30.6.06

De vrek en de vogelliefhebber, een zaak van Hilaire de Saint-Médard (Vlaams Filmpje, 28/9/2001)

1.

Hilaire de Saint-Médard sneed net het hoedje van zijn zacht gekookt eitje, toen er aan de deur gebeld werd.
‘Wie belt er nu aan op zo’n godsonmogelijk vroeg uur ?’ snoof de beroemdste privé-detective van het westelijk halfrond geërgerd.
‘Ik ga wel,’ mompelde ik snel.
Oompje kan immers veel verdragen, maar hij baalt ervan als hij tijdens het ontbijt gestoord wordt.
‘Dag, Annabel,’ zei een gejaagde stem, die voortgebracht werd door een soort flitsende schim. ‘Mag ik binnenkomen ?’
Zonder mijn antwoord af te wachten, duwde de schim me de gang in en in dezelfde flitsende beweging sloot ze zorgvuldig de deur. Tijdens die fractie van een seconde probeerde ik de stem die bij de schim hoorde thuis te brengen, want ze kende blijkbaar mijn naam. Helaas kon ik het gezicht van de mysterieuze verschijning niet zien: er zat een oude gleufhoed in de weg.
In de gang werd de verschijning al meteen een stuk rustiger. Het bleek om een man te gaan. Hij nam zijn hoed van voor zijn gezicht en toen herkende ik niemand minder dan de alom gevreesde inspecteur De Baets, de voormalige collega en boezemvriend van mijn beroemde oom.
Dadelijk begreep ik ook waarom de inspecteur zich zo vreemd gedroeg : hij wilde natuurlijk niet herkend worden. Als het uitlekte dat hij oompje had opgezocht, zouden de journalisten zich weer vrolijk maken over de politie, omdat zij er zo te zien weer niet in slaagde één of ander zaakje tot een goed einde te brengen.
‘Zou ik Hilaire even kunnen spreken, Annabel ? Het is dringend.’
Ik schraapte de keel. ‘Mijn oom zit aan het ontbijt, inspecteur. Ik hoop dat het werkelijk héél dringend is, want anders… U kent hem.’
De inspecteur knikte ernstig. ‘Het ís heel dringend.’
‘Gaat u dan maar mee naar zijn spreekkamer.’
Ik ging de inspecteur voor en wees hem een stoel aan, waar hij ging zitten. Daarna liep ik naar de keuken, waar oompje net met de precisie van een chirurg een langwerpig korstje brood met een lengte van exact 8,5 centimeter in het eigeel doopte.
‘Inspecteur De Baets wil u spreken,’ zei ik. ‘En het is heel dringend.’
‘Heel goed, Annabel, heel goed,’ bromde oompje, om zich vervolgens onverstoorbaar weer aan zijn eitje te wijden.
Ik was benieuwd hoe lang hij de inspecteur in zijn spreekkamer zou laten wachten.
Zeven minuten en achtendertig seconden. Dat viel nog mee.
Maar ja, inspecteur De Baets was dan ook niet de eerste de beste. En hij was een zéér goede vriend van mijn oom. Zowat de enige, geloof ik.

2.

Toen de grote Hilaire de Saint-Médard de spreekkamer binnenstapte, verraadden zijn mondhoeken dat hij net een zacht gekookt eitje had gegeten. Maar inspecteur De Baets sloeg daar geen acht op. In zijn borstelige snor waren altijd wel etensresten te vinden.
Het is me altijd een raadsel gebleven hoe twee zo uiteenlopende mannen zo goed bevriend konden zijn. Mijn oompje was een toonbeeld van stiptheid, netheid en orde. De Baets daarentegen was een echte sloddervos. En toch konden ze het prima met elkaar vinden.
‘Waarde vriend, waarmee kan ik je van dienst zijn ?’ begon oompje, terwijl hij de inspecteur warm de hand schudde.
De Baets zuchtte. ‘Een mysterieuze zaak, zoals gewoonlijk, waar ik kop noch staart aan krijg…’
‘Ook zoals gewoonlijk,’ mompelde oompje bijna geheel onverstaanbaar.
De inspecteur zweeg en knikte kort, zelfs wat onbeleefd, in mijn richting. Het duurde even voor oompje het begreep. Soms, voor bepaalde kwesties, kan hij inderdaad ook heel erg traag zijn, mijn slimme oompje.
‘Je bedoelt… Annabel ?’
De inspecteur knikte weer.
‘Je weet toch dat zij mijn assistente is ? Annabel kun je vertrouwen, neem dat maar van me aan.’
Terwijl mijn neus nog wat nakrulde, ging de inspecteur aarzelend voort. Eerlijk gezegd, leek hij nog altijd niet overtuigd van mijn betrouwbaarheid.
‘Als de pers hier lucht van krijgt, zal men weer de draak steken met de politiemacht in het algemeen, en met mijn persoon in het bijzonder…’ zei hij bedrukt.
‘Ik kan zwijgen !’ kon ik het niet nalaten uit te roepen.
‘Nu goed…’ zuchtte de inspecteur. ‘Dat risico zal ik dan maar nemen… Ik werd belast met het oplossen van een mysterie, mijn waarde Hilaire, dat ik met de beste wil van de wereld niet opgelost krijg…’
‘Klinkt interessant,’ bromde oompje vergenoegd.
‘Ik zal je geduld niet langer op de proef stellen… Een tijdje geleden werd ik bij een lijk geroepen in de Marollen…’
‘Niet bepaald één van de betere wijken van Brussel,’ merkte oompje gevat op.
‘Dat mag je wel zeggen… Het lijk lag op de bovenste verdieping van een groezelig pand… Het ging om een zekere Jérôme Vigneron. Van beroep was hij… woekeraar. Hij leende geld uit tegen buitensporig hoge intresten.’
‘Dan zal hij alvast meer vijanden dan vrienden gehad hebben,’ glimlachte oompje minzaam.
‘Dat klopt. Vriendschappelijke contacten hield hij er niet op na. Buiten zijn euh… klanten zag hij eigenlijk zo goed als niemand. Om de twee dagen deed hij zijn inkopen bij een kruidenier op de hoek van de straat, en dat was het zowat. Hij kwam nauwelijks zijn huis uit. Van die inkopen moet je je overigens ook niet te veel voorstellen. Een fles goedkoop tafelbier, een blikje makreel in eigen nat en wat droge koeken… Ziedaar het dagelijkse menu van Jérôme Vigneron.’
‘Is hij dan niet overleden ten gevolge van een al te eenzijdige voeding ?’ grijnsde ik. ‘Ongezond, hoor !’
Als inspecteur De Baets ergens in uitblonk, dan was het wel in een gebrek aan ook maar het kleinste greintje gevoel voor humor.
‘Nee,’ antwoordde hij bedaard. ‘Hij lag op de vensterbank, het hart doorboord met een dunne dolk.’
‘Vermoord door iemand die zijn schulden niet meer kon betalen ?’ vroeg oompje zich hardop af.
‘Dat lijkt voor de hand te liggen.’
‘Je hebt natuurlijk zijn klantenbestand uitgepluisd ?’
‘Uiteraard… Maar misschien wacht je beter met vragen stellen, Hilaire, tot ik klaar ben met mijn verhaal. Ieder detail is van belang. Jérôme Vigneron, moet je weten, leefde en werkte in een soort… bunker. De geblindeerde deur was van binnenuit stevig vergrendeld. De muren hadden een dubbele wand en voor het enige raam zaten tralies van wel twee duim dik. Het had lang kunnen duren voor iemand onze woekeraar zou gaan missen. Gelukkig vond de winkelier het eigenaardig dat hij zijn vaste klant al een week niet meer had gezien.’
‘Misschien kon hij de blikjes makreel in eigen nat en de flessen tafelbier niet meer stapelen…’ giechelde ik.
Inspecteur De Baets keek me peinzend aan. ‘Best mogelijk,’ zei hij. ‘Hoe dan ook, de man verwittigde de politie en toen begon de miserie.’
‘Het mysterie, zul je bedoelen ?’ glimlachte oompje. ‘Ah… het mysterie !’
Oompje hiéld van mysteries en inspecteur De Baets had er een hekel aan. Nog zoiets waarin zij van elkaar verschilden als water en vuur.
‘Er moest een slotenmaker aan te pas komen om de deur te openen,’ vertelde inspecteur De Baets. ‘Want wat bleek ? Niet alleen de deur was vergrendeld, ook het getraliede raam was gesloten…’
‘Er kon dus niemand binnen of buiten…’
‘Klopt,’ beaamde De Baets. ‘De vraag is dus : hoe raakte de moordenaar van Jérôme Vigneron binnen en vooral… hoe raakte hij weer buiten ?’
‘Goede vraag,’ knikte oompje.
Zijn stem had de nuchtere, rustige maar ook tevreden toon van de ware kenner.
‘Goed mysterie ook. En jij krijgt dat dus niet opgelost, De Baets ?’
De arme inspecteur schudde het hoofd.
‘Prima,’ glunderde oompje, en er gleed een verzaligde uitdrukking over zijn gezicht. ‘Laten we het dan eens over de vijanden van de heer Vigneron hebben…’
‘Hij leende aan woekerrenten en alleen wanneer er een waardevol onderpand op tafel kwam,’ zei De Baets. ‘Konden de mensen de lening niet meer afbetalen, dan verdween het onderpand voorgoed in de brandkast van Jérôme Vigneron. Ik heb een lijst van alle mensen die bij hem in het krijt stonden… Maar weet je wat nog het gekste is aan de hele kwestie ? De inhoud van die brandkast… bleef onaangeroerd !’
‘Alsof het de moordenaar niet om het geld was te doen,’ mompelde ik. ‘Of misschien wilde hij dat alleen maar laten uitschijnen, zodat de politie hem niet in het klantenbestand van meneer Vigneron zou zoeken ?’
‘Kan Jérôme Vigneron ook zelfmoord gepleegd hebben ?’ vroeg oompje.
‘Waarom zou hij ? Financiële problemen had hij niet en voor de rest was hij het type dat zichzelf te graag zag om zich pijn te doen.’
‘Dus zoeken we een klant van Vigneron,’ besloot oompje. ‘Je zei daarnet dat je zijn klantenbestand uitgepluisd had…’
‘Ja, maar daar hebben we ook een probleem mee… We hebben een lijst gevonden die ongetwijfeld een klantenlijst moet voorstellen, maar er staat geen enkele naam op… Alleen cijfers.’
‘Codenummers ?’ informeerde ik.
‘Waarschijnlijk. Eerst dacht ik dat het geboortedata waren, maar in dat geval zou het slachtoffer er klanten op nagehouden hebben tussen 9 en 99 jaar… en dat leek mij niet zo geloofwaardig.’
Oompje drukte zijn monocle wat vaster in zijn oog en staarde nadenkend voor zich uit.
‘Een merkwaardige zaak, inderdaad…’ zuchtte hij vertederd.
De Baets zuchtte eveneens, maar in zijn geval klonk het veeleer wanhopig.
‘Ik ben blij dat je er ook zo over denkt. Ik heb heel de tijd de indruk dat ik iets over het hoofd zie, maar ik heb er geen flauw idee van wat dat zou kunnen zijn.’
Oompje stond op. ‘Kan ik het appartement van het slachtoffer even aan een nader onderzoek onderwerpen ?’
‘Natuurlijk,’ zei de commissaris. ‘Vier ogen zien meer dan twee.’
Ik schraapte de keel. ‘Zes ogen,’ zei ik.
‘Waar wachten we dan nog op ?’ vroeg oompje, toen de brave inspecteur niet meteen aanstalten maakte om te vertrekken.
Zoals gewoonlijk wanneer hij geconfronteerd werd met een vers en onvervalst mysterie, was oompje weer één en al ongeduld.
Inspecteur De Baets stond op. Hij had een kleurtje gekregen, zag ik.
‘Euh… mijn beste Hilaire,’ stamelde hij. ‘Heb jij toevallig nog een oud politie-uniform in de kast hangen ?’
‘Een politie-uniform ? Waar is dat voor nodig ?’
‘Tsja… Je moet begrijpen dat het voor mij een beetje vervelend is om samen met jou op straat gezien te worden. Wat zullen die journalisten weer schrijven in hun krantjes, nietwaar ? Dat ik het – opnieuw ! – niet alleen opgelost krijg… En de politie krijgt al zoveel kritiek te verduren. Het heeft niets met jou persoonlijk te maken, hoor. Het is alleen niet goed dat de mensen de politie met een privé-detective zien samenwerken.’
‘Ik zal ze vertellen dat wij samen de bloemetjes gaan buiten zetten,’ grijnsde oompje.
Hij hield ervan inspecteur De Baets een beetje te jennen.
‘Tijdens de diensturen ? Dat kun je me toch niet aandoen, Hilaire !’
Oompje haalde de schouders op. ‘Dan zullen we iets anders moeten bedenken, want ik heb mijn uniform al lang geleden weggegooid. Toen ik mijn spreekkamer herschilderde, om precies te zijn. Er zat een spatje verf op. Ik vrees trouwens dat ik de broek toch niet meer dicht zou krijgen.’
Hij wees een beetje verlegen naar zijn buikje, dat er inderdaad vrij weelderig begon uit te zien.
‘Weet je wat ?’ besloot hij. ‘We ontmoeten elkaar, geheel toevallig, binnen een uurtje of zo op het terras van Café Gudule. En dan vraag ik jou hardop, zodat iedereen het kan horen, naar jouw opinie over één of ander mysterie dat mij momenteel zogenaamd het slapen belet. Is dat in orde ?’
‘Er zal wel niks anders opzitten, zeker ?’ gromde inspecteur De Baets, waarna hij geruisloos de spreekkamer uitsloop en verdween op dezelfde manier als hij gekomen was.
In een flits. Als een schim in de nacht.
Enfin, in de ochtend.

3.

