angoulaffre en al de andere helden die mijn lot deelden en nu spreken door mijn mond: wij eisen de dood van Roland en alle ridders van Karel van Frankrijk. Zweer dat u ons zult wreken!’
‘Ik zweer het,’ mompelde de oude man.
‘Uw hand erop!’ antwoordde het skelet van Murad, en met uitgestoken hand knarste en kraakte het op zijn vader toe.
Marsillus begon nu zo hard te schreeuwen, dat zijn lijfwachten het paviljoentje binnen kwamen hollen. Ze vonden de koning op de grond, de kleren verfomfaaid, onsamenhangende woorden prevelend.
Dadelijk werden de knapste dokters bij de koning geroepen. Ze waren het er allemaal over eens dat zijne majesteit leed aan hersenkoorts, maar omdat niemand de moed had hem dit te vertellen, werd er ook geen poging ondernomen hem te genezen. En ongetwijfeld was het precies daaraan, dat de vorst zijn herstel te danken had.
Langzaam maar zeker werd Marsillus beter, en een maand later was hij het voorval al zo goed als vergeten.
‘Nog oorlog voeren op mijn leeftijd?’ zei hij bij zichzelf. ‘Wat een onzin! Ik heb het mooiste koninkrijk dat een vorst zich maar kan inbeelden, wat zou ik dan nog oorlog voeren? Ik kijk wel uit! Ik heb een nare droom gehad en ik moet oppassen dat ik niet nog eens uit een nare droom wakker word, door me aan Karels koninkrijk te vergrijpen. Neenee, ga jij maar lekker weer slapen, prins Murad. En laat mij voortaan met rust!’
Maar vanaf dat ogenblik ging er geen nacht voorbij zonder dat Marsillus het bezoek kreeg van zijn zoon. Ten slotte vond de koning dat het genoeg was geweest. Op een nacht besloot hij het spook op te wachten, met het kromzwaard in de hand.
Murad verscheen, zoals gewoonlijk, stipt om middernacht. Met vijf vlugge houwen sloeg zijn vader hem het hoofd, de beide armen en de beide benen af. Maar het hoofd begon nog voor het de grond raakte al bulderend te lachen, terwijl de rechterarm beleefd het kromzwaard oppakte dat Marsillus had laten vallen en hem dit weer aanreikte.
‘Alstublieft, vader!’ bulderde het hoofd. ‘U krijgt dit kromzwaard van me terug. Ik heb het lange tijd niet meer gedragen – sinds ik nog maar zeven was en het wapen van u kreeg, herinnert u het zich nog?’
Nu helemaal ten einde raad nam de koning de resten van zijn zoon op, vouwde ze in een mat en holde er halsoverkop mee de tuin in. Het hoofd bleef ondertussen schaterlachen.
Aan het eind van de tuin groef Marsillus snel zes diepe gaten. In het eerste stopte hij het hoofd, in het tweede en derde gooide hij de armen, in het vierde en vijfde gooide hij de benen en de romp belandde in het zesde gat. Hij wierp er aarde overheen, stampte ze stevig aan en maakte dat hij weer in zijn paleis kwam.
Marsillus kreeg een maand respijt, maar toen – op een mooie lentedag – smeekte de koningin met haar mee te gaan naar het eind van de tuin, waar ze enkele onbekende planten had ontdekt die zo heerlijk geurden, dat het zonde zou zijn er weg te blijven. De koning weigerde zo beslist dat de koningin er nog sterker op aandrong en er voor Marsillus niets anders op zat dan zijn gade haar zin te geven.
Toen hij de plek naderde waar hij Murad had begraven, stolde het bloed in zijn aderen. Er trok een sluier voor zijn ogen en zijn tanden begonnen afschuwelijk te klapperen.
‘Heb je ooit zo een heerlijke geur geroken?’ vroeg de koningin.
De koning ving slechts een doordringende lijkengeur op, die hem weer misselijk maakte. En het ijle gekras dat de koningin niet hoorde, hoorde hij maar al te best…
‘Mijn dood moet gewroken worden!’
Marsillus liet zich op zijn knieën vallen en begon te bidden. Dikke tranen rolden in zijn witte baard.
De volgende morgen maakte hij zijn voornemen bekend Murads dood te zullen wreken.



V.
Waarin koning Karel een bezoek brengt
aan de Spanjaarden.



Twee emirs bezochten Karel in Paderborn.
‘Sire,’ zei de eerste vals. ‘De roep van uw ongeëvenaarde heldendaden heeft zelfs ons bereikt, en wij zijn tot de conclusie gekomen dat iemand die zoveel grote dingen tot stand heeft gebracht een lieveling van de hemel moet zijn. In het geheim hebben wij uw geloof bestudeerd, en we hebben daarin de oorsprong van alle deugd en waarheid gevonden. Nu willen wij christenen worden, en vervolgens nog meer volgelingen winnen, om ten slotte de halve maan uit te roeien, zodat het kruis als een lichtend baken in de wereld zal staan. Bovendien kunnen we u vertellen dat het martelaarschap ons nu al, bij leven en welzijn, niet bespaard is gebleven. Marsillus achtervolgt ons en als wij gevangen worden, zullen wij de vreselijkste folteringen ondergaan. Maar we zijn aan onze beulen kunnen ontkomen, zodat wij ons nu aan de voeten kunnen werpen van de machtigste vorst van de christelijke wereld, om hem te vragen ons te dopen!’
‘Goed gesproken,’ knikte Karel verheugd, waarna hij zich tot de tweede emir wendde. ‘En wat heb jij daaraan toe te voegen, beste kerel?’
‘Majesteit,’ loog de tweede. ‘Marsillus is druk bezig met geheime voorbereidingen voor een Heilige Oorlog. Hij staat klaar om uw rijk binnen te vallen. Het is waar, wij kunnen u niet de gebruikelijke geschenken aanbieden,[6] maar wij hebben iets dat veel kostbaarder is. Wij schenken u… Spanje!’
‘Nou, bedankt hoor,’ zei Karel, diep onder de indruk.
‘Het volk van Hiesca, Valencia en Saragossa geeft zich aan u over. Deze steden zijn ons trouw en ze wachten slechts op ons teken om de halve maan neer te halen en het kruis op te richten. Wij verklaren vanaf nu vazallen te zijn van de Franse kroon en zijn bereid u de enige vier begaanbare passen in de Pyreneeën aan te wijzen: die van Barcelona, Puycerda, Pampeluna en Toulouse. De christenen in Aragon, Castilië en Leonië zijn klaar om in opstand te komen. Een teken van u en ze voegen zich bij uw onoverwinnelijke manschappen!’
Karel drukte de beide emirs aan zijn borst en kuste ze op de wangen. Daarna stelde hij ze voor aan zijn paladijnen en verzocht hen nogmaals hun verhaal te doen voor deze andere groten der aarde.
‘Sint Jacob heeft hen gezonden,’ zei hij tot slot.’Bij de Heilige Maagd, ik zweer dat hij nu niet lang meer zal hoeven te wachten!’
Al gauw konden de emirs uit alle windstreken de troepen zien arriveren, die Karel reeds had opgetrommeld. De emirs hadden een dergelijk groot leger niet verwacht, maar Karel had dan ook nooit zulke gigantische voorbereidingen getroffen als voor deze Spaanse veldtocht.
Tegen het eind van de lente rukte koning Karel op richting Spanje, aan het hoofd van tweehonderdduizend soldaten die op wel honderd verschillende manieren waren uitgerust, omdat ze uit alle hoeken en gaten van Europa waren gekomen met de wapens die ze daar gewend waren te hanteren.
Na de soldaten kwamen de oorlogsmachines – torens, steenwerpers en katapulten. Daarachter reden de paladijnen, de edelen en de ridders, gevolgd door de bisschoppen en de priesters. Toen Karel ten slotte verscheen, in de volle pracht van zijn wapenrusting, begonnen de twee verraderlijke Saracenen te sidderen en te beven.
‘Spanje zal van de kaart geveegd worden,’ zeiden ze met betraande ogen tot elkaar. ‘Welk volk, welke steden, welke burchten kunnen weerstand bieden tegen zo een leger? Een tyfoon van verderf zal de kinderen van de profeet verrassen. Wat zal er nog overeind staan als de storm is gaan liggen? Laten we snel terugkeren naar het land waarin we zijn geboren, om er waardig te sterven!’
De emirs keerden in volle galop terug naar het land waarin ze werden geboren, en stierven waardig, een tijdje later, tijdens het beleg van Saragossa. Maar zo ver zijn we nog niet.
Eerst sloeg Karel het beleg voor Pampeluna. Dat duurde drie maanden en kostte grote verliezen aan beide zijden. Toen gaf de stad zich over en werden honderdduizend Saracenen gedoopt. Zij die bleven volharden in hun dwaling werden gedood.
Nadien trokken de Franken langs de Ebro verder op en belegerden Saragossa. Ook deze stad verzette zich heldhaftig, maar moest zich uiteindelijk gewonnen geven.
Het hele noorden van Spanje werd door Karels legers onder de voet gelopen. Van Catalonië tot Galicië en verder tot de Ebro werd hij door de steden en de bruchten echter veeleer verwelkomd, dan dat hij ze moest veroveren. In Compostela bracht Karel, zoals beloofd, een vroom bezoek aan het graf van Sint Jacob.
Vervolgens begaf de koning zich naar het westen van Spanje, tot Kaap Finisterre, waar hij ontdekte dat het land plots ophield. Hij gooide er zijn speer in zee en keerde terug naar het noorden.
Met het goud dat hij uit Spanje meebracht, herstelde en bouwde koning Karel vele kerken: één ter ere van Onze Lieve Vrouw en Sint Jacob in Aken, een tweede in Béziers, een derde in Toulouse, en een vierde in Parijs, tussen de Seine en Montmartre.



VI.
Waarin Mitaine bij nacht en ontij
nogmaals wordt overvallen
door de Croquemitaine.




Mitaine ging met Karel mee naar Spanje. Ze was nu zo vaardig geworden in het gebruik van het zwaard, dat haar gebrek aan lichaamskracht niet meer opviel. Ze kon uitstekend paardrijden en droeg met gemak het gewicht van maliënkolder, helm en beenplaten. Had ze ook vleugeltjes gehad, men zou haar voorwaar voor één van die gewapende cherubijnen hebben gehouden, die altijd te vinden zijn in de buurt van de aartsengel Michael.
Omdat Karel de aanslagen op haar leven nog niet was vergeten, gaf hij Mitaine het bevel over twintig mannen, onder het voorwendsel dat dit een beloning was voor haar goede diensten. In werkelijkheid omgaf hij haar op deze manier met een heuse lijfwacht.
Deze voorzorgsmaatregel was bepaald niet overstandig, want op een keer maakte Mitaine helemaal alleen een ritje buiten de legerplaats, en verdwaalde ze in een groot bos, waar ze door de nacht werd overvallen. Ze steeg af op een open plek tussen de bomen en besloot daar te wachten tot de volgende morgen. Het was er zo donker dat ze geen hand meer voor de ogen zag.