‘Het ziet ernaar uit dat we een opdracht hebben, Annabel,’ zei oompje plechtig.
Vooral dat ‘we’ plezierde me.
‘We moeten wel voortmaken,’ voegde hij er nog aan toe, en hij nam me mee naar de keuken en wees veelzeggend naar de tafel die nog gedekt was voor twee.
Ik ruimde haastig af en deed de vaat. Mijn gedachten dwaalden voortdurend af naar de woekeraar die vermoord was teruggevonden achter een van binnenuit vergrendelde deur en een getralied venster. Ik was blijkbaar niet de enige die nadacht, want ook oompje staarde geconcentreerd voor zich uit.
Een half uur later stond Hilaire de Saint-Médard zelfverzekerd op. Zonder een woord te zeggen, trokken we onze jas aan en toen ik oompje uit de paraplubak ook nog zijn wandelstok zag meescharrelen, wist ik dat hij op alles voorbereid wilde zijn.
Ik had moeite om oompje bij te houden. Hij hield er een stevig tempo op na. Hij stopte alleen even om de kraag van zijn jas rechtop te zetten. Pas toen viel het me op dat het behoorlijk koud was. Er viel dan ook weinig – om niet te zeggen : geen - volk te bekennen op het terras van Café Gudule. Alleen die arme inspecteur De Baets zat er te kleumen achter een koffie.
Voor een paar toevallige voorbijgangers voerde oompje het toneeltje op, dat hij eerder met De Baets had afgesproken. Toen marcheerden we in slagorde in de richting van de volkse buurt die bekend stond als de Marollen.
Inspecteur De Baets bleef staan voor een groot gebouw dat in slechte staat verkeerde. Hier en daar hingen nog enkele schilfers afgebladderde verf op de voorgevel. De ramen waren met houten planken dichtgetimmerd, behalve dan het raam op de bovenste verdieping: dat zat veilig verborgen achter duimdikke tralies.
‘Hier is het,’ zei De Baets.
Oompje deed zwijgend een paar stappen terug om het gebouw zo nauwkeurig mogelijk te observeren. Hilaire de Saint-Médard was altijd zeer zwijgzaam als hij op onderzoek uittrok. Blijkbaar hadden zijn grijze hersencellen en zijn spraakvermogen het moeilijk om gelijktijdig te functioneren.
De Baets begaf zich naar de verzegelde voordeur… en uitte toen plots een vloek, die ik hier niet zal herhalen.
‘De zegels zijn verbroken… Iemand is na de politie nog dit gebouw binnen geweest…’
Ik duwde tegen de deur en tot mijn verbazing schuurde die knarsend open.
Oompje kwam bij ons staan. ‘Vigneron woonde hier geheel alleen in dit gebouw ?’ vroeg hij.
De Baets knikte. ‘We moeten voorzichtig zijn,’ fluisterde hij. ‘Misschien is de indringer nog binnen…’
Behoedzaam slopen we, in ganzenpas, naar boven. De Baets ging voorop, hij had zijn revolver getrokken. Daarna kwam oompje, met zijn wandelstok in de aanslag. Ik sloot de rij, mijn blik star gericht op de punten van mijn schoenen.
Daarmee had ik eens de schenen van een buurjongetje bewerkt, die mij ‘een seutje’ had genoemd. Het waren geduchte wapens. Toch voelde ik mij niet helemaal op mijn gemak in het tochtige en vochtige gebouw. De traphal ademde een sfeer van dreiging uit, van dood en verderf ook. De deuren van de leegstaande appartementen stonden open als gapende gaten, als kraters van vulkanen die ieder ogenblik hun kolkende lavastroom over onze hoofden konden spuiten. (Dit lijkt misschien wat overdreven, maar geef toe : het is toch mooi gevonden, nietwaar ?)
Plots greep oompje me bij de arm en nu begon mijn hart zowaar in mijn keel te kloppen. Hij wees naar iets glinsterends, op de grond. Ik dacht eerst dat hij een aanwijzing gevonden had, maar het bleek bij nader inzien om een niet echt meer verse fluim te gaan. Erg attent van hem, nu kon ik de smurrie tenminste netjes ontwijken.
Eindelijk hielden we halt voor een deur waar geen slot meer in stak.
‘Dit is… was… het appartement van Vigneron,’ zei De Baets. ‘De rest van het gebouw was ook van hem.’
Oompje bestudeerde de deur zo aandachtig dat hij het eentonige, regelmatig terugkerende tikken niet hoorde… en inspecteur De Baets was een beetje hardhorig, wist ik, sinds een collega die vlak naast hem stond zijn revolver had leeggeschoten op een ontsnapte boef en de kerel op de koop toe nog gemist had ook.
‘Oompje…’ bracht ik hees uit.
‘Nu niet, Annabel ! Ik denk na !’
De zenuwen gierden door mijn keel. Zou de moordenaar teruggekeerd zijn ? Natuurlijk, dat was het. Hij had zich een paar dagen schuilgehouden en nu de aandacht voor de zaak van de vermoorde woekeraar wat verslapte, hoopte hij de brandkast toch nog te kunnen kraken. Dat getik… dat moest een schroevendraaier zijn.
Toen duwde oompje zachtjes tegen de deur, die gewillig meegaf, klaar om de geheimen van Jérôme Vigneron te onthullen. Ik kneep mijn ogen stevig dicht en verwachtte een kreet of een ander noodsignaal te horen. Maar er gebeurde niets.
Langzaam opende ik mijn ogen... Er was niemand in de kamer. Geen indringer, geen moordenaar. Ik zag alleen een kakkerlak haastig over de vloer wegrennen.
Toen ik van de eerste schrik bekomen was, zocht ik naarstig naar de oorzaak van het getik.
Oompje was me voor. ‘Tiens, ik dacht dat je gezegd had dat het raam gesloten was,’ zei hij tot de inspecteur.
‘Dat was het ook,’ mompelde die.
‘Oompje ! Kijk daar !’ gilde ik. ‘Een bloedvlek ! Op de vensterbank !’
‘Ja natuurlijk,’ antwoordde oompje rustig. ‘Daar lag het slachtoffer, Annabel. Je kan moeilijk verwachten dat daar een plasje water ligt, nietwaar ?’
Oompje zette zijn speurwerk voort, terwijl ik mij allesbehalve op mijn gemak bleef voelen. De kamer had iets van een cel. Het laatste wat je kon zeggen van Jérôme Vigneron was dat hij in luxe leefde.
In het midden van de kamer stond een lange, houten tafel. Er waren twee stoelen ondergeschoven. In de ene hoek van de kamer bevond zich een oud, massief eiken bureau met daarachter een even indrukwekkende armstoel. In een andere hoek prijkte de brandkast, het heiligdom van de vrek. Ze stond net als het raam open en er zat duidelijk niets meer in.
Natuurlijk niet. Inspecteur De Baets en zijn mensen zouden de hele inhoud ervan wel op sporen onderzocht hebben. Het was dus ook onzin van me geweest te denken dat de moordenaar zou teruggekeerd zijn om het geld uit de brandkast alsnog mee naar huis te nemen.
Een veldbed maakte het meubilair van de kamer volledig. Op dat smalle en ongemakkelijke ding genieten van een heerlijke nachtrust leek mij uitgesloten.
Eindelijk verbrak oompje de stilte. ‘Ik heb dit raam even aan een nader onderzoek onderworpen en toch wel een paar merkwaardige vaststellingen gedaan… Kijk zelf maar eens, Annabel. Valt jou niets op ?’
Ik keek eens vluchtig naar het raam, maar ik had weinig hoop om iets te vinden. Dat soort dingen behoorde nu eenmaal tot de specialiteit van de beroemde detective Hilaire de Saint-Médard.
‘En ?’ vroeg oompje.
Ik haalde de schouders op.

4.

‘Eerste vaststelling : het slachtoffer lag tegen het raam. Zo leek het alsof het raam gesloten was. Maar dat was niet het geval. Het raam zat niet in de klink. Zoals je weet, mijn waarde vriend…’
Hierbij richtte hij zich uitdrukkelijk tot de inspecteur.
‘… heeft het de jongste dagen nogal hard gewaaid. Het raam moet opengevlogen zijn.’
De Baets knikte. ‘Mogelijk,’ zei hij, ‘maar wat schieten we daarmee op ? Ook al stond het raam open, dan nog kon niemand zich tussen die tralies naar binnen wringen. En wat ik mij op dit ogenblik vooral afvraag… wie heeft de zegels van de voordeur verbroken ?’
‘Een zwerver die hier een onderdak zocht voor de nacht ? Wie zal het zeggen ? Maar ik heb nog een tweede vaststelling gedaan, waarde vriend… Kijk nog eens naar de afstand tussen de tralies… Een smalle dolk kon zo wél naar binnen.’
‘Je bedoelt dat de woekeraar dus meer dan waarschijnlijk voor het geopende raam stond toen hij dodelijk getroffen werd door die smalle maar vlijmscherpe dolk ?’
‘Precies,’ zei Hilaire de Saint-Médard, op de geduldige toon van de leraar die een ingewikkelde kwestie op een zo eenvoudig mogelijke wijze probeert uit te leggen aan een niet zo schrandere leerling. ‘Het was echter niet van de eerste keer raak.’
‘Nee ? Hoe weet je dat zo zeker ?’
‘Kijk maar eens hier…’
‘Bedoel je dit ?’ vroeg de inspecteur, terwijl hij naar een fijn putje wees in het hout van het raam.
‘Inderdaad. Ik durf er een diner bij Chez Louis om te verwedden dat de punt van het moordwapen perfect past in dit putje.’
‘Hier in de muur zit er nog eentje,’ merkte ik op.
‘Goed zo, Annabel ! Dat betekent dat de moordenaar minstens drie pogingen nodig had voor hij Jérôme Vigneron beet had.’
‘Alle goeie dingen bestaan uit drie,’ flapte ik eruit.
Gelukkig waren zowel oompje als de inspecteur zodanig met hun eigen gedachten bezig dat ze geen aandacht schonken aan mijn misplaatste opmerking.
‘Wat ik niet begrijp, is hoe de dader het mes vanop een afstand precies tussen deze tralies heeft kunnen mikken,’ mompelde inspecteur De Baets.
‘Dat weet ik ook niet,’ antwoordde oompje. ‘Maar dit weet ik wel, mijn waarde vriend : daar kom ik vroeg of laat wel achter.’
‘Vanop de begane grond of als je lager staat dan dit vertrek lijkt het me totaal onmogelijk… Het enige gebouw dat ongeveer de hoogte heeft van dit pand, is het appartementsblok hier recht tegenover… maar dat ligt dan weer op bijna zestig meter van hier.’
‘Niemand kan zo ver gooien !’ zei ik, om duidelijk te maken dat ik ook mijn deel van het denkwerk deed.
‘Zeer juist, Annabel,’ antwoordde oompje. ‘Bovendien zijn de putjes hier in het raam en daar in de muur behoorlijk diep. Er moet dus heel wat kracht achter de dolk gezeten hebben toen die zich in de vensterbank of in de muur boorde. Daaruit zou je dan weer kunnen afleiden dat hij of zij die de dolk gooide zich niet ver hier vandaan kon bevinden.’
‘Ik dacht zo… Vigneron moet toch iets gemerkt hebben van die twee mislukte pogingen ?’ zei inspecteur De Baets peinzend.
Ik haalde de schouders op. ‘Misschien stond hij met zijn rug naar het raam.’
‘Mogelijk,’ zei oompje, ‘maar ik vraag me af of de moordenaar dan wel zou toegeslagen hebben. Tenslotte is de kans om iemand te doden vrij klein als je hem in de rug treft. Tenzij… ‘
‘Tenzij wàt ! ?’ vroegen de inspecteur en ikzelf als uit één mond.
‘Tenzij de dader zich toch op een grote afstand van het raam bevond. Dan kon hij niet zien of het slachtoffer met zijn gezicht of met zijn rug voor het raam stond.’
‘Maar hoe is het dan mogelijk dat de dolk zich nog met zo veel kracht in het hout en in de muur boorde ?’
Inspecteur De Baets zuchtte diep.
‘Nee, hier raak jij ook niet wijs uit, Hilaire…’
‘Zie je ‘t niet meer zitten, waarde vriend ?’ glimlachte oompje genoegzaam. ‘Mooi zo ! Hoe ingewikkelder, hoe liever ik het heb ! De voldoening is dan des te groter als het mysterie toch opgelost raakt ! Wie woont hier recht tegenover en op een gelijke hoogte met de kamer van het slachtoffer ?’
‘Op de vijfde verdieping in het gebouw hier recht tegenover woont een vrijgezel, net als Vigneron,’ zei De Baets. ‘Ik heb hem de dag toen we de moord ontdekten al ondervraagd. Hij had niets gezien of gehoord.’
‘En hij woont daar helemaal alleen ?’
‘Ja… Hoewel… Hij deelt zijn appartement met enkele tientallen vogels.’
‘Vogels ?’
‘Vogels.’
‘Interessant… Ik zou die man graag eens met een bezoekje vereren, mijn waarde vriend… Als je dat niet erg vindt ?’
De inspecteur zuchtte gelaten.

5.

We verlieten het griezelige en groezelige appartement van de vermoorde woekeraar. Ik was opgelucht dat ik buiten weer frisse lucht kon opsnuiven. In de kamer van de woekeraar rook het naar de dood. Ik vroeg me af of het er ook zo geroken had toen Jérôme Vigneron nog leefde.
We liepen het gebouw aan de overkant in en namen de trap naar de vijfde verdieping. Inspecteur De Baets klopte aan op de deur van de vogelliefhebber, maar er kwam geen reactie. De inspecteur liet het er niet bij en bonsde driemaal fors op de deur. Gelukkig was die van prima kwaliteit.
Nu deed een kleine oude man met grijswitte haren en een onverzorgd ringbaardje eindelijk voor ons open. Ik schatte hem een jaar of zeventig. Uit het appartement steeg een oorverdovend gekwetter op. Ik begreep dadelijk waarom hij het beschaafde kloppen op de deur niet gehoord had. Het lawaai viel echter nog mee in vergelijking met de doordringende geur van mest en veren die ons tegemoetkwam. Oompje deed spontaan een stap achteruit, alsof hij de stank zo kon ontwijken.
De oude man staarde ons afwachtend en niet erg uitnodigend aan. Hij had duidelijk geen zin in een babbel.
De inspecteur leek niet veel last te hebben van de stank. ‘Mogen we even binnenkomen, meneer Zeuntjes ? Dat praat makkelijker.’
De grijsaard fronste de wenkbrauwen. ‘Denkt u ?’
‘Ik kan u natuurlijk ook meenemen naar het politiebureau.’
De man zuchtte en deed een stap opzij. Met een handgebaar gaf hij te kennen dat we zijn heiligdom mochten betreden.
‘Gaat u zitten,’ zei hij.
‘Nee dank u,’ antwoordde oompje beleefd. ‘Ik blijf liever staan.’
Ik begreep dadelijk waarom. Toen ik op de sofa ging zitten, vulde een enorme stofwolk de kamer. Er dwarrelden opeens ook tientallen pluimjes in het rond.
Oompje en de inspecteur stelden enige vragen. Jammer genoeg kan ik geen verslag uitbrengen van de antwoorden die meneer Zeuntjes voor hen in petto had. Ik werd al te zeer in beslag genomen door mijn nies-, hoest- en proestbuien. Mijn ogen traanden ook verschrikkelijk. Vervelend hoor, zo een allergie.
Pas toen oompje de grijsaard vroeg of hij na de moord nog bezoek had ontvangen, had ik mijzelf weer min of meer in de hand.


‘Niemand komt bij mij op bezoek, meneer.’
‘En u hebt ook niets verdachts gezien in het appartement aan de overkant ?’
‘Ik hou mij alleen met mijn eigen zaken bezig, meneer. Ik heb mijn vogels en dat is voldoende.’
‘Hebt u familie ?’
‘Mijn broer stierf tien jaar geleden en als u me nu even wil excuseren, meneer… Ik moet dringend afwerken waaraan ik bezig was voor u hier aanklopte.’
De zonderling wees naar een vogel die wat zat uit te hijgen op een stokje.
‘Doet u maar rustig,’ zei oompje.
Behendig stak meneer Zeuntjes zijn arm in de kooi en voor de vogel wist wat er gebeurde, stak alleen nog zijn kopje boven de hand van zijn baas uit. Hij nam een schaartje dat op tafel lag en begon de nagels van de vogel - ik denk dat het een vink was, maar zeker ben ik niet - te knippen.
Meneer Zeuntjes hield het pootje naar het licht en knipte de nagel net boven het adertje af. Hij deed het met een verrassend vaste hand. Blijkbaar moet dat ook oompje opgevallen zijn, want hij vroeg of de man al lang vogels hield.
‘Een jaar of veertig,’ antwoordde meneer Zeuntjes. ‘Ik zou ze, eerlijk gezegd, niet meer kunnen misen. Ze zijn alles wat ik heb. Buitenstaanders kunnen zich niet inbeelden hoeveel vriendschap je van deze diertjes krijgt.’
‘Hoe bent u ertoe gekomen om vogels te houden ?’
‘Vroeger was ik een verwoed jager… maar na mijn ongeval ben ik daarmee opgehouden en toen…’
‘Uw ongeval ?’
‘Ik was lid van een boogschuttersvereniging.’
‘Ach zo,’ mompelde oompje. ‘Is het ook te wijten aan uw ongeval dat u… een beetje hinkt ?’
Mij was dat nog niet opgevallen, moet ik bekennen. Maar ja, ik had het dan ook erg druk gehad met niezen en zo.
‘Ja.’
Het viel me op dat de man het liever over zijn vogels had dan over dit onderwerp, want zijn antwoorden werden opeens weer een stuk korter en klonken ook weer erg kortaf.
‘U kreeg een pijl in uw voet ?’
‘Ja. Bij het opspannen van mijn kruisboog… schoot ik per ongeluk in mijn eigen voet.’
‘Interessant… Ik bedoel : hoe erg,’ verbeterde oompje snel. ‘Hebt u nu nog altijd een kruisboog ?’
De zonderling keek oompje onderzoekend aan. Blijkbaar voelde hij aan dat ontkennen geen zin had als je tegenover een speurneus zat van het kaliber van Hilaire de Saint-Médard. Hij stond op en slofte naar een hoek van de kamer. Nu viel het mij ook op dat hij lichtjes hinkte.
Hij bukte zich en diepte uit een houten kist een kruisboog op.
‘Dit is alles wat ik nog heb,’ zei hij. ‘Ik heb deze kruisboog zelf gemaakt. Het is niet veel zaaks, maar ik beschouw het als een mooie herinnering. ‘
‘Dank u, meneer. Wij weten genoeg,’ zei oompje, en hij begaf zich naar de deur.
Het was duidelijk dat hij in dat geval stukken meer wist dan de inspecteur, want diens blik verraadde dat hij in de verste verte niet begreep waarom het gesprek zo plots en abrupt afgebroken moest worden.