Mitaine zocht een zacht plekje op het mos en legde zich te rusten. Maar ze sliep slechts met één oog, het andere bleef open.
Het duurde niet lang of de maan rees boven de horizon. Haar licht slaagde er echter nauwelijks in door het dichte gebladerte heen te dringen.
Opeens hoorde Mitaine voetstappen naderen. Onmiddellijk was ze op haar hoede.
Na een poosje stil te hebben liggen luisteren, dacht ze dat het wel haar paard geweest zou zijn, dat op wat dorre takken had getrapt. Maar toen hoorde ze weer een krakend geluid.
Mitaine kon de slaap niet meer vatten. Het was opnieuw doodstil geworden in het woud, en die stilte benauwde haar nu nog meer dan het gekraak voordien.
Ze riep op haar paard: ‘Vaillant!’ riep ze. ‘Vaillant!’
Een ver gehinnik was het antwoord.
Mitaine kwam overeind en liep op haar tenen naar de plek waar ze Vaillant aan een boom had gebonden. Maar het paard was verdwenen.
Onder een andere boom meende ze een menselijke gestalte te ontwaren. Een beetje verder nog één. En nog één. Ze telde er ten slotte acht, die allemaal – in een halve cirkel – op haar toekwamen.
Mitaine trok haar zwaard en vloog op hen af, maar sterke handen grepen haar vast en gooiden haar op de grond. Ze begon te worstelen, te bijten en te slaan.
‘Gebruik jullie wapens!’ hoorde ze een sinistere stem zeggen.
De man bij wie de stem hoorde, scheen slechts een toeschouwer van het gevecht te zijn.
‘Makkelijker gezegd dan gedaan,’ antwoordde een van de schurken. ‘Je kunt hier geen bliksem zien en…’
Mitaine hakte er onvervaard op los.
‘Au!’ gilde iemand. ‘Die meid heeft me ’n oog uitgestoken!’
Door het dolle heen begon de gewonde man in het wilde weg te slaan. Hij raakte daarbij een van zijn kameraden en toen vloog de hele troep elkaar in de haren.
En Mitaine? Zij maakte van de gelegenheid dankbaar gebruik om de benen te nemen.
‘De groeten, Croquemitaine!’ riep ze. ‘Je zult vlug moeten zijn om me nog in te halen!’
Maar in plaats van verder weg te vluchten, klom ze in een boom en verborg zich tussen de takken.
‘Volg haar! Als jullie haar laten lopen, knoop ik jullie op!’
Mitaine hoorde haar vijanden door het kreupelhout kruipen en met de punt van hun zwaard in de hulst prikken. Maar ze verwijderden zich steeds verder van haar, en uiteindelijk was ze alleen achtergebleven. Toch leek het haar het veiligste als ze bleef zitten waar ze zat en zich niet verroerde.
Pas toen de zon opging, klom ze weer naar beneden.
‘Deze keer zal ik je weten te herkennen, meneer Croquemitaine!’ zei het dappere meisje hardop, omdat dappere meisjes in dergelijke omstandigheden nu eenmaal dergelijke dingen plegen te zeggen. ‘Een van je mannetjes is een oog kwijt en ik heb gehoord dat jullie een Westfaals accent hebben! Als Onze Lieve Heer me weer veilig in het kamp terugbrengt, reken er dan maar op dat we je zullen ontmaskeren!’
Daarop knielde Mitaine op het bedauwde mos en deed haar ochtendgebed. Toen ging ze weer op pad, vertrouwend dat de Voorzienigheid haar ditmaal de juiste weg zou wijzen.
Nadat ze ongeveer een uur gelopen had, hoorde ze in de verte geschreeuw en het schallen van een hoorn. Weer klom Mitaine in een boom. Al spoedig zag ze een groepje soldaten naderen. Ze doorzochten de struiken en riepen luid haar naam. Toen herkende ze haar vader, die de speurders aanvoerde. Ze liet zich uit de boom vallen en wierp zich in zijn armen.
Zo ongeveer een minuut hadden Miton en Mitaine alleen maar tijd voor omhelzingen, halve zinnen en uitroepen. Toen slaagde de graaf van Rennes er eindelijk in zijn dochter te vertellen dat Vaillant die nacht alleen was thuisgekomen. Ze waren allemaal heel erg ongerust geweest.
Op weg naar huis vertelde Mitaine aan welke gevaren zij het hoofd had geboden. Ook Karel kreeg haar hele verhaal te horen. Hij luisterde aandachtig, en toen ze uitgesproken was, zei hij tot Miton: ‘Stuur mannen naar alle windstreken en laat ze alle eenogige kerels binnen een straal van tien mijl hier voor mij brengen. Levend of dood, ik wil ze allemaal!’
De volgende ochtend waren er wel veertig eenogige mannen verzameld, die allen geduldig en gelaten wachtten op een inspectie door de koning in eigen persoon. Karel bekeek ze stuk voor stuk heel zorgvuldig. Zij van wie hij dacht dat ze al geruime tijd blind waren en zij die voor de laatste paar dagen een onomstotelijk alibi hadden, zette hij apart. Uiteindelijk bleven er nog een tiental kerels over die stuk voor stuk deel uitmaakten van het gevolg van Ganelon, de graaf van Mainz. Het vreemdste was nog wel dat ze ook allemaal kort geleden aan het rechteroog gewond waren geraakt.
De koning fronste zijn wenkbrauwen en liet Ganelon ontbieden.
‘Zeg eens, vriend,’ sprak hij, ‘kun jij misschien verklaren hoe al je mannen hier gisteren aan een oog blind zijn geworden, en nog wel allemaal aan het rechteroog?’
‘Lijkt me niet zo moeilijk, nee,’ antwoordde Ganelon. ‘Dat komt omdat ik bijziende ben.’
‘Als je met mij een loopje wilt nemen, zul je vroeger moeten opstaan, graaf van Mainz!’ riep Karel woedend uit.
‘Ik zou niet durven,’ zei de graaf. ‘Maar uwe majesteit zal toch zelf moeten toegeven dat hieraan niets onnatuurlijks is. Omdat mijn gezicht maar matig is, ben ik voortdurend op zoek naar middelen om daar verbetering in aan te brengen. Ik heb alle mogelijke geneesmiddelen beproefd, maar hier in dit Frankenrijk vind je blijkbaar alleen kwakzalvers. De ene gaf me een medicijn, een ander sneed mijn aders open, een derde haalde er de duivel bij. Er was er zelfs één die me naar Aken stuurde, naar de geneeskrachtige bronnen…’
‘Over dat water wens ik geen kwaad woord te horen!’ zei Karel, die er herhaaldelijk zijn toevlucht nam om te genezen van allerlei kwaaltjes.
‘Er waren er die de beenderen van Sint Ursula op mijn ogen legden en weer anderen meenden dat ik maar een jaar of vijf in het donker moest zitten. Ik had alle hoop opgegeven, toen ik een Saraceen ontmoette die mij duidelijk maakte dat je je vermogens altijd tot het uiterste moet benutten. Omdat ik slechts een beperkt gezichtsvermogen bezat, dat ik bovendien nog over twee ogen verdeelde, had ik er geen enkel profijt van. Het zou beter zijn als ik één oog had dat evenveel zag als twee, in plaats van twee ogen die niet meer zagen dan één. Hij raadde me dus aan een oog weg te laten nemen. Ik vond dat zijn verklaring getuigde van veel gezond verstand en…’
‘Maar dat zegt toch nog niets over…?’ viel koning Karel hem in de rede.
Ganelon hief zijn hand op. ‘Een ogenblikje, sire! Het mocht dan wel aannemelijk klinken, maar anderzijds was de ingreep toch ook heel ingrijpend. Ik geef graag toe dat ik aarzelde. Hoe gauw doet iemand niet iets dat onherstelbaar is? En toen heb ik dus deze mensen laten komen, die ook allemaal over bijziendheid kloegen. Ik ontdeed hen van hun rechteroog…’
‘En…?’
‘Ze zien nu even goed als u en ik. Of even slecht… In ieder geval, béter zien ze niet.’
‘Bij Sint Jacob!’ snoof Karel de Grote. ‘Weet je wat jij verdient? Dat ik je de beide ogen laat uitsteken, omdat je bij mij durft aankomen met dat soort kolder! Ga onmiddellijk met deze brief naar Aquitanië, waar de lucht geneeskracht bezit voor de ogen! En neem je eenogige soldaten mee, hoor je? Je levert deze brief af bij je vriendje Wolf, en ik verwacht het antwoord per kerende post!’
En met deze woorden draaide Karel de graaf van Mainz de rug toe. Hij vertrok nog dezelfde nacht naar Toulouse.



VII.
Waarin Roland helemaal in zijn eentje
Een bres slaat in de muren van Saragossa.




Je zou haast denken, waarde lezer van deze ware kronieken, dat Roland gedurende die hele Spaanse veldtocht geen klap uitrichtte. Maar niets is minder waar. Zijn aandeel in het beleg van Saragossa bijvoorbeeld, was zonder meer het belangrijkste. Vandaar dat ik hier dan ook een volledig hoofdstuk wens te wijden aan de avonturen die Roland ten deel vielen tijdens het beleg van Saragossa.
Na drie maanden onafgebroken te zijn aangevallen, stond Saragossa nog even stevig op zijn grondvesten als op de eerste dag van het beleg. Nog voor er een bres in de muur was geslagen, waren de katapulten en de steenslingers al onklaar geraakt. De mannen die op ladders de muren beklommen, werden teruggeslagen. Zij die de vesting bestormden, werden met dolken en lansen afgemaakt en in de gracht gegooid. Heel wat soldaten vielen ook in de vlammen, want men had zo lang brandend pek van de muren gegoten, tot zij overdekt waren met een dikke laag asfalt die in hardheid niet voor ijzer moest onderdoen.
Toen raakte het geduld van Roland op. ‘Maak alles klaar voor de bestorming van morgen,’ zei hij tegen Karel. ‘Binnen het uur hebben we een bres.’
En met geen andere wapens dan Durandal en zijn schild, liep hij de drooggelegde gracht in.
‘Waar gaat uw neef heen, sire?’ vroeg Turpijn aan Karel. ‘Heeft hij een slag van de molen gekregen of is hij het leven gewoon moe?’
‘Ik heb er geen flauw idee van, maar binnen het uur zal hij een bres geslagen hebben, beweerde hij.’
‘Als hij dat zegt, zal het wel zo zijn, sire. En ik ben blij toe, want we beginnen hier nu langzamerhand wel een beetje te beschimmelen.’

De Saraceense wachtposten op de muren schonken nauwelijks aandacht aan de eenzame krijger die op de stad afkwam. Maar toen ze plotseling een zwaar gedreun hoorden, keken ze toch even over de rand.
Ver beneden zich zagen ze Roland staan, die met de knop van zijn zwaard onophoudelijk op de muur hamerde.