6.

Inspecteur De Baets en ikzelf hadden het moeilijk om oompje in de traphal bij te houden. Enkele tellen later stonden we met z’n allen op straat uit te hijgen.
‘Waarom plots zo’n haast ?’ vroeg de inspecteur.
‘De kruisboog,’ begon oompje. ‘Het moordwapen werd met die kruisboog afgeschoten.’
‘Denk je ?’
‘Ik denk,’ knikte oompje. ‘En jij, mijn waarde vriend ? Denk jij ?’
Hij lachte vrolijk om zijn eigen grapje en vervolgde toen opgeruimd : ‘Vanop zestig meter afstand met een kruisboog tussen twee tralies mikken lijkt me niet onmogelijk voor een geoefend schutter die – zij het dan in een vorig leven – ook nog jager is geweest. De dolk heeft zich diep in het hart vastgezet. Hij moet dus met behoorlijk wat kracht gelanceerd zijn. De putjes in de muur en de vensterbank bevestigen deze theorie. Het kan alleen maar met een kruisboog gebeurd zijn.’
‘En die mislukte pogingen dan… ? Zou Jérôme Vigneron zijn raam niet gauw gesloten hebben als de dolken hem om de oren begonnen te suizen ?’
‘Misschien heeft hij van die twee eerste schoten niets gemerkt,’ bromde ik.
‘Dat zou kunnen,’ zei oompje. ‘Maar ik moet bekennen dat ik daar zelf nog niet helemaal uit ben.’
Inspecteur De Baets begon weer te stappen. ‘Ik ga naar het bureau en vaardig een arrestatiebevel uit. Misschien kan een huiszoeking het mysterie helemaal ophelderen.’

In afwachting van inspecteur De Baets en zijn mensen, genoten oompje en ik van een lekkere maaltijd bij Chez Louis. We aten allebei fazant. Gek dat ik van gevogelte niet meer moet niezen, zodra het zich op mijn bord bevindt.
Enfin, oompje was al in feeststemming en liet ook een fles champagne aanrukken. De zaak was, wat hem betrof, zo goed als rond. Ik mocht een glaasje meedrinken en een beetje ijl in het hoofd begaf ik mij aan de arm van de beroemdste privé-detective van het westelijk halfrond naar Café Gudule, waar we koffie dronken tot inspecteur De Baets en zijn agenten eraan kwamen.
Oompje liep naar buiten. ‘Ah, mijn waarde de Baets !’ bulderde hij luidkeels. ‘Weer een zaak opgelost ?’
‘Zeg dat wel, meneer de Saint-Médard,’ schreeuwde de inspecteur terug. ‘Als u soms zin hebt om getuige te zijn van mijn triomf, mag u altijd meegaan, hoor !’
Samen met de inspecteur en de agenten begaven we ons naar de woning van meneer Zeuntjes. Inspecteur De Baets was in zijn nopjes. Zowel zijn agenten als de klanten van Café Gudule hadden het nu uit de mond van de befaamde Hilaire de Saint-Médard gehoord dat hij en hij alleen alweer een nieuw mysterie had opgelost. Zijn eer was gered !

Het was muisstil in de grote trapzaal. Inspecteur De Baets bonsde op de deur van meneer Zeuntjes. Geen reactie. Weer gebons, maar ditmaal harder. Nog steeds geen reactie. Oompje klopte zo hard hij kon met zijn wandelstok op de deur. Hetzelfde resultaat : géén dus.
‘Dan zullen we maar de harde middelen inzetten, zeker ?’ mompelde De Baets , en hij gaf twee potige agenten het bevel de deur te forceren.
Met een paar welgemikte trappen ging de de deur van meneer Zeuntjes aan spaanders. Gelukkig had de vogelliefhebber van zijn appartement geen versterkte burcht gemaakt, zoals dat wel was gebeurd bij Jérôme Vigneron.
De deur vloog aan spaanders… en daar vloog al een hele troep vogels ons om de oren. Venijnige nageltjes krabden in mijn gezicht en veren schuurden langs mijn huid. Ik werd overvallen door een niesbui, waarin hemel en aarde tegelijk leken te vergaan. Maar mijn allergie zorgde er wel voor dat ik niet al te zeer te lijden had van de werkelijk ondraaglijk geworden stank in de vertrekken van meneer Zeuntjes. Ik had wel wat beters te doen dan door mijn neus te ademen.
‘Volgens mij is de vogel gevlogen,’ zei oompje spottend, toen de rust min of weer was weergekeerd.
De agenten doorzochten snel alle kamers van meneer Zeuntjes, maar Hilaire de Saint-Médard had het gelijk eens te meer aan zijn kant.
‘Het bewijst in ieder geval dat wij het bij het rechte eind hadden,’ zei inspecteur De Baets. ‘De heer Zeuntjes is wel degelijk de moordenaar van Jérôme Vigneron.’
‘Wat doen we nu ?’ vroeg ik.
Het klonk nog wat beverig, onzeker en tranerig… maar dat kwam voornamelijk door mijn allergie. Die oude meneer Zeuntjes zou wel niet zo ver gelopen zijn, ondertussen. En al had ik weinig sympathie voor het slachtoffer, ik had dat nog minder voor een koelbloedige moordenaar, ook als dat een hinkende oude vogelliefhebber was. Dat had ik dan gemeen met oompje. De politie kreeg hem wel te pakken, gerechtigheid zou geschieden en het raadsel was opgelost.
‘Ik zal zijn signalement in heel het land laten verspreiden,’ zei De Baets, ‘en uiteraard blijven we hier ook een oogje in het zeil houden, voor het geval hij nog eens mocht terugkeren.’
‘Dat geloof je toch zelf niet, mijn waarde vriend ?’
‘Niet echt, nee…’
Het was even stil. Toen besloot De Baets : ‘Kom, we gaan. Ik hou het niet meer uit in deze stank. Heb je soms zin om mee te gaan ? Dan kan je je oude bureau nog eens zien.’
Tot mijn verbazing ging oompje op het voorstel in. Hij was geen sentimenteel type, maar blijkbaar had zijn boezemvriend toch weer één van zijn schaarse gevoelige snaren weten te raken.
Toen ik de voordeur opende, verlieten we samen met een indrukwekkende stroom vogels het gebouw.
We wandelden naar het politiekantoor. Dat lag in de buurt. Niemand sprak een woord, onderweg. Iedereen leek in gedachten verzonken. Waarschijnlijk lag het de inspecteur op de lever dat meneer Zeuntjes hem op de valreep toch nog te snel was afgeweest en piekerde oompje alweer over een nieuwe criminele kwestie die hij kon oplossen.
Ik van mijn kant was meer begaan met het lot van de tientallen vogeltjes die voor hun vrijheid hadden gekozen. Zij zouden het niet gemakkelijk hebben om in deze barre koude te overleven.

7.

We stapten het politiebureau binnen en even leek het alsof ook daar vogels gehouden werden. Ik greep alvast naar mijn zakdoek, maar een nieuwe aanval bleef uit. Toen hoorde ik de agent aan de balie vertellen dat er op het kantoor van inspecteur De Baets een man wachtte die naar wel tien volières tegelijk stonk.
‘Meneer Zeuntjes !’ concludeerde De Baets.
We haastten ons naar het kantoor van de inspecteur. De deur knarste open en inderdaad… daar zat meneer Zeuntjes een beetje ineengedoken op een stoel, pet in de hand.
‘Wat doet ù hier ?’ riep De Baets uit.
‘Ik kom mij aangeven,’ antwoordde meneer Zeuntjes. ‘Ik wist dat die meneer me verdacht…’
Hij wees met een benige, trillende vinger naar oompje die hem glunderend stond op te nemen.
‘Ik wist ook dat u me zou komen halen… en wat moest er dan van mijn vogels worden ? Ik heb ze uit hun kooitje gelaten en de vrijheid gegeven… Op het moment dat u mijn appartement binnendrong, zouden zij… de vrijheid vinden.’
De oude man aarzelde even vooraleer hij het woord ‘vrijheid’ een tweede keer uitsprak, en hij legde er ook een sterke nadruk op. Ik begreep hem wel. Hij gaf zijn geliefde vogels de vrijheid op het moment dat hij ze verloor – zowel zijn vogels als die vrijheid. Het was erg triest, allemaal.
‘Waarom hebt u Jérôme Vigneron vermoord ?’ vroeg oompje zakelijk.
‘Die ouwe vrek pluimde mensen zoals je vogels pluimt die je in de pan wil doen,’ gromde meneer Zeuntjes. ‘Ik haat dat soort volk…’
Het was niet duidelijk wie hij met ‘dat soort volk’ bedoelde : de lui die mensen pluimden of zij die vogels pluimden.
‘Mijn enige dochter had bij Jérôme Vigneron een grote som geld geleend. Zij kon haar schulden echter niet meer betalen. Ze smeekte mij om hulp. Ik heb geen geld. Ik heb mijn vogels en dat is meer dan genoeg. Maar als je kind je smeekt om haar te helpen, dan doe je dat. Er waren maar twee mogelijkheden : mijn appartement verkopen en mijn vogels op straat zetten of die oude vrek…’
De zonderling maakte zijn zin niet af, maar wij begrepen allemaal dat hij voor de tweede oplossing gekozen had.
‘U hebt uw kruisboog genomen…’ fluisterde De Baets.
‘Mijn zelfgemaakte kruisboog…’
‘Maar die eerste keer… miste u uw doel ?’
‘Nee,’ zei meneer Zeuntjes. ‘Ik mis mijn doel nóóit.’
Hij keek een beetje zielig naar de voet waarmee hij hinkte.
Oompje fronste de wenkbrauwen. ‘U hebt nochtans op z’n minst drie keer naar het appartement van de heer Vigneron geschoten.’
‘Ja, maar dat komt omdat… De dag voor ik hem wilde helpen om het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen… stond zijn raam open. Ik had de oude vrek zien uitgaan. Toen heb ik van de gelegenheid gebruik gemaakt om een paar schoten te lossen, kwestie van het vizier juist te zetten.’
‘Er zijn niet veel agenten die je dat finale schot zullen nadoen,’ zei inspecteur De Baets droogjes.
‘Ondanks mijn leeftijd heb ik nog een vaste hand… En als ik mij maar voldoende concentreer, dan mis ik mijn doel nóóit. Dat zei ik toch ?’
‘Dat hebben we al gemerkt toen u de nagels van die vogel knipte,’ zei oompje. ‘Dat u een vaste hand hebt, bedoel ik.’
Het werd stil in het kantoor van inspecteur De Baets. Alles was gezegd. Meneer Zeuntjes deed zijn polsen tegen elkaar en stak zijn handen uit in de richting van de inspecteur. Die deed hem de handboeien om en dat was dat.
Hoewel we de zaak nu helemaal tot een goed eind hadden gebracht, bleef er zelfs bij oompje weinig over van de aanvankelijke overwinningsroes.
Deze eenzame oude man was niet echt een misdadiger, beseften we. Hij hield alleen té veel van zijn dochter… en van zijn vogels.

Een kleine fotoreportage met Detectivebureau de Saint-Médard






21.6.06

De Zeebisschop (uit Halloween Verhalen, verteld door Vlaamse jeugdauteurs - Lannoo 2002)

In september kregen we er ‘een nieuwe’ bij. We vormden op dat ogenblik een hecht groepje, dat al jaren samen in de klas zat. Af en toe waren er wel eens een paar nieuwe gezichten opgedoken, en ik moet toegeven: we maakten het die lui niet erg makkelijk. Soms werden ze in ons groepje opgenomen, omdat ze ook een scherpe tong bezaten of erg goed vraagstukken konden oplossen (en ons in hun wijsheid lieten delen). Soms bleven ze alleen maar dienen als mikpunt van spot en flauwe grapjes. Meestal lieten we ze links liggen en vormden ze dan met hun tweeën een groepje. Of in hun dooie eentje.
Wout was een geval apart. De meisjes begonnen al achter hun hand te giechelen zodra ze hem zagen, maar ze zouden hem toch nooit in het gezicht uitgelachen hebben. De jongens ontvoerden zijn boekentas wel eens, om ze dan in een andere gang aan een haak te hangen, maar van zijn lange broek bleven ze af. Die behandeling bleef gereserveerd voor de echte schietschijven van de klas: tijdens de turnles sloop Daan het verkleedlokaal binnen en stak hij de broek weg achter een radiator of zo.
Wout hoefde dus nooit hartje winter de speelplaats op, met blote en van de kou steeds blauwer kleurende benen. Nochtans had hij zo ongeveer alle kwaliteiten van een prima schietschijf. Hij was een slungelige jongen met pukkels en piekhaar, hij stotterde en was de eigenaar van een geweldig stel flaporen. Tot overmaat van ramp beweerde Lena, naast wie hij in de les scheikunde een plaatsje had gekregen, dat hij een geurtje had. Enfin, dat hij stonk.
‘Naar beesten,’ preciseerde ze.
Nu kon je in het lokaal scheikunde altijd wel een of ander verdacht geurtje opsnuiven. De Goochelaar liet zijn proeven erg graag stinken, alsof onze hekel aan scheikunde zo al niet groot genoeg was. Maar dit geurtje had volgens Lena niks met chemie te maken, en alles met beesten. De volgende dag kon je Daan snuffelend achter Wout aan zien lopen. Hij rook echter niks.
In andere gevallen zou alleen een vermoeden van een geurtje al voldoende geweest zijn voor Daan, om een hele reeks wrede grappen te laten volgen. Maar nu gebeurde er niks. Daan kon duidelijk geen hoogte krijgen van Wout, evenmin als wij trouwens. Misschien had het vooral met zijn ogen te maken: eigenaardig heldere ogen die bij jou naar binnen leken te kijken. Ik griezelde van Wouts blik. Het was alsof hij al m’n geheimen te weten zou komen, alleen maar door me aan te kijken.
Wout zocht nooit contact met ons groepje en hij werd dan ook nooit opgenomen in onze vrolijke bende. Hij behoorde echter ook niet tot die andere jongens en meisjes, die voortdurend op hun kop kregen. Wout stond helemaal alleen en leek dat nog leuk te vinden ook. Tijdens het vrije kwartiertje kon je ‘m over de speelplaats zien drentelen terwijl hij lange, mompelende gesprekken voerde… met zichzelf. Niemand heeft ooit gehoord wat hij zoal te vertellen had.
Toen moesten we voor DDT van Nederlands een opstel schrijven over onze hobby. Eerst was er een klasgesprek, ter voorbereiding.
‘Wie heeft een speciale hobby?’ informeerde DDT. ‘En ik bedoel dan niet zoiets als muziek beluisteren, postzegels verzamelen of aan computers prutsen hé.’
Wout zat helemaal in z’n eentje, achteraan. Ik kon ‘m dus niet zien. Om een of andere reden keek ik achterom, terwijl her en der vingers de hoogte in gingen. Ook Wout had deze keer zijn hand opgestoken, merkte ik. De eerste maal dat hij uit zijn eigen vrije wil iets uitvoerde in de klas.
Ik maakte er Daan attent op. Hij keek om, ook een paar anderen keken achterom. Plotseling waren alle ogen op Wout gericht. Welke speciale hobby kon zo een stille sullige jongen in godsnaam hebben?
‘Ik verzamel Wonderdieren, meneer.’
Je hoorde duidelijk de hoofdletter.
‘Is dat zo, Wout?’
‘Ja hoor… In de wei achter ons huis staat een Eenhoorn en op zolder houden we een Griffioen. Dat is een soort roofvogeldier, een kruising tussen een adelaar en een leeuw. Gevaarlijk, zegt men wel eens, maar die van ons is tam. En in de kelder hou ik mijn Catoblepas. Dat is pas een grappig beest! Beweegt zich voort op zijn handen, heeft een paardenstaart en het lichaam van een egel, met stekels en al. Hij lijkt altijd zeer moe. Geen wonder met die enorme loodzware zwijnenkop van ‘m. Om de paar passen moet hij zijn kop op de grond laten zakken, want zijn nek is veel te dun om hem te dragen. Gelukkig groeien zijn haren tot over z’n oren, want z’n blik kan mensen doden. Ook zijn adem zou dodelijk zijn, omdat hij alleen maar giftige kruiden eet. Geen pretje om aan voedsel voor zo een Catoblepas te geraken, dat kunt u zich wel voorstellen.’
DDT bleef Wout nog enkele ogenblikken met wijdopen mond aanstaren en zei toen bedrieglijk rustig: ‘Schrijf mij tegen morgen vijf bladzijden rond het thema… liegen is geen kunst!’
Wout keek hem verontwaardigd en ook een beetje verbaasd aan. ‘Maar dat was helemaal niet gelogen!’
In ieder geval speelde hij het voortreffelijk.