De Saracenen begonnen te lachen. ‘Zullen we hem een paar keien naar zijn kop gooien?’ stelde er een voor.
‘Wat heeft dat voor zin?’ lachte een andere. ‘Er is toch geen enkele reden om bang voor hem te zijn? Laten we eerst eens kijken wat hij van ons wil.’
Nieuwsgierigheid is evenwel een slechte raadgever, want toen de vier wachtposten zich helemaal blootgaven om Roland beter te kunnen zien, werden zij – en nog wel pal tussen de ogen! – door een pijl getroffen.
Niet allemaal door dezelfde pijl natuurlijk, maar door vier verschillende pijlen, afgeschoten door de pages van Karel de Grote. Het was namelijk toevallig het oefenuurtje van de pages, die zich iedere dag in het boogschieten bekwaamden.
‘Zo, die zullen nu ook wel scheel kijken,’ zei Mitaine tevreden, terwijl ze een nieuwe pijl uit haar koker trok.
Roland had niet in de gaten wat er boven zijn hoofd gebeurd was en ging rustig door met het slopen van de muur. Eindelijk vertoonde zich daar een barstje, en toen dat barstje een heuse scheur werd, kwam er een voldane glimlach om de lippen van de beroemdste paladijn van Karel de Grote.
Het niet aflatende gehamer op de muur begon echter steeds meer de aandacht van de belegerden te trekken. Sommige soldaten, die de schildwachten onbeweeglijk over de muur zagen hangen, waren ook nieuwsgierig geworden naar het schouwspel dat hen zo leek te boeien, daar beneden. Zij gingen eveneens over de muur hangen en werden getroffen door een pijl in het oor – sommigen in het linker-, anderen in het rechteroor.
‘Wat een mooie oorhangers!’ lachte Mitaine.
Ondertussen verdubbelde Roland zijn inspanningen. Een geweldige scheur zorgde nu, wat de muur betrof, al voor enig instortingsgevaar.
Iedere slag met de knop van Durandal deed een hele wijk van Saragossa op zijn grondvesten daveren en koning Marsillus, die in de buurt was, voelde de aarde onder zijn voeten beven.
‘De ellendelingen hebben nieuw oorlogstuig laten aanrukken,’ gromde hij. ‘Waarom heeft niemand mij daarover ingelicht?’
Hier en daar stortte al een huis in, en nog steeds bleef de aarde schudden en beven dat horen en zien verging.
‘Het lijkt me toch geen gewone steenwerper te zijn,’ oordeelde een raadgever van Marsillus.
Een moskee die nog geen honderd passen van Marsillus vandaan stond, zakte met een verschrikkelijk geraas in elkaar. Dit verschrikkelijk geraas werd gevolgd door een zo mogelijk nog verschrikkelijker geraas, dat het bloed in de aderen van Marsillus deed stollen.
Roland had woord gehouden. Hij had, helemaal in zijn eentje, een bres in de muren van Saragossa geslagen.




VIII.
Waarin Roland door de profeet Mohammed
wordt uitgenodigd in het Paradijs
van de Saracenen.




Toen Roland de gracht rond Saragossa inliep om zijn slopingswerk aan te vatten, deed de profeet Mohammed in het Paradijs van de Saracenen net zijn middagdutje.
De eerste klop van Durandal tegen de muur van Saragossa deed hem wakker schrikken.
‘Binnen!’ riep hij ontstemd.
Niemand kon het ongestraft wagen de profeet te storen bij zijn middagdutje!
Toen het kloppen bleef duren, werd Mohammed pas goed boos. Hij riep de engel Namoes bij zich en vroeg wie daar beneden zo een lawaai maakte.
‘O grote profeet!’ zei de hemelse boodschapper. ‘Roland is weer aan de gang! Nu wil hij de muren van Saragossa slopen! Ik maak me werkelijk bezorgd om al uw gelovigen daar.’
‘Bij Allah en bij mezelf!’ donderde Mohammed. ‘Dat moet ik zien!’
De profeet begaf zich naar zijn sterrenwacht en richtte de telescoop op Saragossa.
‘Bij de halve maan en bij mezelf!’ bulderde hij. ‘Dat heb ik nog nooit gezien! Die ongelovige hond heeft het uiterlijk van een halfgod! Ik zou die Roland wel eens van dichterbij willen bekijken!’
De engel Namoes schraapte de keel. ‘Het betaamt een grote profeet niet naar hem toe te gaan, o grote profeet. Maar als ik uw hemelse paard Borak even mag lenen…’
‘Wel ja, doe dat. En vertel die Roland dat het de grote profeet een groot genoegen zou doen hem eens van wat dichterbij te kunnen bekijken.’
Namoes knikte er ging er vandoor, op zoek naar het paard van de profeet, dat weer ergens op de Melkweg liep te grazen.
‘Je hebt nu wel genoeg gevreten, Borak,’ sprak de engel Namoes tot het hemelse paard. ‘Je stopt jezelf maar vol, straks barst je nog. Twintig pond sterren zijn ruim voldoende. Kom, schiet op. We moeten naar de aarde.’
En de engel sprong in het zadel en drukte zijn sporen in de flanken van Borak. Het paard van de profeet zat zo vol, dat het ruim een kwartier duurde voor zij de planeten achter zich gelaten hadden en Namoes afsteeg in de buurt van Saragossa.
De stad was ondertussen al gevallen en geplunderd, en Roland liep zich net af te vragen hoe hij de rest van de avond op een aangename manier kon doorkomen. Misschien moest hij maar eens op bezoek gaan bij zijn verloofde.
De engel naderde hem eerbiedig en sprak: ‘Mijn naam is Namoes. Ik ben de vertrouweling en de afgezant van de profeet Mohammed. Het alziend oog van mijn heer heeft u onder al die christenen hier beneden opgemerkt, en hij zou het zeer op prijs stellen indien u hem met een bezoek wilde vereren. Doe mijn heer, uzelf en mij dus een plezier en volg me.’
‘Ongetwijfeld bewijst uw heer mij een grote eer,’ antwoordde Roland, ‘die vele van mijn strijdmakkers meer verdienen dan ik, maar u moet hem toch mijn verontschuldigingen aanbieden. Zeg hem dat ik heel teruggetrokken leef en dat ik mijn godsdienstige plichten nog moet nakomen. Ik ben nu eenmaal niet zo een gezelschapsmens.’
‘De profeet zal verrast en gekwetst zijn door dit antwoord, heer Roland. En terecht! Waarom vertelt u mij de ware reden van uw weigering niet? Bent u soms bang dat de lieftallige maagden die in zijn Paradijs vertoeven u op het verkeerde pad zouden brengen?’
Roland lachte schamper. ‘Als u Aude had ontmoet, zou dergelijke onzin niet eens bij u opkomen,’ zei hij.
‘Bent u dan bang voor de tocht door de ruimte?’
Roland haalde de schouders op. ‘Vrees is mij volslagen onbekend. Maar ik heb er al zo vaak over horen praten, dat ik er wel eens kennis mee wil maken.’
‘U bent misschien moe, na zo een hele dag beuken?’
Roland verwaardigde zich niet eens op die vraag te antwoorden. Hij knipperde alleen even verstoord met de ogen.
De engel had het eindelijk begrepen. Hij maakte een buiging en liep naar Borak, die een eindje verder stond te schuimbekken en te steigeren, te kauwen op zijn bit en met zijn hoef over de grond te schrapen – het zo goed als goddelijke dier was nogal ongeduldig van aard en het verlangde naar zijn hemelse stal.
Roland kreeg het paard in het oog en zie goedkeurend: ‘Mooi paard.’
Dat was allerminst gelogen. Borak had prachtige benen, was fier en krachtig gebouwd en zijn huid was even glanzend als marmer dat men dagelijks een oliebad geeft. Zijn rusteloze oren bewogen voortdurend, zijn ogen waren groot en vurig, zijn wijdopen gesperde neusgaten bliezen stoom uit.
‘Borak is het lievelingspaard van de profeet,’ zei Namoes trots. ‘Als een eerbewijs aan u heeft hij het mij even in leen gegeven.’
Voor een hoffelijke daad van dat gehalte was Roland niet ongevoelig.
‘Ik zou op een rustiger dier gekomen zijn,’ ging de engel verder, ‘maar de profeet zei dat u de beste ruiter was die hij kende, en dat hij er zeker van was dat u het dier wel in toom zou kunnen houden. Als u er niettemin aan twijfelt, kan ik natuurlijk nog altijd voor een ander transportmiddel zorgen.’
‘Ha!’ antwoordde Roland schamper, en hij sprong in het zadel.
Een ogenblik deinsde Borak terug, maar toen schoot hij als een pijl uit een boog de ruimte in. De engel sloeg zijn vleugels uit en volgde.
Toen Roland over zijn eerste verbazing heen was, bevond hij zich al ter hoogte van het sterrenbeeld Schorpioen.
Tien minuten later hield het paard in en klopte de engel op de grootste van de acht poorten van het Paradijs. De poort ging open en Roland slaakte een kreet van verwondering.
Hij zag bossen voor zich, waarbij de grootste oerwouden die in later tijden ontdekt zouden worden nietige struikgewasjes leken. Hij zag leeuwen, tijgers, slangen en panters die geen andere taak hadden dan tot sieraden van die wouden te dienen. Ze aten dan ook gras in plaats van mensen.
Overal zag Roland steden, opgetrokken uit marmer van het zuiverste wit. Duizenden torenspitsen van zilver zag hij, en even veel of nog meer koepels van goud. Aan de voet van hun muren stroomden rivieren, die de Rijn of de Nijl in het niets deden verzinken.
Een gevleugeld muziekkorps speelde een welkomsthymne.
‘De profeet laat u weten dat hij u tegemoet komt,’ zei de dirigent. ‘Wilt u ons volgen of wacht u liever hier op hem?’
‘Ik volg,’ zei Roland.
Waar hij ook kwam, weken de bossen uiteen om hem doorgang te verlenen. Om zichzelf ervan te overtuigen dat deze waarneming niet op gezichtsbedrog berustte, deed Roland zijn hemelse paard naar een meer in de buurt galopperen. Borak weigerde de sprong over het meer niet, maar het water week eerbiedig terug en zowel man als paard belandden op een grasmat van fluweel.
‘De profeet heeft ervoor gezorgd dat alles hier u eer bewijst,’ verklaarde de engel Namoes. ‘Hij is er zich volkomen van bewust dat u voor niets of niemand uit de weg gaat - niet in het dagelijkse leven, niet op het slagveld en dus evenmin in het Paradijs.’
‘Goed gezien,’ knikte Roland goedkeurend.
Toen zag hij de stoet van de profeet naderen, en hij ging aan de kant van de weg staan om die te laten passeren. Maar voor hij het goed en wel in de gaten had, rees de grond al onder de benen van zijn paard omhoog en weldra bevond hij zich op een heuvel, die een prachtig uitzicht bood op de stoet die voorbij trok. Twee fraaie bomen ontsprongen achter hem, om hem de nodige verkwikkende schaduw te geven.