Op de gang hield Daan me tegen. ‘We hebben ons vergist in die jongen. Wat denk jij ervan, Lies?’
‘Dat hij een prachtige aanwinst zou zijn voor het schooltoneel.’
‘Dat ook, dat ook. Maar de manier waarop hij DDT in de maling nam… Zo origineel! Chapeau!’
Wout kwam als laatste de gang op geslenterd.
‘Ha die Wout!’ begroette Daan hem overdreven hartelijk.
Hij keek ons aan met die ernstige, priemende blik van hem. ‘Het is niet eerlijk,’ zei hij.
Daan klopte hem hard op de rug. ‘Trek het je niet aan. Ik steek wel een handje toe, oké?’
‘Nee dank je,’ zei Wout, en hij liep verder. ‘Ik red het wel alleen. Het is gewoon niet eerlijk.’
Daan ging achter hem aan. ‘Nu niet overdrijven, hé Wout. Als je met zo een verhaal komt aandraven, dan krijg je natuurlijk reacties als deze. Maar het was heel goed gedaan, heus.’
‘Ach, laat me met rust. Wat hebben jullie plotseling aan mij verloren, hé?’
‘Niks… Ik wilde je alleen maar even feliciteren met je…’
‘Met mijn grap?’ onderbrak Wout hem scherp.
‘Ja,’ zei Daan, duidelijk uit het lood geslagen. ‘Mag dat dan niet?’
‘Dus jij denkt ook dat ik een fantast ben?’
Daan haalde zijn schouders op.
‘Maar daar zit het ‘m net, makker! Het is de waarheid! De wààrheid, snap je?’
Wouts stem klonk schril en galmde griezelig in de op ons na volkomen verlaten gang. En hoe gek zijn verhaal ook klonk, op dat moment wilde ik hem onvoorwaardelijk geloven. Je hoefde hem maar heel even aan te kijken en je was verloren. De blik in zijn ogen… Zo bezeten, zo verontwaardigd en zo diep gekwetst…

Wat Daan betrof, was de zaak gesloten. Maar mij liet het verhaal van Wout niet los. Ik wilde er het fijne van weten. Zo ben ik nu eenmaal. Nieuwsgierig Liesje, nietwaar.
Wout schreef zijn strafbladzijden helemaal alleen en overhandigde ze met een stalen gezicht aan DDT.
Wout schreef zijn opstel… en ja hoor, het ging ook over zijn verzameling.
DDT las er stukken uit voor in de klas. Over de Amfisbaena, dat is een slang met twee koppen, die dus zowel vooruit als achteruit kan kruipen. Als ze haast heeft, steekt ze eenvoudig haar ene kop in de bek van de andere en rolt dan als een hoepeltje verder.
Of over het Scythisch Lam, ook wel Boomlam genoemd, en als je voor een echte geleerde wil doorgaan: de Lycopodium Barometz. Dit lam groeit op stevige, in de grond gewortelde, gedraaide stengels. Het zwiept heen en weer om het gras te kunnen bereiken waarmee het zich voedt. De vacht van het lam is wollig en goudgeel van kleur, en de poten eindigen in takvormige teentjes, waarvan de knoppen in de lente openbloeien tot schitterende bloemen. Enzovoort, enzoverder.
‘De opdracht was niet een fantastisch literair gewrocht te schrijven,’ zei DDT, ‘maar een verhandeling over je hobby. Fantastische verhalen beantwoorden trouwens altijd aan een interne logica, Wout. En de interne logica van jouw verhaal klopt van geen kanten. Om maar iets te noemen: hoe plant dat Scythisch Lam van jou zich eigenlijk voort?’
Algemeen gelach. En Wout boog zijn hoofd en beet op zijn lip.
Na de les liep ik achter hem aan, naar de fietsenzaal. Ik kwam al sinds jaar en dag te voet naar school, want ik woonde vlakbij. Niemand had er een idee van waar Wout woonde, maar ik had hem wel eens na school op een fiets weg zien rijden.
Ik kwam naast hem lopen. Hij keek niet op of om.
‘Koppig kereltje, hé?’
‘Het is het lot van het Scythisch Lam, dat het zijn hele leven in totale eenzaamheid moet doorbrengen,’ antwoordde hij triest.
Nu ik me zo dicht in zijn buurt bevond, maakte ik snel van de gelegenheid gebruik om eens diep te snuiven. Ik rook niks.
‘Zoals jij?’ vroeg ik dan maar.
‘Het kan zich immers niet verplaatsen.’
‘Tsja.’
‘De Lammeren roepen vaak naar elkaar. Dan kun je hun klaaglijk geblaat vanop grote afstand horen.’
Ondertussen hadden we zijn fiets bereikt. Het bleek een roestig vehikel te zijn dat best antiek kon wezen.
Ik legde mijn hand op zijn arm en wendde al mijn vrouwelijke charme aan. ‘Als ik je dat erg lief zou vragen, Wout, zou ik je verzameling dan mogen zien?’
‘Geloof je erin?’
Ik glimlachte. ‘Eerst zien en dan geloven.’
Hij schudde het hoofd. ‘Dan kan het niet,’ zei hij. ‘Want je kunt niet zien wat je niet kunt geloven.’
Hij sprong op z’n fiets en reed van me weg.
‘Je kunt ook niet geloven wat je niet kunt zien!’ riep ik hem achterna. ‘En je mag niet rijden in de fietsenzaal, verdomme!’

Hoe dan ook, het ijs tussen ons was nu toch gebroken. Alleen het al te diepe water en mijn gekwetste vrouwelijke trots verhinderden nog dat deze twee koningskinderen bij elkaar konden komen. En ook Daan natuurlijk. Een beetje.
Wout liet mij een paar weken in mijn sopje sudderen. Ik van mijn kant gebaarde dat hij voortaan lucht voor me was. Daan, die overal spionnen had en iets van ons vertrouwelijk gesprek had opgevangen, deed of hij het allemaal bijzonder grappig vond.
Toen brak de Paasvakantie aan en kreeg ik een kaartje van Wout, zomaar, vanuit Port Grimaud. Dat bleek een Zuidfrans havenstadje te zijn, gebouwd op een lagune. Het leek zowat een Venetië in zakformaat. Schattige huisjes, geverfd in alle mogelijke pasteltinten, rezen zo uit het water op.
Hij stelde het goed, schreef hij, en hij had een schitterende ontdekking gedaan. Zou ik nu al kunnen geloven zonder eerst te zien?
Ik verveelde me rot. Het regende ouwe wijven. Dus stuurde ik een mailtje naar het adres dat op het kaartje vermeld stond. Ik zal mijn best doen, schreef ik.
Er keerde een heel andere Wout terug. Waarschijnlijk voor het eerst in zijn leven droeg hij een jeans die ‘in’ mocht genoemd worden en hij had een hemdje aan met Windsurfing USA op. Hij zag er nochtans bleker uit dan toen hij vertrok en hij leek ook wat vermagerd – of was het afgetraind? -, maar zijn pukkels waren verdwenen en zijn flaporen gingen althans voor een deel schuil achter een bos door de zon gebleekt haar. Hij begon er bijna knap uit te zien.
Tot grote wanhoop van Daan, liep Wout gedurende een paar weken na school telkens met mij naar huis, de fiets aan de hand. Het was niet zo een grote omweg, beweerde hij. Ik was nog altijd vooral nieuwsgierig naar zijn geheimen, maar toch ook al een tikkeltje verliefd, geloof ik.
Stukje bij beetje kreeg ik het hele verhaal te horen. Hoe hij met pa en ma kampeerde langs het strand van Port Grimaud. Hoe bloedheet de zon er aan de azuurblauwe hemel stond. Hoe ze ’s morgens wat kuierden in het stadje, iets dronken, winkeltjes bekeken en de rest van de dag doorbrachten aan het strand.
Ik had hem levend kunnen villen. Maar dan zou ik natuurlijk niks meer over zijn schitterende ontdekking gehoord hebben.

Ze lagen met z’n drietjes op rieten matjes lekker bruin – en in het geval van Wout: bleek - te bakken, toen de Zwarte Man eraan kwam. Opnieuw sprak Wout duidelijk in hoofdletters.
De Zwarte Man droeg een kleurig, met Indische motieven bestikt hemd en een wijde witte broek. Hij was op blote voeten en had een zevental leren hoeden op het hoofd. Over zijn schouder hingen talloze leren riemen, sandalen en handtasjes. In zijn hand droeg hij een zak met nepjuwelen, Chinese snuisterijtjes, roze olifantjes, Afrikaanse maskers, kralen en armbanden.
‘Je ziet er zo voortdurend over alle stranden zwerven,’ vertelde Wout. ‘Zwarte Mannen met blikkerend witte tanden, beladen met alle mogelijke en onmogelijke prullen. De meeste toeristen doen net of ze hen niet zien. Sommigen kopen een paar sandalen die al na een dag aan flarden hangen. Maar nu was het nog geen toerististisch hoogseizoen en had de Zwarte Man nog echt zeldzame en kostbare zaken bij. Mijn pa heeft een zesde zintuig voor dat soort dingen. Veel Wonderdieren uit mijn verzameling heeft hij heel toevallig op de kop getikt tijdens een van zijn verre reizen. Mijn pa vroeg aan de Zwarte Man of hij niks speciaals achter de hand hield en de Zwarte Man knikte yes, yes! A Seabishop!’
Ik zag het zo voor mijn ogen gebeuren: gefascineerd keek Wout naar de rozige handpalmen van de Zwarte Man, waarin plotseling… een vis lag?
‘Het viel niet goed uit te maken wat het precies was. Een levend wezen, jazeker. Maar voor de rest…?’
‘Hoezo? Een levend wezen is toch altijd dit of dat? Een vis of een zoogdier bijvoorbeeld?’
‘Is een tomaat groente of fruit?’
Ik aarzelde.
‘Zo was het ook met de Zeebisschop,’ zei Wout. ‘Een vis? Ja, daar had hij wel wat van. Maar hij had ook… menselijke trekken.’
Hij, het of wat dan ook had heel die tijd in een klein bokaaltje vol water gezeten. Hij, het of wat dan ook had een leerachtig vel met fel rode, blauwe en gele kleuren. Hij, het of wat dan ook leek ontegensprekelijk menselijk. Zoals een zeehond met zijn platte snuit, heldere zachte ogen en stijve snorharen niet alleen aan een hond, maar ook aan een mens deed denken. Deze Zeebisschop bezat vinnen en een staart, een snavel en een vacht en hij had ook een mijter op het hoofd en een staf in zijn euh... vin.
‘De leurder hield ons de Zeebisschop voor,’ vertelde Wout nu bijna ademloos. ‘Het… beestje leek te slapen. De ogen waren gesloten. De Zwarte Man drong aan dat we ’t zouden kopen. Hij sliep zeven jaren, beweerde de Zwarte Man. En dan zou hij plotseling wakker worden, de ogen openen en wonderen verrichten voor zijn eigenaar, op voorwaarde dat die hem voedde... met zijn bloed. Iedere dag een druppel bloed. Dan zouden ook die mirakels zeven jaren duren.’
‘Het lijkt wel een sprookje!’
‘Mijn pa begon af te dingen,’ ging Wout onverstoorbaar verder. ‘Het was zo een klein beestje! En waar moesten we het houden? In een aquarium? Uiteindelijk kocht hij de Zeebisschop dan toch, voor een schijntje eigenlijk…’
‘En toen?’
‘Nou, dat is alles. Ik kreeg ‘m voor mijn verjaardag. Hij zit nu in een visbokaal op het nachtkastje naast mijn bed. En zijn ogen zijn open gegaan… Precies op mijn verjaardag!’
‘Mag ik ‘m zien, Wout?’
‘Geloof je erin?’
Ik moest er even over nadenken… en toen was het al te laat.
‘Dan niet,’ zei hij.

Ik probeerde de Zeebisschop en ook Wout te vergeten, maar geen van beide ging mij goed af. Op een nacht droomde ik van de Zeebisschop: hij lag in de grote zeemanskist waarin ik lang geleden mijn poppen en knuffels bewaarde. Toen ik de kist opende, keek hij me met zijn uitpuilende ogen treurig aan.
Wout schreef me een briefje. Er zat een blad bij dat hij uit een handboek biologie gescheurd had. Tenminste, dat stond in het briefje. Op het blad zou ik een afbeelding van de Zeebisschop vinden, die officieel ‘Uranoscopus’ heette. Een zonderlinge vis met bepaalde kenmerken van zoogdieren, die alleen in de Middellandse Zee voorkwam en uitpuilende, naar de hemel gerichte ogen had.
Wout werd met de dag bleker en magerder en op een vreemde manier ook knapper. Ik bleef even koppig. De meisjes giechelden niet meer achter hun hand en wilden zelfs best wel naast hem gaan zitten in de klas. Ik stikte bijna van nijd. En hij werd ook goede maatjes met Daan en de rest van de jongens. Hij haalde formidabele cijfers en hij deed de zwaarste toetsten met het grootste gemak en dito succes.
Ik had zijn briefje niet beantwoord en ik vertikte het een woord tegen hem te spreken. De lange lege vakantie brak aan. Ik ging kapot van wroeging. En ook van die ellendige regen natuurlijk. Hij zou ze nu wel lekker bruin bakken, ergens aan de Côte d’Azur of zo, dacht ik.
Zeven wondere jaren… Hij was met de dag knapper geworden. Maar ook bleker en magerder. Waar moest dat eindigen? Iedere dag een druppel van je bloed… Ik huiverde.
Nooit heb ik zo erg naar september gesnakt als toen. Eindelijk zou ik hem terug zien! Ik zou alles goed maken. Mijn excuses aanbieden. Met een schone lei beginnen. Eerst geloven en dan zien.
Maar Wout is niet meer teruggekeerd. Van Daan heb ik gehoord dat zijn ouders zich permanent in het buitenland gevestigd hebben. En wat er van hem geworden is, en van zijn Zeebisschop… dat zal wel voor altijd een raadsel blijven…

De 4 Heemskinderen (uit Vlaams Sprookjesboek, de mooiste legenden, verhalen en sprookjes opnieuw verteld door Vlaamse jeugdauteurs - Lannoo 1999)

Deze vertelling, beste lezer(es), vangt aan op een kille winterse dag in december, ergens in de vroege middeleeuwen, zo rond zestien uur dertig. In die machtige tijd dus, die ook wel eens ‘de duistere middeleeuwen’ wordt genoemd, omdat het toen telkens aardedonker werd op kille winterse dagen in december, zo rond zestien uur dertig[1].
Keizer Karel de Grote regeerde in die dagen roemrijk over onze gewesten en zwaaide zijn scepter af en toe zelfs over de rest van de wereld. Op een keer zwaaide hij zo vervaarlijk met die scepter van hem dat hij een sauspannetje aan scherven stootte, en dat de inhoud het blazoen van heer Aymon van Dendermonde bevlekte. Aangezien heer Aymon een ridder was zonder vrees noch blaam, en ook omdat hij niet over vrouw of wasmachine[2] beschikte, kwam daar uiteraard oorlog van. Een smet op een blazoen, daar werd niet mee gelachen, in die duistere middeleeuwen!
De oorlog tussen heer Aymon van Dendermonde en keizer Karel de Grote duurde vele, vele jaren. Hun ridders en gewone manschappen en ook zijzelf waren immers aan elkaar gewaagd, hadden allen plusminus dezelfde opleiding genoten, bezaten min of meer dezelfde kracht en waren ongeveer even behendig in de edele kunst van het splijten van schedels met de strijdbijl, of het afhakken van ledematen met het blanke zwaard. Het pleit raakte dus maar niet beslecht en na een aantal jaren was de pret er ook volledig af.
‘Heren!’ riep heer Aymon toen uit, van wie de schedel er al behoorlijk gespleten begon uit te zien. ‘Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen!’
Alle krijgsmakkers lieten de wapens zakken, en ze luisterden vol overgave naar de ridder die deze wijze woorden had gesproken. Er viel een eerbiedige stilte.
‘Waarom bekijken jullie me allemaal zo?’ vroeg Aymon, toen hij vond dat die eerbiedige stilte lang genoeg had geduurd. Zijn voorraad wijze woorden was namelijk beperkt en na de vorige uitspraak geheel uitgeput.
Op dat ogenblik redde keizer Karel de Grote – zoals dat wel eens meer gebeurde – de situatie. Hij schreed plechtstatig naar voor en sprak: ‘Heren! Heer Aymon heeft gelijk! Dat kan hier zo niet doorgaan! Laten wij een einde maken aan deze vreselijke oorlog en vrede stichten in mijn rijk! Laat de ledematen van onze ridders en andere trouwe onderdanen niet langer door de lucht zeilen en onze tenten bespatten met het bloed van onze broeders! Voor de zon twee maal is gezakt naar de westelijke einder en voor de haan twee maal drie keer heeft gekraaid – kortom, tegen overmorgen dus – wens ik dat er vrede heerst in mijn rijk, en daarmee basta!’
Zo gezegd, zo gedaan. Want als keizer Karel de Grote plechtstatig naar voor schreed en vervolgens sprak, dan werd er niet tegengeprutteld.
Het vredesbedrag dat na moeizame onderhandelingen tot stand kwam, bepaalde dat heer Aymon de zuster van keizer Karel de Grote tot vrouw mocht nemen, om eindelijk de smet van zijn blazoen te wassen, en aangezien hij nog steeds niet beschikte over een wasmachine.
Zo geschiedde.
Het huwelijk tussen heer Aymon en de zus van keizer Karel de Grote was God bijzonder welgevallig, en Hij schonk Aymon vier flinke zonen: Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard. Die doopte Aymon aldus omdat hij nu eenmaal een grondige hekel had aan namen als ‘Jan’, ‘Piet’, ‘Joris’ of ‘Korneel’.
Hoe dan ook, Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard waren nauwelijks hun wiegje ontgroeid, of zij begonnen zich al zo dapper te gedragen dat Aymon zich verplicht zag hen tot ridder te slaan, omdat hij anders wellicht zelf een pak slaag zou hebben gekregen. Bij die gelegenheid schonk Aymon aan elk van zijn vier zonen ook, nog voor zij hun rijbewijs hadden gehaald, een edel en vurig ros. Reinaud, zijn oudste zoon, kreeg de beste draver uit de stal.
‘Zo’n paard rij jij nog in geen mensenleven dood!’ sprak Aymon fier.
Maar Reinaud sloeg het paard in kwestie met één geweldige vuistslag knock-out en het stortte met behoorlijk gespleten schedel zieltogend ten gronde.
‘Ah nee?’ lachte hij.
In plaats van de ridders van de Dierenbescherming te bellen[3], om zijn oudste zoon een wat beschaafder omgang met dieren bij te brengen, haalde heer Aymon een tweede paard. Ook dit dier werd door Reinaud met één geweldige uppercut naar de eeuwige jachtvelden gemept. Met het derde ros reed hij dan weer zo onstuimig uit dat hij een bocht miste en tegen de eerste de beste boom knalde. Hijzelf hield er een slechts lichtjes gespleten schedel aan over, maar het paard was wel – zoals men dat in het dialect van die dagen uitdrukte – ‘een peird totale’[4].
‘Luister, mijn zoon,’ sprak Aymon toen. ‘Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen, zoniet zullen wij ons bij gebrek aan paarden straks moeten verplaatsen met het openbaar vervoer!’
Dat waren wijze woorden en daar had Reinaud niet van terug. ‘Wat stelt u dan voor, vader?’ informeerde hij gedwee.
‘Beiaard!’ gromde heer Aymon in zijn baard. ‘Jij bent de man om het Ros Beiaard klein te krijgen! Die knol is zo sterk als twee maal vijf paarden[5] en hij is zo vlug als een sperwer[6]. Met zijn ijzeren gebit[7] maalt hij stenen als haver!’
Reinaud had eerbiedig naar de wijze woorden van zijn vader geluisterd, maar nu hield hij het niet langer uit.
‘Dat Ros Beiaard wordt het mijne!’ gilde hij opgewonden.
‘Zo weze het!’ gilde heer Aymon terug. ‘Gord dan je zwaarste slagzwaard om, mijn zoon, om het Ros Beiaard mores leren!’
Er viel opnieuw een eerbiedige stilte.
‘Met uw permissie, pa…’ mompelde Reinaud toen, nadenkend in zijn kruin krabbend. ‘Maar waarom?’
‘Ja, dat weet ik ook niet,’ gromde heer Aymon. ‘Omdat het zo goed klonk, zeker? Het zal de macht van de gewoonte wel zijn, vrees ik. Per slot van rekening word ik ook al een dagje ouder…’

Maar goed, waarde lezer(es), Reinaud trok dus naar het verre slot waar het Ros Beiaard op stal stond. Een bont gevolg van ridders en edelvrouwen begeleidde hem. Het waren allemaal trouwe supporters van Reinaud en ze droegen dan ook zonder uitzondering toeters en bellen mee, en spandoeken waarop allerlei hartversterkende leuzen geschilderd waren[8].
Zodra Reinaud was aangekomen bij de bewuste burcht, beukte hij de poort in.[9] Brullend van ‘olééé! olé! olé! olééé!’ stormde hij vervolgens op het Ros Beiaard af, en hij benaderde het gevreesde paard daarbij vanuit z’n dooie hoek, met de bedoeling het ongezien en bij verrassing te overvallen. Jammer genoeg werd hij verraden door zijn eigen strijdkreet, en het ros vloerde hem dan ook met een simpele hoefslag.
Versuft krabbelde Reinaud overeind. Vlug van besef als hij was, realiseerde hij zich meteen dat zijn tactiek niet helemaal de juiste was. Bij zijn tweede poging om het ros te breidelen en te bestijgen, ging hij bijgevolg frontaal op het paard af, uit volle borst zijn gekende strijdkreet schreeuwend. Ook deze poging mislukte jammerlijk.
U en ik, waarde lezer(es), of zelfs de gemiddelde koene ridder uit die duistere middeleeuwen, zou het hierbij gelaten hebben. Maar Reinaud gaf de moed niet op! Hij wist immers heel goed dat de held in dit soort legenden altijd drié pogingen diende te ondernemen, voordat hij slaagde in zijn opzet!
En ja hoor, bij zijn derde poging, na een langdurige en wisselvallige worsteling, lukte het Reinaud eindelijk het Ros Beiaard te breidelen en te bestijgen.
Reinaud joeg zijn scherpe sporen in de jagende flanken van Beiaard en zo stormden paard en ruiter de stal uit. Daarbij werden een paar supporters vertrappeld, maar een kniesoor die daarom treurde. Nee, kleinzerig waren die duistere middeleeuwers bepaald niet.
Reinaud en zijn ros haalden tijdens hun eerste proefritje samen 100 kilometer per uur in 8 seconden, 9 tienden en 77 honderdsten, waardoor de persoonlijke records van zowel ros als ruiter nog een ietsje scherper werden gesteld, en de schare supporters van Reinaud ver achter hen werden gelaten. Toen hun ‘Olé’s’ aan de einder al fel begonnen te verzwakken, legden Reinaud en zijn ros zich in een bocht en knalden vervolgens tegen een boom, die prompt en vervaarlijk krakend doormidden brak. Zwijmelend gaf Beiaard zich nu voorgoed gewonnen aan Reinaud, en zo reed de koene ridder met zijn dapper ros fier terug naar het slot, waar alleen de hofdichter van heer Aymon was achtergebleven.
‘Het wordt zo stilaan tijd voor één of andere historische uitspraak,’ sprak Reinaud tot hem. ‘Schrijf maar iets op. Een paar gevleugelde woorden heb ik wel verdiend, dacht ik zo.’
De hofdichter dichtte vervolgens de volgende onsterfelijke woorden:

Reinaud vond een paard,
Het was zijn ruiter meer dan waard,
Geen schat op aard was Beiaard waard,
Ja Reinaud vond een paard…

Wie onder u nu dacht dat de oude vete tussen heer Aymon en keizer Karel de Grote, waarmee wij deze vertelling hebben aangevangen, ondertussen al lang was vergeten, wel… die moet ik teleurstellen. Hoewel de zus van keizer Karel het bevlekte blazoen van heer Aymon keurig had gewassen en van alle smetten gereinigd, hoewel er een vredesverdrag en een huwelijk aan te pas waren gekomen, loerden zowel keizer Karel als heer Aymon nog steeds op een kans om hun vijand van weleer een stevige poets te bakken. Het ging zelfs zo ver dat het geschil tussen keizer Karel en heer Aymon werd voortgezet door hun nazaten: Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard – ook wel eens ‘de vier Heemskinderen’ genoemd[10] - aan de ene kant en aan de andere kant Lodewijk, de zoon van Karel.
Zo gebeurde het dat Reinaud op een zonnige dag een testritje deed met zijn ros Beiaard aan het hof van de koningszoon. Daarbij trappelden ze de moestuin tot moes en ploegden ze diepe voren door de met veel zorg aangelegde perkjes. Ze legden zich bovendien in een paar bochten en knalden tegen een stuk of wat bomen, die prompt vervaarlijk krakend doormidden braken.
Niks bijzonders, zult u zeggen, maar toch begon dit onschuldig spelletje danig op de zenuwen van prins Lodewijk te werken. Hij schreed dan ook plechtstatig naar voor en sprak met luide stem: ‘Wie zal dat vergoeden!?’
‘Stuur de rekening maar naar mijn papa!’ wedervoer Reinaud rustig.
‘Geen haar op mijn hoofd dat daaraan denkt! Geef Beiaard aan mij, en we spreken er niet meer over! Okee?’
‘U bent niet goed wijs, zeker? Beiaard is van mij en blijft van mij!’
‘Deze brute weigering kan u de kop kosten, heer Reinaud!’
‘Pas maar op dat ik ù geen kopje kleiner maak, prins Lodewijk!’
Enfin, het ene woord bracht het andere mee, en om een lang verhaal kort te maken: Reinaud en Lodewijk trokken hun zwaard en begonnen zo’n beetje te duelleren op leven en dood, zoals dat gebruikelijk was wanneer een ridder was beledigd door een andere ridder, of omgekeerd.
Reinaud sloeg tijdens het duelleren het hoofd van Lodewijk af. Per ongeluk eigenlijk, want hij had de hebberige Lodewijk alleen de schedel willen klieven - niet te diep, gewoon om hem een lesje te leren. Of als het echt niet anders kon, zou hij hem wel een minder belangrijk lichaamsdeel afgehakt hebben. Maar kijk, daar rolde het hoofd al in het stof en gedane zaken nemen nu eenmaal geen keer. Dus legde Reinaud het hoofd zorgzaam bij de rest van Lodewijks ontzielde lichaam op een eenvoudige boerenkar, die hij vergezeld van een boodschap - om uit te leggen[11] hoe het jammerlijk ongeval was kunnen gebeuren - naar het hof van keizer Karel de Grote stuurde.
Karel ontstak in een afschuwelijke woede toen zijn zoon Lodewijk zo thuiskwam zonder hoofd. Op staande voet rustte hij een troep ridders uit om Reinaud en zijn drie broers op hun beurt het hoofd af te slaan. Zo gruwelijk was zijn woede, dat hij er speciaal op drukte geen genoegen te zullen nemen met het afhakken van een minder belangrijk lichaamsdeel van één van de Vier Heemskinderen.
Het werd een bitsige en bloedige strijd, dat kunt u zich wel voorstellen. De ridders van Keizer Karel de Grote mikten voortdurend naar de hoofden van de Vier Heemskinderen, maar die hadden al gauw begrepen welk lichaamsdeel hier op het spel stond, en zij trokken hun hoofden telkens in zodra zij een slagzwaard hun richting zagen uitkomen. Bijgevolg waren het de hoofden van hun paarden die al meteen na het eerste treffen van hun romp werden gescheiden.
Ritsaard, Writsaard en Adelaard zagen zich nu genoodzaakt bij hun broeder Reinaud achter op het Ros Beiaard te wippen.
‘De overmacht is iets te groot, denk ik!’ zei die. ‘Ik heb zonet 11.235 tegenstanders geteld en wij zijn maar met z’n vieren. In die omstandigheden kunnen we maar beter het zekere voor het onzekere kiezen.’
En met machtige schreden koos het Ros Beiaard het Hazenpad[12] - een drukke verkeersader die naar het zonnige zuiden leidde. Het ros draafde door verscheidene landen, over hoge rotsen en galoppeerde verder nog naar het vreemde land van de verschrikkelijke Moren.
Jarenlang streden de vier Heemskinderen daar tegen allerlei goddeloos gespuis en beschermden ze weduwen en wezen. Waar zij verschenen, was de zege aan hen. Toen zij het strijden en beschermen zo stilaan even beu waren als koude pap, sprak Reinaud tot zijn drie broeders: ‘Drie broeders! Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen!’
‘Wijze woorden!’ knikten die, en er viel een eerbiedige stilte om de draagwijdte van deze boodschap even te laten bezinken. Toen dat was geschied, wendden de Vier Heemskinderen eensgezind de teugel en keerden ze terug naar hun vaderland, naar hun slot in de Ardennen, om er rustig te genieten van de jacht en de visvangst.
Misschien denkt u dat nu het ogenblik is aangebroken om te vertellen dat de Vier Heemskinderen stuk voor stuk een wilde boerendochter vonden en nog lang en gelukkig leefden, daar in hun slot in de Ardennen. Niets is evenwel minder waar! Want het nieuws van de terugkeer van de Vier Heemskinderen kwam de immer wrokkige keizer Karel de Grote ter ore, en hij rustte op staande voet een sterk leger uit om de burcht van de Vier Heemskinderen te belegeren en hen vervolgens het hoofd af te slaan.
Andermaal werd het een bloedige en bitsige strijd, waarbij Reinaud en zijn broers ten slotte moesten zwichten voor de overmacht[13] . Ze stonden net op het punt hun hoofd te verliezen, toen hun moeder – de zuster van de keizer, weet u nog wel – zich aan Karels voeten wierp om genade af te smeken voor haar kroost.
‘Accoord,’ gromde keizer Karel de Grote in zijn baard, ‘op één voorwaarde…Dat zij mij Beiaard geven! En daarmee basta!’
‘Als ik daarmee het hoofd van mijn broeders kan sparen… en ook een beetje dat van mezelf, natuurlijk,’ sprak Reinaud edelmoedig, toen hij over de beslissing van keizer Karel de Grote hoorde, ‘dan weze het maar zo!’
Maar zijn hart brak wel toen hij zijn geliefde Ros Beiaard aan de keizer afstond.
Nog had de wraak van de wrokkige keizer zich hiermee evenwel niet voltrokken… ‘Ik wil het Ros Beiaard persoonlijk en in het gezelschap van ridder Reinaud naar die plek leiden,’ sprak hij, ‘waar de Dender zich donderend in de Schelde stort!’[14]
‘Waarom, heer keizer?’ waagde Reinaud het te vragen.
‘Dààrom, heer Reinaud!’ antwoordde keizer Karel de Grote. ‘En daarmee basta!’
Op de bewuste plek aangekomen, beval keizer Karel de Grote het ros zware stenen en gewichten aan te binden, om het zo voor de ogen van Reinaud tot zinken te brengen. Maar het ros zonk niet, zo lang het Reinaud kon zien… Het kwam steeds weer het water uit gezwommen, naar Reinaud toe. Tot het een laatste keer hartverscheurend hinnikte en – een molensteen om de hals gebonden – voor eeuwig en altijd verzonk in de afgrondelijke diepten van de donkere stroom…

De herinnering aan het fiere Ros Beiaard heeft de eeuwen goed doorstaan. Nog stapt het jaarlijks in een stoet door de straten van Dendermonde, met de Vier Heemskinderen op zijn rug. En die van Dendermonde zingen dan een lied, dat elk hart in deze stad in brand jaagt:

’t Ros Beiaard doet de ronde
In het land van Dendermonde…


Patrick Bernauw
Aalst, 1999

[1] En ook omdat het elektrisch licht nog niet was uitgevonden, natuurlijk.
[2] De wasmachine zou pas enkele eeuwen later uitgevonden worden.
[3] Dit was op de keper beschouwd praktisch onmogelijk voor heer Aymon, aangezien de telefoon pas een slordige tien eeuwen later werd uitgevonden.
[4] Wij kennen deze uitdrukking vandaag de dag nog altijd in licht gewijzigde vorm, wanneer wij met de auto een bocht missen en de wagen door de garagist van dienst ‘een perte totale’ wordt genoemd.
[5] 10 PK, kortom.
[6] Het was een sportief model dat moeiteloos optrok van 0 tot 100 kilometer per uur in 10 seconden.
[7] Het Ros Beiaard bezat inderdaad een vals gebit, sinds het eens opgetrokken was als een ware raket, van 0 tot 100 kilometer per uur in 9 seconden 2 tienden 3 honderdsten, en daarbij uit een bocht was gevlogen en tegen een boom was geknald.
[8] Bijvoorbeeld: ‘Olééé-olé-olé-olééé… we are the champions! We are the champions!’
[9] Want de bel deed het niet.
[10] Niemand wist waarom, maar geef toe: het klonk goed.
[11] De tekst van deze historische brief is bewaard gebleven. Hij luidde aldus: ‘Geachte Heer, Uw zoon Lodewijk heeft zich een beetje verwond bij het spelen. Gelieve contact op te nemen met de agent van uw familiale verzekering. Hoogachtend, Reinaud… u weet wel, van de Vier Heemskinderen.’
[12] Ook bekend als de ‘Route du Soleil’.
[13] 347.987 tegen 4.
[14] Dendermonde dus.

Heksje (uit Het vroor dat het kraakte, de mooiste winterverhalen - Lannoo, 2002)

1.

Ze noemden haar Heksje.
Ze riepen haar na op straat: ‘Heksje! Heksje! Heksje!’
Haar ware naam was Gertrude Porter. Ze stierf in 1924, nauwelijks vijftien jaar oud, aan tuberculose.
Ik noemde haar nooit Heksje. Voor mij was zij Gertrude. Haar ogen waren van het lichtste bleekblauw dat ik ooit heb gezien.
Gertrude was mijn hartsvriendin, al was ik dan drie jaar jonger.

Mensen van mijn gezegende leeftijd hebben het wel eens over ‘die goeie ouwe tijd’ – maar geloof daar niks van, maatje. Die ‘goeie ouwe tijd’ heeft nooit bestaan, toch niet voor iedereen. Voor welstellende lui misschien wel, maar niet voor arme drommels zoals mijn vriendin Gertrude.
Als je arm was in het Engeland van die vroege jaren twintig, dan was je aangewezen op de liefdadigheid van de welstellende lui. Het waren vooral de beter begoede dames die zich met liefdadigheid bezighielden. Ze hadden allemaal ‘hun’ armen, voor wie ze tijdens de lange winteravonden vlijtig handschoenen breiden, of mutsjes, of sjaaltjes. Daarbij vroegen ze zich geen moment af of ‘hun’ armen niet meer nood hadden aan wat anders. Een degelijk onderkomen en gezond voedsel, om maar iets te zeggen.
Mijn ouders waren welstellende lui. Mijn moeder was zo een dame die voornamelijk aan liefdadigheid deed met haar breinaalden, tijdens lange winteravonden waarop ze niets anders om handen had. De radio zou pas enkele jaren later doordringen in de huiskamers van de welstellende lui en de televisie was nog lang niet uitgevonden, vandaar.
Als de smog van Londen niet te dik was, waagde mijn moeder zich na de zondagsmis wel eens in de smerige achterbuurten, telkens gewapend met dezelfde zelfgebreide spulletjes. Een truitje, een sjaal, handschoenen, een mutsje.
Ik moest mee. Die tochtjes door de armoedigste kwartieren van de stad maakten deel uit van mijn opvoeding, vond ze. Later zou ik immers ook een beter begoede dame worden die met haar breinaalden aan liefdadigheid deed, tijdens lange winteravonden en als ze toch niks anders om handen had.
Zo leerde ik Heksje kennen. Gertrude, bedoel ik.

‘Hoe voelt u zich sinds de vorige keer, mevrouw Porter?’
Stomme vraag, hoor. Maar toch bleef moeder ze stellen. Ik schaamde me in haar plaats.
Hoe zou jij je gevoeld hebben als je moest leven in een donkere keet van vochtig beton? De kolenkachel van mevrouw Porter rookte, haar echtgenoot was werkloos, haar oudste zoon zat in de gevangenis en haar enige dochter was ernstig ziek.
Mevrouw Porter zag er bleek en afgepeigerd uit in haar afgedragen en niet zo proper kleed. Ze deed of ze dankbaar was omdat mijn moeder zich zo om haar bekommerde, en voor het zelfgebreide sjaaltje en mutsje. Maar het kwam niet uit haar hart, merkte ik.
Mijn moeder merkte niks, zoals gewoonlijk. Zij ging ervan uit dat iemand met goede manieren ook een goed mens moest zijn, zoals iemand met slechte manieren noodzakelijkerwijze ook een slecht mens was. Mijn moeder was in dat soort dingen nogal… oppervlakkig.
Ik vroeg mij vaak af wat mevrouw Porter van ons dacht. Ze wilde onze steun niet verliezen – een paar wollen handschoenen bleef hoe dan ook een paar wollen handschoenen. Maar ze moet ons wel… wereldvreemd gevonden hebben. Een beetje onnozel ook, veronderstel ik. Zelfs een tikje bemoeizuchtig. Waar hielden wij ons eigenlijk mee bezig?
Net zoals mevrouw Porter haar dankbaarheid vooral speelde, zette ze nu met gespeelde onderdanigheid een gammele stoel voor moeder neer.
Ik hield niet echt van mevrouw Porter, nee. Ik vond haar achterbaks en moeilijk te doorgronden. Ze was heel anders dan Gertrude.
‘In de winter hebben we het altijd extra moeilijk,’ zei mevrouw Porter. ‘En wat het nog moeilijker maakt, is dat je dan moet leven van de liefdadigheid van anderen.’
‘Hoe stelt uw dochter het?’ vroeg m’n moeder.
Ze vergat altijd de voornaam van mijn vriendin. Gertrude met de ogen van het lichtste bleekblauw dat ik ooit heb gezien.
‘Gertrude…? Och mevrouw, wat zij nodig heeft, dat is… Dat is frisse lucht, mevrouw. En zon, veel zon. Als ze nog in leven is, dan is dat een mirakel waarvoor wij de Heer moeten danken.’
Ook de godsvrucht van mevrouw Porter was gespeeld, merkte ik. Ze meende daar allemaal niks van… van dat mirakel en van het danken van de Heer en zo.
Langer dan vijf of tien minuten hield moeder het nooit uit bij mevrouw Porter. Zodra ze meende voldoende blijk gegeven te hebben van haar bekommernis, stond ze abrupt op. Dan schonk ze mevrouw Porter nog een vriendelijke, bemoedigende maar weinig overtuigende glimlach.
‘Ik zou graag nog wat blijven praten, hoor. Maar jammer genoeg roept de plicht mij naar… elders. Er zijn nog andere armen die mijn hulp en steun goed kunnen gebruiken.’
Je hebt gelijk, maatje. Mijn moeder kon ook een aardig stukje acteren, net zoals mevrouw Porter. Ze was lang niet even érg als mevrouw Porter – geen enkele andere moeder zou Gertrude aangedaan hebben wat mevrouw Porter haar dochter heeft aangedaan -, maar op haar manier was mijn moeder inderdaad even schijnheilig als die bleke, magere, afgepeigerde vrouw die veel ouder leek dan ze in werkelijkheid kon zijn.
‘Er zijn nog andere armen die op me rekenen,’ zei m’n moeder, en ze draaide zich om en zocht mij met haar blik.
Tenminste, zo stel ik het mij toch voor… want op dat ogenblik stond ik nooit meer achter mijn moeder, waar ik hoorde te staan, stijf rechtop, één en al goed fatsoen. Op dat ogenblik zat ik al aan het ziekbed van Gertrude, in haar nauwe en bedompte slaapkamertje, waar de verf van de voor de rest kale muren bladderde en het altijd zo zurig en weeïg rook naar ziekte en verderf.
‘Helen! Helen, waar zit je nu weer!?’
Ik kwam dan steeds holderdebolder de steile smalle trap af en zette alvast een schuldbewust gezicht op. Want ja hoor, maatje, misschien is mijn moeder er niet helemaal in geslaagd van mij een ‘welopgevoede dame van de betere stand’ te maken zoals zij er één was, maar één ding heb ik toch van haar geleerd: in bepaalde omstandigheden kun je maar beter bepaalde gevoelens ‘spelen’. Zoals moeder dat zo vaak deed, en zoals mevrouw Porter dat voortdurend deed. Noem het voor mijn part ‘schijnheiligheid’ – het leek voor mijn moeder in ieder geval een wezenlijk onderdeel te zijn van wat zij als ‘goede manieren’ beschouwde.
‘Uw dochter is mijn Gertrude even gaan opzoeken, mevrouw,’ zei mevrouw Porter telkens weer. ‘Daar schuilt toch geen kwaad in? Het is erg vriendelijk van haar, want mijn kleine Gertrude krijgt niet veel bezoek…’
In werkelijkheid kon het mevrouw Porter geen barst schelen of haar ‘kleine Gertrude’ al of niet veel bezoek kreeg – tenminste toch niet dít soort bezoek -, maar het klonk goed. En als haar ‘kleine Gertrude’ min of meer bevriend raakte met een meisje uit de betere kringen, voorzover dat al mogelijk was, dan vielen daar misschien nog allerlei andere voordeeltjes te rapen. O ja, ik had haar wel door, maatje.
Moeder duwde mij vervolgens altijd snel in de richting van de voordeur, die onderaan tamelijk verrot was. De wind had er vrij spel en soms sloeg de regen er ook naar binnen.
‘Helen!’ zei ze boos – en haar boosheid was niét gespeeld. ‘Helen, hoe vaak heb ik je al gezegd dat je uit de buurt van Gertrude moet blijven! Het arme kind is heel erg ziek; haar aandoening is vast en zeker besmettelijk. Hoe vaak moet ik het nog herhalen? Je hebt werkelijk onuitstaanbaar, Helen! Een welopgevoed meisje gedraagt zich niet op die manier!’
De eerste keer dat ik Gertrude in het geniep had opgezocht en daarvoor een standje had gekregen van moeder, had ik haar geantwoord dat Gertrude helemaal niet besmettelijk was.
‘Ze is een beetje verwrongen, da’s al,’ had ik gezegd.
‘Verwrongen!? Hoe kom je erbij? En let asjeblief een beetje op je taal, Helen! Je zegt “dat is alles” in plaats van “da’s al”, heb je dat goed begrepen?’
‘Maar het is echt waar,’ zei ik. ‘Gertrude is alleen maar een beetje verwrongen.’
‘Het arme kind heeft een longziekte. En nieuwsgierigheid is een lelijke ondeugd, Helen!’
‘En toch is Gertrude een beetje verwrongen,’ hield ik vol. ‘Is het niet, mevrouw Porter?’
Mevrouw Porter knikte en antwoordde met een diepe zucht: ‘Mijn kleine Gertrude heeft ook een bochel, het is waar… De Heer heeft mijn dochter niet gespaard, mevrouw…’

2.

Als ik denk aan mijn moeder, maatje, dan herinner ik mij vooral een boel vermaningen.
Een welopgevoed meisje bijt niet op haar nagels.
Een welopgevoed meisje stopt haar haren niet in haar mond.
Een welopgevoed meisje stapt niet zo snel, zucht niet zo diep, loopt niet te huppelen over het voetpad.
Mijn moeder interesseerde zich alleen voor uiterlijkheden en voor wat de andere welstellende lui zouden denken van haar, van mij, van vader. Ze kende haar enige dochter even slecht als ‘haar’ armen die ze wekelijks probeerde met een bezoekje te vereren.
Ze kende mijn vader niet beter, daar ben ik van overtuigd – en toch was hij heel anders. Ik heb nooit begrepen wat die twee ooit in elkaar hebben gezien.
Eigenlijk was het zo dat mijn moeder al de mensen die ze kende in werkelijkheid helemaal niet kende. Ze leefden een heel ander leven dan mijn moeder zich voorstelde en waar zij nooit weet van zou hebben.
Zo was mijn moeder er altijd heel erg van overtuigd dat zij die arme mevrouw Porter een beetje had kunnen troosten en opbeuren met haar bemoedigende woorden en haar zelfgebreide sjaaltjes en handschoentjes. Ze was er heel erg van overtuigd dat mevrouw Porter haar daar ten zeerste dankbaar voor was.
Niets was minder waar, maatje.
Gertrude heeft mij ooit verteld hoe mevrouw Porter, na één van onze bezoekjes, meteen naar boven stormde en haar ‘arme kleine Gertrude’ twee klinkende oorvegen gaf.
‘Als je dan toch zo goed bevriend bent met dat kind van die rijke tante, waarom vraag je haar dan geen géld, Gertrude!? Ik heb je de vorige keer toch gezegd dat je dat kind géld moest vragen in plaats van nog maar eens een stel zelfgebreide handschoenen!? En maak je nu klaar, ja? We hebben drie klanten vanavond!’
Nee, met mijn moeder kon ik niet praten over Gertrude. Ze zou mij niet geloofd hebben. Ze zou mij er zelfs van beschuldigd hebben dat ik het hele verhaal ter plaatse verzon.
Welopgevoede meisjes verzonnen geen verhalen. Welopgevoede meisjes die verhalen verzonnen, waren eigenlijk geen welopgevoede meisjes en moesten dringend naar een strenge kostschool om daar eindelijk en van kop tot teen heropgevoed te worden. Wat hun vader er ook mocht van denken.
Het kwam door mijn vader, beweerde mijn moeder, dat zij er niet helemaal in geslaagd was mij wel op te voeden. Hij had het niet zo voor kostscholen en hij zag er geen graten in dat ik opgroeide tot ‘een halve jongen’, die weinig op leek te hebben met de ‘goede manieren’ van een welopgevoed meisje.
Vader moedigde mijn nieuwsgierigheid aan; hij zei dat het een teken was van intelligentie. Vader lachte om mijn grappen. Geef mij maar een onafhankelijke en zelfstandige dochter in plaats van een nuffig dametje, zei hij.
Met mijn vader kon ik praten. Ik leek als twee druppels water op hem, beweerde iedereen.

Op een avond, na een bezoekje aan mevrouw Porter en haar dochter, sloop ik naar de spreekkamer van mijn vader. Hij was dokter en zijn spreekkamer was door mijn moeder uitgeroepen tot ‘verboden terrein’, maar ik wist dat ik hem daar altijd mocht storen als ik met iets zat.
En ik zat met iets. Ik zat met Heksje.
Ik installeerde mij op zijn knieën en vroeg: ‘Heb je vijf minuten voor me, papa?’
‘Natuurlijk, Helen.’
‘Mag ik je dan het verhaal van Gertrude Porter vertellen?’
Hij glimlachte. ‘Het Verhaal van Gertrude Porter? Dat klinkt als de titel van een boek.’
‘Het is geen boek,’ zei ik. ‘Het is echt gebeurd. Maar het is wel nogal griezelig, papa…’
‘Ik luister…’
‘Deze namiddag zijn mama en ik naar de armen geweest, je weet wel… Ik vind dat meestal niet zo prettig; mama stelt zich dan altijd zo aan… Maar ik vind Gertrude Porter erg aardig. Ze heeft ogen van het lichtste bleekblauw dat ik ooit heb gezien. En een bochel heeft ze ook, maar dat valt niet erg op als ze in bed ligt. En ze ligt meestal in bed. Ze is ernstig ziek. Mama beweert dat het besmettelijk is, maar daar geloof ik niks van. En dan is er ook nog iets met haar voeten.’
‘Met haar voeten?’
‘Ja… de ene is heel klein en de andere heel groot.’
‘Ze heeft dus een klompvoet.’
‘Zoiets, ja… Ik denk van wel. Maar als ze in bed ligt, merk je daar ook niks van. Kun jij dat genezen, papa? Die bochel en die klompvoet? Kun jij die wegnemen?’
‘Nee,’ zei hij. ‘Een bochel of een klompvoet, dat kan ik niet genezen, Helen… Maar je zei dat ze ook ernstig ziek was. Besmettelijk, beweerde mama?’
‘Een longziekte. Mama had het over tering… en daarna weer over tuberculose.’
‘Dat is hetzelfde, Helen.’
‘Kun je tuberculose genezen?’
‘Ik vrees van niet… Niet echt… Nee, Helen… Het spijt me.’
‘Ik dacht het wel, hoor… Ik dacht wel dat het ongeneeslijk was. Gertrude zei al zoiets… Maar daarover wilde ik eigenlijk niet met je praten, papa.’
‘Waarover dan wel, Helen?’
‘De straatkinderen… Ze komen altijd aan haar deur staan en dan roepen ze: “Heksje! Heksje! Heksje!” Gertrude wordt er gek van…’
‘Vrouwen die er… een beetje ongewoon uitzien, werden vroeger wel vaker een heks genoemd. Alleen maar omdat ze bijvoorbeeld gebocheld waren of een klompvoet hadden. Allemaal onzin natuurlijk. Heksen bestaan niet. Maar ik neem aan dat het wel een vreselijke toestand moet zijn voor het slachtoffer in kwestie…’
‘Zeg dat wel… Gertrude wordt er gek van. Ze wil niet zo genoemd worden, maar vreemd genoeg… hebben die straatkinderen ook een beetje gelijk, papa.’
‘Hoezo?’
‘Gertrude kàn toveren.’
‘Komaan, Helen. Heksen bestaan niet, dat zei ik toch al?’
‘En toch kan Getrude toveren, papa.’
‘Heeft zij je dat verteld?’
‘Ja… omdat ze me vertrouwt. Voor haar ouders is ze doodsbang, maar mij vertrouwt ze. Haar ouders zouden haar verrot slaan als ze wisten dat Gertrude er met mij over gepraat had en dat ik jou dit vertelde, papa. Je moet me dus beloven er niemand wat over te zeggen. Dit moet ons geheim blijven. Beloof je het?’
‘Ik beloof het, Helen.’
‘Zweer het.’
‘Ik zweer het.’
En toen gooide ik het er allemaal uit. Dat de moeder van Gertrude, die afschuwelijke mevrouw Porter, geld verdiende met… met de vervloekingen die Gertrude uitsprak.
Nou ja, Gertrude sprak die vervloekingen niet echt uit hoor – behalve dan in haar hoofd. En dan drongen die door haar ogen naar buiten en via de ogen van de persoon die tegenover haar zat in zijn of haar hoofd.
Gertrude was bang dat ze het Boze Oog bezat. De arme drommels uit de achterbuurten kwamen mevrouw Porter opzoeken en zeiden dat ze niet langer hielden van hun echtgenoot, omdat die te veel dronk of omdat er geen dag voorbij ging zonder dat ze een pak rammel kregen. Dan zorgde mevrouw Porter ervoor dat Gertrude die man te zien kreeg en dan moest Gertrude hem van haar moeder vervloeken, of anders kreeg zij een pak slaag.
Gertrude keek die mannen aan met haar Boze Oog en wenste ze een barstende hoofdpijn toe, of een zere rug waardoor ze zo goed als verlamd werden. En het werkte. Het werkte altijd.
Papa dacht eerst dat ik het verzon. Ik zag het aan de wijze waarop hij zijn wenkbrauwen fronste. Maar ik bezwoer hem dat het geen smakeloze grap was en toen geloofde hij me.
‘Vandaag nog heeft Gertrude me verteld dat een meneer die ze ziek had gemaakt deze ochtend overleden is,’ zei ik.
‘Wat heeft ze dan gedaan om hem ziek te maken?’
‘Ik zei toch al dat er iets is met haar ogen, papa? Ze heeft ogen van het lichtste bleekblauw dat ik ooit heb gezien… Ik weet niet hoe het werkt, maar Gertrude is er zeker van dat ze het Boze Oog heeft. Ze zegt dat ze bij haar geboorte een magisch poeder in haar ogen geworpen kreeg, een magisch poeder van een gemene tovenares… Sindsdien kan ze iemand aankijken en dan wordt die persoon ziek, als ze dat wil. Het is daarom dat ze mij nooit recht in de ogen kijkt. Omdat ze niet wil dat ik ziek word, snap je? Want ik ben haar vriendin. Ik ben de enige vriendin die ze nog heeft, zegt ze.’
‘Hoe oud is die Gertrude van je?’
‘Veertien… Maar ze is kleiner dan ik, papa… Het is een heel vreemd meisje, Gertrude…’
‘En hoe lang spreekt ze al die euh… vervloekingen uit?’
‘Dat weet ik niet… Ze zegt dat het lang geleden begonnen is… Weet je, ik heb haar ook al enkele keren in het geniep opgezocht, zonder mama erbij, en dan breng ik haar chocola mee. Ze is gek op chocola, Gertrude. Ze zegt dat als ze groot is en kan gaan en staan waar ze wil, dat ze dan chocola zal verkopen. Als ze eindelijk genezen is, zal ze een mooie winkel hebben, zegt ze. Een winkel met alleen maar chocola erin. En ze zal mij in dienst nemen als verkoopster, omdat ik knap ben en omdat ik de mensen geen angst aanjaag. Zij jaagt de mensen wel eens angst aan, Gertrude. Tenminste, dat zegt ze toch. Maar ik ben niet bang voor haar, papa. Ze jaagt de mensen angst aan omdat zij niet knap is, zegt ze. Maar ik vind haar wel knap, hoor. Als je niet naar die bochel kijkt, alleen maar naar haar figuur, dan vind ik haar zelfs knapper dan mezelf. Het is toch jammer hé, dat ze gebocheld moet zijn. Kun je haar heus niet genezen, papa?’
‘Nee Helen, dat kan ik niet…’
Ik drukte hem nog eens op het hart niets te vertellen over Gertrude, tegen niemand, en vooral tegen mama niet. En vader beloofde het nogmaals.
‘Het is dat ik het gezworen heb aan niemand wat te verklappen,’ zei ik. ‘Gertrude wilde dat zo. Ik heb haar mijn woord van eer gegeven, papa. En zoals jij dat altijd zegt: je hebt maar één woord van eer, en breek je dat, dan ben je het kwijt en krijg je het nooit meer terug. Heb ik mijn woord nu gebroken door ons geheim aan jou te verklappen, papa?’
‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Je hebt dat gedaan om goed te doen en dan geeft het niet.’
‘Gertrude moet zo geheimzinnig doen omdat haar ouders zo slecht zijn, papa… Meneer en mevrouw Porter zijn werkelijk door en door gemeen. Ze dwingen Gertrude die vervloekingen uit te spreken en Gertrude wil het niet, maar ze moet of ze krijgt slaag en geen eten of drinken. En als ze er ooit met iemand over praatte, dan zouden haar ouders haar laten opsluiten bij de krankzinnigen en haar daar helemaal alleen achterlaten. Ze is doodsbang, Gertrude, en als haar iets vervelends overkomt omdat ze haar geheim aan mij toevertrouwd heeft, dan zou ik… dan zou ik het me nooit vergeven dat ik het aan jou verteld heb.’
‘Het is al goed, Helen. Ik zal er met niemand over praten. Maar dan moet jij me op jouw beurt iets beloven.’
‘En wat is dat?’
‘Dat je Gertrude niet meer zult opzoeken zonder dat ik erbij ben…’

3.

Ik beloofde het want ik vertrouwde mijn vader. En ik gehoorzaamde hem ook. Als mijn moeder me vroeg geen mosterd te eten, dan zou ik achter haar rug de hele pot leeg gelepeld hebben. Maar als mijn vader me ernstig verzocht hem iets te beloven en ik beloofde dat, dan hield ik mijn woord. Je had maar één woord van eer, en als je dat brak, dan was je ’t kwijt. Voorgoed.
In de plaats van mijn moeder, was het mijn vader die mevrouw Porter nu ging opzoeken. Hij nam geen zelfgebreide sjaaltjes mee, maar wel zijn dokterstasje. En zijn dochter.
‘Gertrude zal zich meer op haar gemak voelen met jou erbij,’ zei hij. ‘Jij bent een bekende voor haar, een vertrouwelinge zelfs.’

Vader onderzocht Gertrude grondig. Mevrouw Porter zag dat niet graag gebeuren, ik merkte het wel. Maar hij stoorde zich daar niet aan.
‘Uw dochter lijdt aan tuberculose… in een ver gevorderd stadium, mevrouw,’ zei hij tot mevrouw Porter. ‘Ze zou dringend moeten opgenomen worden in een ziekenhuis.’
Mevrouw Porter sloeg jammerend de handen in elkaar. ‘Hoe moeten wij dat betalen? Wij zijn arm, meneer. Wij kunnen ons geen ziekenhuis veroorloven!’
‘Ik neem de ziekenhuiskosten wel voor mijn rekening,’ zei mijn vader.
‘Geen sprake van!’ riep mevrouw Porter uit. ‘Wij hebben ook zo onze trots, meneer! Wij willen niet geheel en al afhangen van uw liefdadigheid!’
Vader fronste de wenkbrauwen weer. Hij kon dat op een bijzonder vervaarlijke wijze. Inwendig kookte hij, wist ik.
‘Is er niet wat anders aan de hand, mevrouw Porter?’ informeerde hij toen rustig – bedrieglijk rustig. ‘Is het niet zo dat u niet wil gescheiden worden van uw dochter… omdat ze zo goed opbrengt?’
Meneer Porter was meestal niet aanwezig als moeder en ik zijn gezin bezochten. Maar nu was hij er wel. Hij hield zich de hele tijd op de achtergrond. Misschien wilde hij niet dat we attent werden gemaakt op de sterke drankgeur die hij verspreidde.
‘Wat bedoelt u?’ vroeg hij nu.
‘U weet best wat ik bedoel, meneer. Het is monsterlijk wat u uw bloedeigen dochter aandoet! Gertrude… zij vertegenwoordigt een goudmijn voor u, nietwaar?’
Meneer Porter balde zijn vuisten. ‘Ik hoef mij niet te laten beledigen in mijn eigen huis, hoe schamel ook, meneer!’
Maar het was mevrouw Porter die ons de deur wees. En daar gingen we. Recht naar het eerste het beste politiebureau. Maar niet voordat vader de heer en mevrouw Porter op het hart had gedrukt niets te ondernemen tegen hun dochter. Want hij was vast van plan terug te keren met de politie en als het meisje ook maar één haar was gekrenkt, dan zwaaide er wat.
‘Best mogelijk dat het arme kind anders inderdaad nog een pak slaag krijgt op de koop toe,’ zei hij, terwijl we ons naar het politiebureau spoedden.
Zijn lippen waren samengeknepen tot een strenge dunne streep. Ik had hem nog nooit zo woedend gezien.

We keerden terug met de politie. Vader verklaarde dat Gertrude leed aan tuberculose en dat ze door haar ouders werd verwaarloosd. Bovendien werd ze door haar moeder gedwongen zich te prostitueren.
Ik begreep dat woord niet en vroeg hem achteraf wat dat betekende, ‘zich prostitueren’.
‘Dat een meisje of een vrouw haar lichaam verkoopt aan een man, Helen,’ zei hij, ‘en dat die man dan alles met dat meisje kan aanvangen… alles waar hij toevallig zin in heeft.’
Ik keek hem geschokt aan en vroeg me af wat mijn moeder me zou geantwoord hebben als ik haar naar meer uitleg had gevraagd over dat onderwerp.
‘Je bedoelt dat Gertrude… van haar moeder… met allerlei mannen moest vrijen… voor geld?’
Hij knikte. ‘Maar dat is nu voorbij, Helen. Daar zorg ik wel voor.’
Vader hield zijn woord. De politie ontdekte in de armoedige keet van mevrouw Porter een aardige som geld. Het was duidelijk dat mevrouw Porter en haar werkloze echtgenoot hun zieke dochter heel die tijd en op alle mogelijke manieren hadden uitgebuit.
‘Zodra hun fortuin was gemaakt, zouden ze haar wel aan haar lot overgelaten hebben,’ merkte mijn vader op. ‘Of erger nog.’
‘Erger nog?’
‘Als het niet snel genoeg ging, konden die twee monsters de ziekte van hun dochter nog altijd een beetje euh… bespoedigen.’

Voormalige buren van de familie Porter verklaarden aan de politie dat mevrouw Porter waarschijnlijk al eens eerder een kind had laten verdwijnen, dat bij zijn geboorte misvormd bleek te zijn. Het jongetje zou gestikt zijn.
Om een lang verhaal kort te maken: het duivelse echtpaar Porter werd opgesloten in de gevangenis en Gertrude werd opgenomen in het ziekenhuis. Mijn vader nam de kosten voor zijn rekening en bleef ook waken over de gezondheid van mijn vriendin. Over het Boze Oog en de vervloekingen die Gertrude zoal had uitgesproken, had hij het nog steeds niet met haar gehad.
In het ziekenhuis bleek dat de ruggengraat van Gertrude er zo erg aan toe was, dat zij gedwongen werd zich gebogen voort te bewegen, als een stokoud vrouwtje. Ze leed vaak ondraaglijk veel pijn… pijn die haar leek te verlammen.
In die tijd konden de artsen op dat gebied weinig voor haar doen. Tuberculose was toen ook nog een ongeneeslijke ziekte.
‘Betere levensomstandigheden en een betere voeding kunnen dat… verteringsproces wel vertragen, maar helemaal stopzetten kunnen we het niet, Helen,’ zei mijn vader.
Gertrude was, met andere woorden, ten dode opgeschreven.

Ze had een merkwaardig gezichtje, mijn Gertrude. Fijnbesneden trekken, een lange neus, een dunne mond, een erg hoog voorhoofd. En dan die onmogelijk lange strokleurige haren van haar, die weelderig over haar magere schouders golfden. Maar wat het meest opviel aan het gezicht van Gertrude, dat waren ongetwijfeld haar ogen: groot en blauw, van het lichtste bleekblauw dat ik ooit had gezien.
Heldere ogen waren het. Doorschijnende ogen. Zo open en eerlijk en…
Gertrude had helemaal geen Boze Ogen. Integendeel, ze had erg lieve ogen.

Gertrude wantrouwde alles en iedereen – behalve mij en later mijn vader. Maar dat was best begrijpelijk, zoals ook haar geweldige, angstaanjagende driftbuien best begrijpelijk waren. Wat had zij niet allemaal meegemaakt sinds haar geboorte? Haar dronkelap van een vader mishandelde haar; haar moeder verachtte haar en gaf haar te weinig eten. Vaak was het voedsel dan nog bedorven ook.
Toen Gertrude ongeveer mijn leeftijd had, begonnen de straatkinderen haar voor het eerst ‘Heksje’ te noemen.
Ze riepen het, waar ze ook kwam: ‘Heksje! Heksje! Heksje!’
Ze zongen spotliedjes over haar. Ze aapten haar na: zoals ze zich met haar klompvoet hinkend voortbewoog, terwijl de bochel over haar rug heen en weer leek te schuiven.
Op een keer had ze wraak genomen op een meisje dat haar ‘Heksje’ had genoemd en vervolgens gebogen en zwaar hinkend achter haar aan was komen lopen. Ze had haar handen als een klem om de hals van het meisje gelegd en ze had het hoofd van het meisje met al de krachten die zij in haar magere lichaam had op en neer geschud.
Ze had gegild: ‘Dat de Duivel jou ook maar eens laat hinken! Dat de Duivel jou ook maar eens laat hinken!’
Ze had het meisje ei zo na gewurgd, maar ze had die dag ook ontdekt dat ze blijkbaar over bepaalde… magische krachten beschikte. Want toen ze haar kwelgeest losliet, was het meisje weggegaan, een wazige blik in de ogen, net iemand die slaapwandelde… En hinkend.
Het meisje hinkte!
Mevrouw Porter had het ook gemerkt. Ze had Gertrude horen gillen: ‘Dat de Duivel jou ook maar eens laat hinken!’ En nu zag ze de kwelgeest van haar dochter de straat uitgaan, hinkend…
Was het mogelijk?
De kinderen uit de buurt en zelfs de volwassenen noemden haar Gertrude niet langer Gertrude, maar ‘Heksje’.
Was het mogelijk dat zij het veel eerder hadden gezien dan mevrouw Porter zelf, en dat haar Gertrude werkelijk een heks was?
Heksen bezaten het Boze Oog. Heksen konden vervloekingen uitspreken over mensen, dieren, gewassen.
Was het mogelijk?

Gertrude vertrouwde mij dat alles toe, stukje bij beetje, terwijl ik in het ziekenhuis aan haar ziekbed zat en het laatste leven zag wegvloeien uit dat gepijnigde, uitgeteerde lichaam. En ik vertrouwde het op mijn beurt toe aan mijn vader.
’Onzin,’ zei hij. ‘Heksen bestaan niet, tenzij in de verbeelding van bijgelovige mensen. Het Boze Oog is een verzinsel, Helen.’
‘Maar toch is er iets vreemds aan de hand met haar…’
‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Hypnose is niet meteen een alledaags verschijnsel, maar het is wel perfect wetenschappelijk verklaarbaar. Waarschijnlijk is Gertrude er zich niet eens van bewust dat ze over hypnotische krachten beschikt.’
Mijn vader had gelijk. Gertrude was zich daar allerminst van bewust. Ze geloofde stellig wat haar afschuwelijke moeder haar had op de mouw had gespeld: dat er bij haar geboorte een tovenares aanwezig was geweest, die een magisch poeder in haar ogen had geworpen.
Mevrouw Porter zorgde ervoor dat dit sprookje zich als een lopend vuurtje verspreidde door de stinkende, mistige achterbuurten van Londen. Het was een uitstekende reclame voor de zaakjes die zij hoopte op te zetten met haar dochter die er zo merkwaardig uitzag. Haar Heksje bezat het Boze Oog en iedereen moest het weten.
Later liet mevrouw Porter zelfs nog een gemener gerucht op de wereld los.
‘Als de mannen die het bed van mijn dochter delen daar een aardige stuiver voor over hebben,’ vertelde ze aan iedereen die het horen wilde, ‘dan zullen zij op hun beurt over de magische krachten van mijn Heksje kunnen beschikken…’

4.

Eindelijk slaagde ik erin Gertrude ervan te overtuigen dat zij mijn vader even goed kon vertrouwen als ze mij vertrouwde.
Mijn vader was in zijn nopjes. ‘Mooi, mooi, mooi,’ zei hij. ‘Nu moet het onze eerste taak zijn, Helen, je vriendin te doen begrijpen dat zij geen heks is die beschikt over magische krachten, maar gewoon een meisje dat zonder het te weten een vorm van hypnose heeft toegepast.’
Vader legde Gertrude geduldig uit dat voortaan niets of niemand haar nog zou dwingen andere mensen kwaad te doen. Hij leerde Gertrude hoe ze een persoon in een hypnotische sluimer kon laten verzinken en hoe ze hem of haar weer kon doen ontwaken. Hij maakte haar duidelijk dat ze dat ook kon doen zonder die persoon ondertussen te suggereren dat hij last had van een pijnlijke rug of hem in te fluisteren dat hij zich maar beter in de rivier kon gooien.
Dat laatste – over die rivier – interesseerde hem blijkbaar nogal. Hij probeerde er altijd weer met Gertrude over te praten, maar zij beweerde dat ze zich daar weinig of niets van herinnerde.
Vader verloor nooit zijn geduld met haar en hij bleef altijd even vriendelijk… maar hij gaf het niet op.
‘Je hebt aan Helen verteld dat je iemand hebt doen sterven, Gertrude… Wie heeft je gevraagd dat te doen?’
‘Ik weet het niet meer, meneer…’
‘Doe eens een inspanning, Gertrude… Was het iemand die je moeder kwam opzoeken? Was het een vrouw?’
‘Nee, het was geen vrouw.’
‘Ben je bang om er met mij over te praten?’
‘Ja…’
‘Waarom? Omdat je die persoon kwaad hebt gedaan?’
‘Ik heb hem kwaad gedaan omdat hij mij kwaad heeft gedaan, meneer…’
‘Heeft hij je geslagen?’
‘Nee…’
‘Welk kwaad bedoel je dan?’
En dan deed Gertrude er altijd weer koppig het zwijgen toe. Maar de volgende keer wanneer vader haar opzocht, begon hij er opnieuw over. Hij kon ook koppig zijn, mijn vader.
‘Wanneer heb je dat gedaan, Gertrude? Wanneer heb je die persoon kwaad gedaan?’
‘Met Pasen.’
‘En hoe weet je dat hij dood is?’
‘Omdat mijn moeder me geslagen heeft. Ze heeft me zo hard geslagen dat ik me verscheidene dagen zelfs niet eens meer kon verroeren.’
‘Maar gewoonlijk… als je deed wat je moeder je opdroeg te doen… dan kreeg je toch geen slaag? Want dan was zij tevreden, nietwaar? Dan had ze weer wat aan jou verdiend!’
‘Deze keer was het haar niet om het geld te doen, meneer… En ze wilde niet dat ik hem deed… sterven.’
‘Vertel het mij, Gertrude. Je moét het me vertellen. Wat is er gebeurd?’
‘Nee, ik kan het niet…’
En de toch al zo lichtblauwe ogen van Gertrude werden bijna… blank… terwijl ze mijn vader zo intens aankeek dat ik even bang was dat ze hem ook kwaad zou doen.
‘Gertrude…’ zei hij zacht, en hij nam haar hand in de zijne. ‘Mij wil je geen kwaad doen, hé?’
Gertrude sloeg haar merkwaardig lichte ogen neer, verborg haar hoofd in haar handen en begon te huilen.
‘Nee meneer,’ snikte ze. ‘Nee, u wil ik geen kwaad doen. U bent zo goed voor me. Maar ik kan daar niet over praten, meneer. Dwing me niet daarover te praten, want ik kan het niet… En bovendien, ik heb dat alleen maar tegen Helen gezegd om indruk op haar te maken.’
Mijn vader knikte, maar zei niets. Hij stond op en nam me bij de elleboog. Samen verlieten we de ziekenkamer van Gertrude.
‘Ze liegt,’ zei hij, toen we op de gang stonden.
‘Ja,’ zei ik.
‘Maar waarover liegt ze, Helen?’
‘Ik heb er geen idee van,’ antwoordde ik, en dat was de waarheid.
‘Heeft ze dan werkelijk iemand… de dood in gedreven?’
Vader richtte zich meer tot zichzelf dan tot mij. Hij leek zich in feite al niet meer bewust te zijn van mijn aanwezigheid. Hardop nadenken deed hij wel meer.
‘Iets dergelijks… is dat mogelijk, Helen?’
Mijn vader wilde het niet geloven. Hij dùrfde het niet geloven.
‘Als Gertrude zo hardnekkig weigert erover te praten…’ ging hij verder. ‘Misschien doet ze dat omdat ze bang is dat ze gestraft zal worden en dat ze dan ook naar de gevangenis moet… Wat dan weer betekent dat ze het toch zou gedaan hebben… Dat ze… een moord heeft gepleegd… Het is ongelooflijk en het is ook ongeloofwaardig, Helen… Maar daarom niet onmogelijk. De vraag is alleen: hoe kunnen we ooit zekerheid krijgen?’

5.

Het was dank zij mevrouw Porter dat mijn vader achter de waarheid kwam. Hij trok nogmaals naar de politie, deze keer met het verhaal van Gertrude. Men stond hem toe aanwezig te zijn bij een ondervraging van mevrouw Porter. Naderhand heeft hij me daar alles over verteld.
Alleen als ze onder druk werd gezet, zou een zo verwerpelijke vrouw als mevrouw Porter breken, dacht de politie. Dus ging men er meteen met de harde middelen tegenaan.
‘Er werd een moord gepleegd, mevrouw Porter. Ofwel bent u de schuldige, ofwel is het uw dochter. Wel, we luisteren… Hoe zit het?’
Mevrouw Porter behoorde niet tot dat slag moeders dat hun dochter tot het bittere einde in bescherming neemt. Als het zo zat – dat ofwel zij, ofwel haar dochter schuldig moest zijn aan moord -, dan kon zij maar beter het zekere voor het onzekere nemen en Gertrude beschuldigen.
‘Ik heb haar een klant gebracht, en terwijl ik hen alleen liet, moet zij die man ingefluisterd hebben dat hij zich maar beter kon gaan verdrinken. Zo is het gebeurd en niet anders, meneer de inspecteur. Ik heb de man zien vertrekken met die afwezige blik in zijn ogen... hij leek net een slaapwandelaar. Later heb ik gehoord dat hij in de rivier is gesprongen, maar het koude water moet hem… bijgebracht hebben. Het was echter al te laat. De arme kerel kon niet zwemmen, zijn kleren begonnen van al dat water zwaar door te wegen en ze hebben hem naar de bodem getrokken. Ze noemen mijn dochter niet voor niets Heksje, meneer de inspecteur. Denk daar maar eens twee keer over na voor u mij nog eens beschuldigt van moord.’
‘Maar waarom heeft Gertrude dat gedaan, mevrouw Porter? Ze wierp toch alleen maar het Boze Oog op uw verzoek? Wie wilde die man kwaad doen?’
‘Niemand, meneer! Niemand behalve… zíj! Ik heb alles geprobeerd om het te verhinderen, ik zweer het!’
‘U hebt alles gedaan om het te verhinderen? Neem me niet kwalijk, mevrouw Porter, maar erg duidelijk bent u niet. Verklaar u nader. Wie was die man?’
Vader vertelde achteraf dat het verhoor van mevrouw Porter een bijzonder pijnlijke ervaring was geworden, voor iedereen die bij de zaak betrokken was.
Uiteindelijk bekende de afschuwelijke vrouw dat het slachtoffer haar minnaar was geweest. De man was zo stom geweest geloof te hechten aan de praatjes van mevrouw Porter, over de magische krachten waarmee Gertrude begiftigd was, en dat zij deze krachten zou overdragen op de man die bij haar sliep. Hij had het bed willen delen van het Heksje met de bochel en de klompvoet en Gertrude had geen ander middel gezien om zich te verdedigen. Ze had de vent onder hypnose gesuggereerd dat hij maar beter in het donkere koude rivierwater kon springen.
Smerig? Ja, smerig was het ongetwijfeld. Maar het was niet smerig van Gertrude. Zij had alleen maar geprobeerd zich te verdedigen, op de enige manier die ze kende.
‘Volgens de wet,’ zei mijn vader nors, ‘gaat het hier enkel en alleen om het misbruik van een minderjarige, van een ongelukkige met een handicap. Misschien kunnen we mevrouw Porter ook nog het aanzetten tot een misdaad aanwrijven, maar dan hebben we het wel gehad.’

Mevrouw Porter verdween in de anonimiteit van de Engelse vrouwengevangenissen.
Enkele maanden nadat mijn vader haar liet opnemen in het ziekenhuis, sloeg Gertrude op de vlucht. We vonden haar halfdood terug op de oever van dezelfde rivier die de dood had betekend voor de minnaar van haar moeder. Het vroor dat het kraakte, ze was helemaal onderkoeld.
Later bleek dat Gertrude haar diensten had aangeboden aan een circus, daarna aan een duister cabaret. Maar niemand zag een optreden zitten van het Heksje met de bochel en de klompvoet.
O ja, ze leek zo weggelopen uit een rariteitenkabinet en het soort ongelukkige wezens dat daar tentoongesteld werd, deed het altijd goed bij het publiek. Maar de kranten hadden al te veel aandacht besteed aan het verhaal van Gertrude. De meeste mensen voelden er weinig voor zich te vergapen aan het Heksje dat al voor zo veel onheil had gezorgd. Haar merkwaardig bleekblauwe, bijna blanke ogen boezemden iedereen alleen maar angst in.
Gertrude, mijn lieve vriendin, overleed een paar weken later aan de gevolgen van een winternacht die zij in de open lucht had doorgebracht, gecombineerd met haar ver gevorderde tuberculose. Ze nam haar uitzonderlijke hypnotische gaven mee in haar graf.
Volgens het dossier dat mijn vader over haar samenstelde, was ze in staat geweest om het even wie te overtuigen van om het even wat. Tijdens één van de weinige hypnotische experimenten die mijn vader in het ziekenhuis met Gertrude uitvoerde, hield zij op een keer plotseling de blik van een verpleegster vast, enkele seconden maar.
‘U hebt pijn in de rug,’ zei ze, terwijl ze de ogen van de verpleegster gevangen hield in haar eigen starende, bijna doorschijnende bleekblauwe ogen.
Toen liet ze de blik van de verpleegster los… en vervolgde de verpleegster haar weg, met gebogen rug.
Het was met dat soort kunstjes dat mevrouw Porter fortuin hoopte te maken, terwijl mijn moeder aan liefdadigheid dacht te doen met haar zelfgebreide kousen en sjaaltjes.
Dus zwijg me over ‘die goeie ouwe tijd’, maatje. Een tijd waarin meisjes als mijn lieve vriendin Gertrude moesten meemaken wat zij heeft meegemaakt, zou ik niet meteen ‘goed’ willen noemen…