Ademloos keek Roland toe. Voorop reden duizend ruiters, ieder met een witrode banier en gezeten op een witte hengst. Daarachter kwamen er nog duizend op vossen, en gestoken in een maliënkolder. Vervolgens zag hij tweeduizend Berbers uit de streek van Timboektoe, rijdend op hengsten die even zwart waren als zijzelf. Nadat nog eens drieduizend ruiters, gekleed in slangenvellen en gewapend met pijl en boog voorbij getrokken waren, verloor hij de tel.
Hij zag een heel leger soldaten met speren en knotsen, en duizenden olifanten in rijen van vijfentwintig naast elkaar – de eerste rij wit, de tweede zwart, enzovoort. Elk dier droeg een toren op de rug, waarin twintig gewapende mannen zaten.
Daarop volgden dertig witte olifanten, prachtig uitgedost, die de lievelingsvrouwen van de profeet droegen: een twintigtal stuks op iedere olifant.
Een eindeloze stoet kamelen trok aan Roland voorbij, en iedere kameel was voorzien van een draagstoel waarvan de gordijnen wapperden in de wind. In iedere draagstoel zaten tien wondermooie meisjes, die zich met waaiers vervaardigd uit struisvogelveren koelte toewuifden.
Na de meisjes kwamen wel twintigduizend danseressen in ragfijne sluiers en met blote armen en benen. Hun pols- en enkelbanden schitterden in het zonlicht en lieten een oorstrelend getinkel horen. Die muziek werd begeleid door talloze gitaar-, mandoline- en tamboerijnspelers.
Toen was het eindelijk de beurt aan de profeet zelf. Hij droeg een groene mantel en zat op een verblindend witte schimmel. In feite viel zijn kleding eenvoudig te noemen. Zijn verschijning was dan ook indrukwekkend genoeg.
Aan zijn rechterhand reed zijn grootmeester, aan zijn linkerhand zijn vader Abdallah. Ook zijn neef en trouwste aanhanger Ali was van de partij, en Saïd, zijn aangenomen zoon. Ten slotte wees de engel Roland nog op de vier wijzen van Mekka en een paar honderd andere beroemde lui.
De optocht werd besloten door een slordige honderdduizend gewone ruiters en iedereen stelde zich theatergewijs recht tegenover Roland op.
De profeet Mohammed kwam op de neef van Karel de Grote toe en onmiddellijk liet Roland zich van zijn paard glijden – een gebaar van respect dat hij tegenover oudere heren altijd in acht nam.
‘Moge Allah, die de hemel en de aarde gemaakt heeft en alle dingen die daarop zijn, u zegenen!’ zei de profeet. ‘Ik moet u mijn verontschuldigingen aanbieden voor deze povere ontvangst, maar onze ontmoeting moest op zo een korte termijn voorbereid worden, dat ik slechts de tijd heb gehad een aantal van mijn naaste volgelingen mee te brengen, en de troepen die toevallig net dienst hadden als erewacht. Bovendien leek het me niet verstandig u met te veel pracht en praal tegemoet te treden. Mijn vurigste wens is namelijk vriendschap met u te sluiten.’
Roland trok een bedenkelijk gezicht. De profeet meende dit te moeten toeschrijven aan de hinder die hij van het zonlicht ondervond, en onmiddellijk gebood hij vier engelen een roze sluier voor de zon te hangen, die ook spoedig en in de vorm van een dunne wolk verscheen.
‘Ik aanvaard uw verontschulding,’ antwoordde Roland toen koeltjes. ‘Ook ik dien mij te verontschuldigen. Indien ik hier niet in de passende kledij verschijn, is dat te verklaren door mijn verlangen onmiddellijk gevolg te geven aan uw invitatie. Maar laten we nu ter zake komen: graag zou ik van u horen wat mij de eer van dit onderhoud verschaft. Ik heb namelijk grote haast, ik moet op tijd terug zijn op aarde, want ik heb vannacht nog wacht aan de tent van mijn koning.’
Dat laatste was een leugentje om bestwil. Roland wilde uiteraard zo snel mogelijk naar de tent van Aude.
‘Wees maar niet bang dat u te laat zou komen,’ zei Mohammed echter. ‘Ik heb de zon stilgezet en we hebben dus alle tijd van de wereld. Maar ik zal uw geduld niet langer op de proef stellen. De reden van mijn uitnodiging is deze: wij weten dat de uiteindelijke overwinning in Spanje en de rest van Europa voor ons is. Alleen u staat tussen ons en onze dag van glorie. Wij zullen zegevieren, maar zo lang u leeft, zal dat slechts gebeuren ten koste van verschrikkelijke offers. Nu vraag ik u: waarom zou u nog naar de aarde terugkeren, waar een gewisse dood u wacht? Waarom blijft u niet hier? Ik geef u de heerschappij over het hele rijk dat u hebt gezien, met al zijn schatten, al zijn vrouwen, al zijn krijgers. Alle bewoners van lucht, aarde en water, en ook de sterren die langs de hemel trekken, en al dat is begiftigd met rede en instinct, met geest en stof… het zal u toebehoren en aan u onderworpen zijn. Als de zon u verveelt, laat de maan het dan van haar overnemen. Geef een teken en de rivieren drogen op, zodat u kunt oversteken…’
‘Wat zou ik met dat alles moeten aanvangen,’ vroeg Roland, ‘als er geen vijanden zijn om mijn dapperheid te tonen?’
‘U zult paarden bezitten, sneller dan de wind!’
‘Maar wat heb ik eraan, als ik er nergens mee heen wil gaan?’
‘Kijk eens naar deze meisjes! Mooiere meisjes zult u nergens anders vinden! Kijk eens hoe deze lieve wezentjes smachtend hun armen naar u uitstrekken!’
‘Zij overtuigen mij alleen maar nog meer van de liefde en de schoonheid van Aude,’ sprak Roland.
‘Uw zwaard Durandal, dat op aarde terecht vermaard is, zou met de botte kant van een dolk door de kleinste van onze soldaten in tweeën kunnen geslagen worden!’
‘Jaja, zo is het wel goed,’ viel Roland de profeet in de rede. ‘U moet nu ook niet overdrijven en ik heb u al gezegd dat ik haast heb.’
‘Maar al het land dan, dat ik u aanbied?’
‘Och, wat is een droomwereld vergeleken met het land waar je geboren bent?’
De profeet zuchtte diep. ‘Roland toch… Besef je dan niet dat je Frankrijk nooit meer terug zult zien?’
‘Ik ben een christen, en dan pas een Frank,’ zei Roland. ‘Het vaderland waar ik naar verlang, is de Hemel van de christenen. Die kunt u mij niet afnemen.’
‘Ongelovige hond!’ schreeuwde de profeet nu, en hij trok gefrustreerd aan zijn baard. ‘Ik zal…’
Toen was het geduld van Roland echt wel op. Hij liet Mohammed zijn zin niet meer afmaken, maar wierp hem zijn ijzeren handschoen in het gezicht.
Het ligt niet in mijn vermogen u te vertellen wat er toen precies gebeurde[7]. Het enige wat Roland zich achteraf herinnerde, was dat hij achtervolgd door een stuk of wat djinns en andere boze geesten door de ruimte viel en dat hij voortdurend ijle stemmen hoorde in zijn hoofd: ‘Roland, Roland… Er is nog tijd… Kom tot inkeer, Roland… De grote profeet Mohammed is bereid u alles te vergeven als u tot inkeer komt… Er is nog tijd…’
Roland stoorde zich niet aan de stemmen en viel rustig verder. Hij voelde wel dat zijn wapenrusting steeds warmer begon te worden, en dat baarde hem toch wel enige zorgen. Hij dacht ook aan vallende sterren en vroeg zich af of hij nu in die vorm te zien was in het uitspansel. Misschien waren alle vallende sterren wel vallende ridders?
Even overwoog hij zijn harnas uit te trekken om er niet levend in geroosterd te worden, maar toen bedacht hij zich. Het zou daarbuiten wellicht vrij koud zijn en reumatiek was geen onbekende kwaal in zijn familie. Nee, dan verdiende het toch aanbeveling binnen te blijven en de helse hitte te verduren.
Maar wat was dat nu? Het leek wel of hij niet meer viel, maar heel voorzichtig werd gedragen. Het koor van djinns en boze geesten in zijn oren had hij ook al achter zich gelaten. Het had plaats gemaakt voor de wiekslag van vleugels, vlak bij.
‘We zullen het vanaf nu wat kalmer aan doen,’ zei een stem, eveneens vlak bij, die zo welluidend klonk dat Roland er op slag de brandblaren door vergat die zich op zijn lichaam hadden gevormd, overal waar dat zijn harnas raakte. ‘Het is de aartsengel Michael die nu tot je spreekt, in je hoofd. Onze Lieve Vrouw heeft me gestuurd om je te redden en straks enige balsem te leggen op je brandwonden. Wees maar niet bang…’
‘Ik ben niet bang!’ zei Roland.
‘Je ligt nu al veilig en wel tussen mijn vleugels en je bent zo weer thuis.’
En inderdaad, een paar minuten later lag Roland plotseling weer in zijn tent. Zijn brandwonden waren reeds zo goed als verdwenen.
De ongeruste stem van Miton van Rennes riep zijn naam: ‘Roland! Roland, waar zit je toch?’
‘Hier!’ zei de ridder, en hij stond op. ‘Ik ben hier!’
‘Hoezo? Je bent hier?’ vroeg Miton verbaasd, terwijl hij de tent binnen kwam. ‘Ik heb net je tent verlaten omdat je er niet was, en nu… Waar heb je gezeten? Aude, die weet hoe stipt je bent, merkte op dat je al tien minuten te laat was en toen heeft zij de koning verwittigd en hij heeft overal mannen heen gestuurd om je te zoeken. Maar je ziet zo bleek? Wat is er gebeurd?’
‘Dat vertel ik je later nog wel eens,’ zei Roland, en hij begaf zich op weg naar zijn koning en zijn verloofde, om hen – in die volgorde - te vertellen dat alles in orde was met hem.

[1] Croquemitaine is een onvertaalbare woordspeling. Het betekent zoveel als ‘degene die Mitaine op wil eten’. In het Frankenrijk werd de Croquemitaine al gauw een synoniem voor de Boeman.
[2] Onder meer de roos, de lelie, de chrysant, het margrietje, het weideviooltje, de narcis, de balsemien.
[3] Als daar zijn: de vijg, de druif, de granaatappel, de citroen, de ananas, de olijf, de sinaasappel. [4] Bijvoorbeeld: de pimpelmees, de nachtegaal, de feniks, de tortelduif.
[5] Muskaat, kamfer en rozenolie.
[6] Goud, edelstenen of fraaie koopwaar en goederen, om maar iets te zeggen.
[7] Tot zijn grote spijt kon schrijver dezes niet bij het hier beschrevene aanwezig zijn, en ook geen van zijn collega-kroniekschrijvers was van de partij, zodat wij deze passage ook maar hebben van horen zeggen.

Geen opmerkingen: